WANDELEN IN GERECHTIGHEID
Openingswoord Gerejormeerde Jaarvergadering Bond
Daar zijn twee woorden uit het Spreukenboek die wij bij de opening van deze jaarvergadering van de Gereformeerde Bond onder uw aandacht zouden willen brengen. Het eerste woord is uit Spreuken 8 : 20. „Ik doe wandelen op de weg der gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts." Het tweede woord is uit Spreuken ' 11 : 18b: Voor dengene, die gerechtigheid zaait, is trouw loon.”
Onze tijd kenmerkt zich, dacht ik, door het gemis aan moraal, aan christelijke moraal. Op alle terreinen ontstaan gezagscrises. Naast het gebrek aan binding aan een gezag, dat op velerlei wijze boven de mensen gesteld is, is er tevens het gebrek aan intermenselijke verantwoordelijkheid. Wel is het woord medemenselijkheid niet van de lucht, maar daarin is niet gegeven, waarin men zo al verantwoordelijkheid voor de anderen heeft te dragen. De medemenselijkheid laat de ene mens zonder meer naast de ander staan, laat hem zoals hij is, en wil zelfs zover gaan, dat die ene mens geheel als de andere wil zijn. De medemenselijkheid wil dan ook bijzonder zich bewegen op sociaal gebied. Men aanvaardt het levenspatroon van elkander, men aanvaardt zelfs de religie van elkander. Na de grote beweging van de oecumene, het interkerkelijk verkeer, welke beweging nog bij lange niet tot het voorgenomen doel en dan ook bij lange niet tot haar rust gekomen is, zijn verschillende elkaar kruisende sociale en kerkelijke stromingen overgegaan tot een onderlinge erkenning van de grote wereldgodsdiensten.
De alleengeldigheid van de christelijke kerk tegenover het jodendom, de alleengeldigheid in het christendom tegenover het mohammedanisme en de heidense godsdiensten wordt door velen als een lang verlaten, als een overwonnen standpunt gezien. Ik behoef dan nauwelijks meer te noemen de grote tegenstelling Rome-Reformatie, die door het gros der mensen in de Protestantse kerken niet meer als een tegenstelling beleefd wordt, zelfs wel als een noodlottige vergissing onzerzijds wordt beschouwd.
Het een en ander is ontstaan door de ontwaarding van de belijdenis der kerk, die leiden moest tot de ontwaarding van de Heilige Schrift zelve. Het verwondere ons dan ook niet, dat de christelijke zede, de christelijke moraal, de christelijke gewoonten het eerste de neerslag van dit alles ondergaan heeft. Traditie kan een hoog goed zijn, maar traditie ontstaan aan deze belijdenis, aan de Schrift is een nodig goed en een geboden goed. De levenswandel van een christenvolk behoort een christelijke levenswandel te zijn en de levenswandel van een Gereformeerd volk behoort een Gereformeerde levenswandel te zijn.
Is de moraal, de levensleer, niet een hoog genoteerde wetenschap en niet een aangelegen stuk in de verkondiging der kerk, zij zal dan ook onder het kerkvolk niet een van harte gepraktiseerd deel van zijn geloof zijn. Ook onder ons Gereformeerde volk, zowel predikanten, kerkeraadsleden als gemeenteleden, is dit een uitgesleten stuk. Enerzijds zet men ook onder ons vele gewoonten als behorend tot voorbij gegane tijden terzijde, anderzijds klemmen anderen zich krampachtig vast aan gewoonten, die wel onder het volk geleefd hebben, maar die niet uit het geloof gesproten zijn, terwijl daarmee gepaard gaat bij hen niet een staan in de wezenlijke stukken des geloofs, door welk gemis de behoudendheid in allerlei vormen dan ook des te minder aannemelijk gemaakt wordt.
Temidden van dit alles moet wel gezegd worden, dat de heilige apostelen nogal grote stukken van hun brieven wijden aan de levensleer der gemeenten op allerlei terrein. Temidden van dit alles rijst het woord uit Spreuken 8, waar niemand minder dan de opperste Wijsheid (en ik mag toch wel zeggen, dat dat de Heere onze Gerechtigheid, de Heere onze Christus is) spreekt: „Ik doe wandelen op de weg der gerechtigheid." Men kan met een zeker recht die weg der gerechtigheid zien als een weg in het geestelijke leven, maar met het hele Spreukenboek achter zich doet men wijs, als men hem ziet als een wandelen in rechtschapenheid, van eerlijkheid, van trouw. Dat is dacht ik één der eerste betekenissen van het O.T. begrip Tsedaka.
Daarover wilde ik het heden met u hebben op deze vergadering, waarin wij voor het eerst onze betreurde voorzitter, prof dr. Severijn, missen en allerlei figuren, die jarenlang het leven van de Bond bepaald hebben. Als Christus iemand doet wandelen in de weg der gerechtigheid, dan heeft dat in de eerste plaats betrekking op Hemzelf, op het geloof, op de Heilige Schriften. Dit geloof wisselt met de tijden niet. Het komt uit de eeuwigheid, het gaat ook naar de eeuwigheid. Voor ons als Gereformeerde mannen in onze kerk is het een eerst aangelegen zaak, dat wij dat geloof hebben, dat wij dat bewaren en dat wij daarin wandelen. Daar heeft Hij recht op. Het is slechts een kwestie van rechtschapenheid op zijn allerminst, dat wij eerlijk en getrouw voor Hem leven, dat wij ook met Hem leven, dat wij uit Hem leven. Dit is de verborgen kracht geweest van de geslachten, die voor ons gingen, die de Bond oprichtten en leidden. Dat dit zo ook zij onder dit geslacht. Als de religie van ons beginsel ontbreekt, dan zijn wij slechts partij, mogelijk een Zelotengroep, die met te meer fanatisme strijdt, naar de mate het gelijk van het beginsel aan haar zijde is. Die religie, de beleving van het beginsel der belijdenis, de innerlijke verbondenheid aan Hem, de verborgen omgang met Hem in de dienst des Woords en der sacramenten en in de onderlinge geloofs-en en gemeenschapsoefening, is de onmisbare voorwaarde voor ons bestaan en voor ons voortbestaan als Gereformeerd volk in onze kerk. Het is ook de onmisbare voorwaarde voor het bestaan en voor het voortbestaan van de kerk zelve. Het zal ons ook zetten in de gemeenschap en in de rij met de Godvruchtigen in de vorige geslachten, zelfs in die van vroegere eeuwen. Deze wandel in geloofsgemeenschap met Christus, en in Hem met de Vader, zal dan beoefend moeten worden in een dagelijks gebeds- en gemeenschapsleven, in afzonderingstijden bij het Woord en m een nauwgezette wandel in Zijn inzettingen en in Zijn geboden. Laat ons vooral de viering van de dag der dagen in onze gezinnen, in onze gemeenten, in onze pastorieën niet verzuimen. En vergeten wij het vooral niet: Christus doet wandelen in de weg der gerechtigheid Waar het zo niet is, daar zijn wij niet van Christus. De sabbath b.v. is een teken tussen Mij en tussen u.
De christelijke wandel vraagt ook een gaan in de gerechtigheid binnen de kerk en voor het aangezicht der kerk. De kerk is de heilige vergadering van alle ware Christgelovigen. Zo willen wij ten diepste ook onze kerk zien. Naar de orde van het verbond is zij een heilige samenroeping. Wie deze roeping niet zouden mogen verstaan, ieder persoonlijk, is gebonden haar wèl te verstaan. En daarnaar te handelen. Dan worden wij tot de kerk geroepen, tot deze kerk. De kerk is niet iets geestelijks, dat boven het instituut hangt. Roept nu de Heere iemand tot de kerk, die geloofsobject op zichzelf is, dan vergt dat van hem eerbied voor die kerk, ontzag voor die kerk. Waar de eerbied voor de kerk aanwezig is, daar zal men zich wel wachten, om zo maar alles over de kerk en aan het adres van de kerk te zeggen. Daar zal men zeer matig zijn in het oefenen van kritiek, zal men veel liever als de wijze uit de Spreuken een zaak bedekken. Waar de eerbied voor de kerk leeft, daar zal men de goede eigenschappen van de kerk gaarne en van harte vermelden en de kerk de haar toekomende liefde niet onthouden. Daar zal men evenwel niet nalaten Moeder , Kerk" haar feilen en haar zonden voor te houden, maar niet meer dan een kind aan een moeder betaamt.
Daar is echter iets anders, wat mij op het hart ligt. Ten aanzien van de kerk past ons een rechtschapen wandel, door eerlijk en getrouw aan de kerk het onze en onszelf ten offer te brengen. Als wij aan de kerk geven, dan geven wij zo doorgaans aan onze eigen zaak. Wat ziet de kerk van ons offer? Waar brengt men zijn gebeden als een schat tesamen voor de kerk, voor die delen der kerk, die aan de waarheid Gods ontzonken zijn, of die de waarheid nimmer gekend hebben. Waar kent men nog een vasten der ziel en het vasten des lichaams over de schulden en over de zonden der kerk? En vooral, wij hebben te geven onszelf als een offerande, een levende offerande Gods, om der wille van Hem, Die zichzelven gegeven heeft voor onze zonden.
Mac Cheyne spreekt over het offeren aan de vijanden ook in de kerk. Dit is dunkt mij een nieuw gezichtspunt, waard om door ons overdacht en ter harte genomen te worden. Mac Cheyne zegt, dat de Heere Zich voor Zijn vijanden gegeven heeft Waar nu nooit anders dan vijanden met God verzoend worden, zal de kerk moeten leren zich aan, maar ook voor vijanden te geven. Een gedachte ons wat vreemd, maar niettemin bijbels en evangelisch, een gedachte, die de zending draagt, maar die ook het kerkelijk leven draagt. De kerk, die ons aller Moeder is, mag toch van haar kinderen verwachten, dat zij wandelen in gerechtigheid? Wij hebben aan haar te danken onze Doop, het Woord Gods, het leven, het geestelijke leven!
Het gaan in de weg der gerechtigheid vraagt ook dat die ons „onderling verkeer" regele en beheerse. Hoe gaan wij met elkander om? Rechtvaardig vanuit de vreze Gods? Het mag toch van ons verwacht worden, dat wij eerlijk staan in ons beginsel, dat een schoon en goed beginsel is, omdat het het beginsel van de kerk is. Onze leer is zo diep en zo schoon en vooral als die levend voor ons en in ons staat, dan is zij zo waard, dat wij haar indragen als een enige man in de kerk, dat wij haar binden aan de kerk. Hier is inderdaad vanuit de genade van Christus „rechtschapenheid". Deze leer is een leer, die een zekere adeldom verleent, die het volk ophaalt. Daar zijn de gemeenten, de kerkgebouwen, de pastorieën, zelfs de dorpen, de steden, die een welvaren vertonen, een voornaamheid, die door eenvoud heen, aan dit goede en rijke beginsel ontstaan is. Zie daar hebt gij dat loon dat Spreuken 11 : 18 getrouw verbindt aan degenen, die gerechtigheid zaaien.
Rechtvaardig wandelen in het onderling verkeer dat geeft ook een goede toon in de gesprekken, hartelijke genegenheid, goede collegialiteit onder de predikanten, het elkander helpen en bijstaan in alle voorkomende gevallen, elkanders eer en goede naam, waar dat mogelijk is voorstaan, naast elkander staan in ziekte, nood en dood, het elkander trouw zijn ook tegenover andersdenkenden, hoffelijkheid, wellevendheid. Ziet al deze dingen behoren tot de moraal, die de bijbel ons leert. Zij behoren tot een goed Gereformeerd leven. Wat nu onder predikanten van ons gevraagd wordt, dat zij niet minder een erfelijk bezit ia de gemeenten. Van onze gemeenten wordt verwacht, dat zij het pand, haar toebetrouwd in de leer, bewaren. Daarin mogen de gemeenten wel toenemen, altijd toenemen, zonder dat zij doorslaan, zonder dat zij overgeestelijk worden. De gemeenten paren echter toenemende mildheid bij toenemende geloofsdlepte. Men ga met elkander om niet in een geest van eindeloos veroordelen, van eindeloze haarkloverijen over onbetekenende dingen. Men worde afgebracht van de bijzaken op de hoofdzaken, maar men beware die hoofdzaken dan wel terdege! Men ga ook om met zijn predikanten als schapen der kudde ziende op de enige Herder, Jezus. Dat zal goede volgzaamheid geven bij trouwe beginselvastheid. „Ik", zegt de Wijsheid, „doe wandelen in het midden van de paden des rechts." Dan wacht men zich odn af te wijken naar rechts, zo goed als naar links. En daarin is groot loon. Daar is men in de koninklijke weg, in de weg des konings.
Noot van de redactie:
Wegens plaatsgebrek moest dit stuk met de kleine letter gezet worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's