Hoor, hoe het waait!
„En er geschiedde haastiglijk uit de hemel een geluid, gelijk als van een geweldige, gedreven wind en vervulde het gehele huis, waar zij zaten." Handelingen 2 vs 2.
Pinksteren is de laatste van de drie grote feesten. Voor velen betekent dat, dat ze er nauwelijks kennis van nemen. De belangstelling taant van Kerstfeest tot Paasfeest, van Paasfeest tot Pinksterfeest. Het hinkende paard komt achteraan, en Pinksteren is ook in de prediking vaak een hinkend paard. Hoe volkomen fout is deze waardering. Alsof Kerstfeest en Paasfeest zich als feesten kunnen aandienen en handhaven, zonder het Pinksterfeest; zonder het flonkerende sluitstuk. Want de grote feesten gaan met Pinksteren niet als een nachtkaars uit, integendeel, de lamp wordt hoog opgedraaid en werpt haar licht wijd en zijd. Het evangelie van Pinksteren klinkt luid en vol en rijp.
Het is eigenlijk een lied, ter ere van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest waarnaar we mogen luisteren. Een eigenaardig lied: hoor, hoe het waait. Een lichte verlegenheid zal zich van ons meester maken: Wat wil toch dit zijn. Het schijnt moeilijk om te verstaan en te vertolken. Maar eigenlijk is het eenvoudig. De eenvoud van Gods grote daden, die bezongen en bezegeld worden. De eenvoud, waartoe de Heilige Geest ons verstand en ons hart wil verlichten. Want wie zou zonder die verlichting er over schrijven en er over lezen?
En er geschiedde. Pinksteren bestond niet in de verbeelding der discipelen, hun wat overspannen verbeelding. Het is een gebeurtenis, die plaats greep in de geschiedenis, Pinksteren is gedateerd. De dag werd vervuld, en toen gebeurde het. Velen zijn er getuige van geweest, oor- en ooggetuigen, zij kunnen er verslag van geven. Lukas verhaalt het ons heel nauwkeurig. Wij kunnen het verloop van deze gebeurtenis op de voet volgen; wat niet betekent, dat wij het geheim helemaal onthuld krijgen. De uitstorting van de Heilige Geest is even goed een wonder als de vleeswording des Woords. Uitstorting: als een stroom die buiten haar oevers treedt, en het land onder water zet, zover men maar kijken kan. Het is de hoge tegenwoordigheid Gods, waarvoor wij ons hebben te buigen. De wónderrijke tegenwoordigheid Gods.
Het wonder doorgronden wij niet, wij kunnen het nauwelijks aanduiden. Welnu, de Geest komt mijn zwakheid te hulp, op de dag van Zijn heirkracht, de tekenen maken ons iets van het wonder duidelijk. Voor deze overdenking kozen wij het teken van de geweldig gedreven wind. Daarin wordt de komst van de Heilige Geest ons verkondigd. Natuurlijk is de wind de Heilige Geest niet. Het is eigenlijk niet eens een wind. Het woordje „als" wil dit misverstand voorkomen. Het verschijnsel maakte de indruk van een hevige windvlaag; het geluid deed daar tenminste aan denken, het geluid dat het hele huis vervulde. Hoor hoe het waait!
Willekeurig is het teken echter ook niet. Het spreekt een taal, die wij enigszins kunnen verstaan en in die taal vertelt het ons iets van de komst en het werk van de Heilige Geest. In de Heilige Schrift — want dat is ons leerboek, ons taalboek en ons leesboek — is de wind dikwijls het teken van de tegenwoordigheid Gods. Adam en Eva hoorden de stem van de Heere God aan de wind des daags. Hoor, hoe het waait, God is tegenwoordig, Hij wandelt in de hof. Pinksteren knoopt weer aan bij het paradijs! Ik denk aan David: Als gij hoort het geruis van een gang in de toppen der moerbeziebomen — de wind strijkt er zacht doorheen — dan rep u, want de Heere is voor uw aangezicht uitgegaan. Trouwens onze hoogste Leraar heeft de Heilige Geest met de wind vergeleken, in Zijn gesprek met Nicodemus: De wind blaast waarheen hij wil en gij hoort zijn geluid.
Het is een zinvol teken. Wind, adem, geest hangen in de talen van de Schrift al samen. De Heilige Geest is als het ware de acteur Gods: waar God tegenwoordig is valt een intense stilte, u hoort, Hem ademen. En deze adem is een geweldige windvlaag, die door de dorre wereld vaart. Onnaspeurlijk is de Geest in zijn oorsprong. God uit God; waarachtig God met de Vader en de Zoon. Wij belijden met de kerk van alle eeuwen, de Heilige Geest, die Heere is en levend maakt, die van de Vader en de Zoon uitgaat, die tezamen met de Vader en de Zoon aangebeden en verheerlijkt wordt! Daarom kan niemand en niets Hem tegenhouden bij zijn komst. Het sanhedrin, dat Christus ter dood bracht staat, hier machteloos. Wie verhindert de Geest om neder te dalen uit de hemel en zijn intocht de houden in Jeruzalem, de stad waar Jezus was vermoord? Die vrijmacht kenmerkt het werk van de Heilige Geest. Er zijn verhinderingen genoeg, maar Hij neemt al die hindernissen met een verwonderlijk gemak. Hij ruimt versperringen op. Hij roept zijn heerschappij uit in vijandelijk gebied en wie zal Hem beletten. Wie zal de wind ooit in zijn vingers nemen en gevangen nemen met zijn hand?
Wie zou de wind zijn weg voorschrijven? Wie zou hem dwingen in een door ons gewenste richting? Hij waait waarheen hij wil. De windvlaag van de Geest doorkruist alle menselijke berekeningen, lees 't maar na in het boek der handelingen. Waarheen Hij wil. Van Jeruzalem tot aan de einden der aarde. Dein zijn de verrassingen niet van de lucht. Cornelius is er goed mee, en Lydia, en wij! Denk er niet gering over, dat de Heilige Geest zijn weg nam naar ons werelddeel, naar ons vaderland, naar onze gemeente. Waaraan verdienen wij het? Wie uit de Geest geboren werd weet ervan, ook in zijn persoonlijk leven. Het valt niet te verklaren uit ons verlangen, uit onze verdiensten, o nee. Het is een wonder. Er zit wat achter: Een geweldige gedreven wind. Het welbehagen Gods zit er achter. Daarom gaat deze wind nooit meer liggen, al lijkt het soms windstil.
Wij hebben het niet in onze macht, maar het komt met kracht, met onwederstandelijke kracht. Waar Hij komt, daar wordt het een neigen en een buigen, als van rijpe halmen op de akker. Drieduizend vallen den Heere toe, en nemen het woord gaarne aan. Dat is de kracht van de Heilige Geest. Een stormwind, die hoge bomen ontwortelt. De Heilige Geest komt tegen alles wat hoog en verheven is; het gaat tegen de grond. Te dien dage is de Heere alleen groot, dat is Pinksteren. Gevaarlijk, vraagt u. Levensgevaarlijk voor ieder die zich zoekt te handhaven tegenover God. Wat zijn wij toch een onverzettelijke mensen, wij klemmen ons vast aan de grond van deze wereld, met wijdvertakte en diep verspreide wortelen en wij merken de hoogheid des Heeren niet aan. Zouden zulke bomen bestand zijn tegen de rukwind van de Geest. Ze breken er onder, als ze er niet onder buigen. Ook dat kunt u in de handelingen lezen.
O, verzucht iemand, als ik dan maar niet breek. Bent u daar bang voor? Ik ben zo bang voor mijn eigen hoogheid en hardheid; wat breken moet wil maar niet buigen. Mag ik u vanuit Pinksteren troosten? God zendt zijn Geest uit. Die Heilige Geest vernedert wat hoog is en verbrijzelt wat hard is. Een geweldige gedreven wind zo was het toch; getuige wie getuigen kan! U hield het daar niet tegen vol. De rukwinden deden het hem niet; wat er voor stormen over uw leven en in uw geweten losbraken, u werd er niet anders van. Maar deze windvlaag uit de hemel, dat stoere en tere geweld van de Geest. Dat was een en andermaal het geval, nietwaar. Het werd een zich neigen en een zich voegen. Een Pinkstergemeente, in de ware zin des woords, is een gemeente die op een korenveld lijkt. U hoort het waaien, en u ziet de halmen neigen. U hoort het ruisen ter ere van God de Heilige Geest.
Wij mogen de voortstuwende kracht van de Heilige Geest roemen. Het valt niet mee tegen de wind te moeten optornen, maar met de wind in de rug loopt het gemakkelijk. De wind houdt de molenwieken draaiende, neemt de bladeren mee in zijn wervelende gang. Welnu, als de Heilige Geest in de raderen van ons leven is, brengt Hij beweging in wat anders zo stil en zo star is. Hij wil ons voortdrijven in de wegen des Heeren: Ik zal maken, dat zij in Mijn inzettingen zullen wandelen zegt de Heere. Hoe kan het anders. De Heilige Geest werkt een hartelijke lust om naar de geboden des Heeren te leven. Zodoende komt er wat vaart in het leven der heiligmaking. Paulus zegt: Ik jaag ernaar. De Heilige Geest jaagt hem voort, want de Heilige Geest is de geest der heiligmaking. U mag over deze wonderlijke windvlaag nog gerust wat nadenken. Welbeschouwd is dit de levensvoorwaarde van allen die geloven. Wat komt er van groei en bloei, als deze wind niet waait. Hoor, hoe het waait.
Ik hoor niets. Nu ja, op Pinksteren, toen wel. Maar vandaag? Wij moeten echt wat bescheiden en wat beschaamd Pinksteren vieren, vindt u niet. Waait het nog wel eens in ons leven? Waait het nog wel eens in de gemeente? Zeker, er is veel wind, het stormsein wordt waarschuwend gehesen! Maar deze geweldige, gedreven wind? Gaan wij prat op onze rechtzinnigheid, zijn we een goede gemeente, maken wij ernst met de zaak? Alles goed en wel. En toch, wat is het beklemmend stil, liet ritselt nauwelijks meer. Daar moeten we niet overheen spreken en werken, wij moeten niet hoog van de toren blazen; liever helemaal niet blazen. Want blazen helpt niet, wanneer het niet waait. Luistert u liever, hoe het waait! Toch waait, omdat de Heilige Geest werd uitgestort. Hoort het lied, en bidt. Dat ook, mijn lezer. Bidt om de Heilige Geest, die zo machtig ging waaien. Dan verdwijnt de dofheid en de mufheid, dan waait het weer eens helemaal door. Mijn Pinkstergroet is een Pinkstergebed: Ontwaak, noordenwind! en kom, zuidenwind!, doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's