De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Dordtse Leerregels

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Dordtse Leerregels

Hoofdstuk V. — Artikel 10.

11 minuten leestijd

Hoofdstuk V. — Artikel 10.

En diensvolgens spruit deze verzekerdheid niet uit enige bijzondere openbaring, zonder of buiten het Woord geschied, maar uit het geloof aan de beloften Gods, die Hij in Zijn Woord zeer overvloedig tot onze troost heeft geopenbaard; uit het getuigenis des H. Geestes, Die met onze geest getuigt, dat wij kinderen en erfgenamen Gods zijn; eindelijk uit de ernstige en heilige oefening van een goede consciëntie en van goede werken.

En zo de uitverkorenen Gods deze vaste troost in deze wereld niet hadden, dat zij de overwinning behouden zullen, mitsgaders dit onbedrieglijk pand der eeuwige heerlijkheid, zo zouden zij de ellendigste van alle mensen zijn.

Hebben wij te beschikken over de Bijbel?

De verzekerdheid spruit uit de beloften Gods, zegt artikel 10. Hoe spruit die verzekerdheid daaruit? Op deze vraag geeft zondag 7 dit antwoord, dat het vast vertrouwen, waarin het geloof bestaat uit het evangelie voortspruit, maar dan door de Heilige Geest gewerkt. Wij beschikken dus niet zelf over de beloften. Deze beloften moeten ons gegeven worden in deze zin, dat telkens weer ons verstand verlicht wordt en in ons hart het wantrouwen weggenomen. Zonder subjectieve openbaring kan de objectieve niet worden gekend of als Woord van God erkend. Er zijn in onze dagen nog wel predikanten die opkomen voor het gezag van het Woord, maar sommigen onder hen miskennen de noodzakelijkheid van de H. Geest op de betreffende punten en dit loopt dan toch weer op een miskenning van het gezag des Woords uit. Het is een gevaar bij deze en gene, dat de verlichting door de H. Geest in plaats van de Bijbelstudie komt en dat men alleen waarde toekent aan sterke indruk makende Bijbelwoorden, doch het is niet minder een gevaar, dat de Bijbelstudie in plaats van de verlichting door de H. Geest komt. Wat krijgt men dan?

Laat een verhaaltje het ons zeggen. Ik vond het ergens. Iemand schreef: Een gelovige krijgt niet allerlei stemmen en beloften buiten de Schrift om, maar hij heeft de beloften Gods in bezit. Er was eens iemand, die zei, dat hij daags te voren een belofte had gekregen. Och, antwoordde de vrouw, tegen wie hij dat zei: wat ben je dan arm, want ik heb een Bijbel vol beloften! Dat was een raak gezegde. We moeten dat meer verstaan, dat het inderdaad zo is voor Gods volk. Zij zijn zo rijk, al leven ze vaak zo arm. Het geloof richt zich immers op de beloften des Heeren en is er werkzaam mee. Het geloof gaat mijnen, dat is mijn roepen, ook voor mij. Het geloof gaat zich de beloften Gods toe-eigenen. Hoe arm is de valse mystiek, om soms jarenlang op een enkel woord te teren. Zij vergeten, dat Gods Woord vol beloften staat, die door het geloof omhelsd moeten worden. En door die beloften Gods, door het geloof te aanvaarden, komt de zekerheid. Want de Heere heeft gezegd: „Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde”.

Zoals de lezer ziet is hier van de H. Geest geen sprake. De (gelovige) mens kan alles zelf. Ik geloof, dat dit noch bijbels noch gereformeerd is. De bekende omschrijving van het geloof uit de pen van Calvijn luidt: „Het geloof is een vaste en zekere kennis van Gods goedwilligheid te ons waart, die op de waarheid van Zijn genadige belofte in Christus gegrond zijnde, door de Heilige Geest ons geopenbaard en in Christus verzegeld wordt", Inst. III, 2, 7. Ik denk niet, dat iemand meent, dat één tekst voor één keer deze openbaring behoeft. Neen, elke tekst heeft deze openbaring nodig en bij herhaling nodig, wil er kracht van uitgaan. Wij kunnen over de beloften Gods evenmin beschikken als over de dreigingen. Zonder subjectieve openbaring kan de objectieve niet worden gekend of als Woord van God erkend. Daarover heb ik een ander verhaaltje van een andere dominee: „Een godzalige weduwe verhaalde mij eens, dat ze op een bepaalde tijd in groot kruis kwam. Zij, bijkans radeloos, sloeg de Bijbel op en las bij de opslag Mattheus 6. Dat had zulk een klem op haar hart, dat ze met vrolijkheid het kruis opnam. Zij sloeg een vouwt je bij dat hoofdstuk en dacht: nu heb ik genoeg om mij te troosten, ik weet nu waar ik mijn sterkte halen zal, als mij namaals wederom kruis zal ontmoeten. Het kruis kwam, zij zocht Matth. 6 op, maar 't was er niet in, wat zij tevoren daarin vond. Waar kwam dat vandaan? De Heilige Geest gebruikte toen dat middel niet, paste haar dat niet toe als te voren”.

Ik houd het daarvoor, dat de eerste dominee een beetje te makkelijk over deze dingen sprak. Zeker, een gelovige krijgt geen beloften buiten de Schrift om, doch dat is niet in geding. Hij krijgt ze echter wel uit de Schrift. Dit betekent niet, dat hij de kracht van de beloften kan voelen, zo dikwijls hij dit wil. Die rijke vrouw met haar Bijbel, waaruit zij naar hartelust kon putten, is niet het voorbeeld van een christen, die van God afhankelijk is bij elke tekst en elk hoofdstuk, dat hij leest. Als we zulke beschouwingen lezen, is het net alsof God zich alleen in het verleden heeft geopenbaard in het Woord. Die Bijbel ligt daar nu. Ieder mens kan er alles uit nemen. De zwakke neemt er kracht uit, de zondaar vergeving, de stervende de hemel. Ik vrees, dat menig kerkganger zo leeft, maar dat het inbeelding is. De ware kennis en het echte vertrouwen is een vrucht hiervan, dat God ons een bepaald woord of een bepaalde waarheid uit de Schrift zo krachtig doet zien en geloven, dat het een openbaring is. Van geslacht tot geslacht komt God Zich aan Zijn uitverkorenen openbaren door de Geest, die inleidt in de waarheid des Woords.

Het zij ten overvloede gezegd, dat dit niets afdoet aan de waarheid van het feit, dat de verzekerdheid voortspruit uit het geloof aan de beloften Gods. We willen alleen onderstrepen, dat dit geloof een subjectieve openbaring nodig heeft en niet een vrucht is van 's mensen inspanning, al komt die inspanning er bij.

Daar is nog iets anders. Sommige schrijvers — en sprekers misschien ook wel — wekken de indruk, dat men pas een echt christen is, wanneer men verzekerd is van zijn geloof en van zijn zaligheid. Ik geloof daar niets van. Waar was de zekerheid van de discipelen in de storm en in de nacht? Toch noemt Jezus hen gelovigen. Waar was de zekerheid van Petrus, in de nacht, waarin Jezus gevangen werd genomen en Simon Petrus Hem verloochende? En toch was en bleef Petrus een gelovige: Lucas 22 : 32.

De enige grond van de zekerheid is de belofte.

Om nu tot de waarheid omtrent de grond van de zaligheid te komen, het volgende. Wij zijn verloren mensen, omdat we kinderen van Adam zijn. Wij zijn verdoemelijk voor God. Maar nu heeft de Heere een boodschap voor ons. Deze boodschap is een belofte van redding door en in de Zoon Gods, die mens is geworden. De rechtvaardige en goede God heeft Zijn Zoon tot een Borg gegeven. Deze Zoon, Jezus Christus, heeft een eeuwige verzoening en verlossing teweeggebracht, doordat Hij de voldoening, gerechtigheid en zekerheid heeft bewerkt, die de wet van de mens eist.

Die Borg biedt elke ware dienaar Gods in 's Heeren naam u aan, die dit leest of hoort lezen. De God van hemel en aarde roept u om deze Borg vrijelijk aan te nemen tot uw rantsoen en gerechtigheid. God belooft allen, die Jezus aannemen het eeuwige leven. Op deze belofte rust het aarzelende en het zekere geloof. Het is de belofte van zaligheid in Christus voor zondaren, gevallen Adamskinderen. Meer behoeven we niet te zijn dan een gevallen Adamskind. De Zoon Gods, die niet liegen kan, nodigt ons op 't vriendelijkst om Hem aan te nemen en ons geheel aan Hem over te geven, met verzekering, dat Hij ons niet zal verstoten, maar zeker bij Hem in de eeuwigheid zal opnemen, indien wij waarlijk komen en Hem ons hart geven.

De Vader heeft de Zoon gegeven, de Zoon biedt zichzelf aan in de prediking der belofte. Dat is de grondslag der zekerheid voor ieder, die gelooft. Dat geloof werkt de Heilige Geest en dan altijd zo, dat Hij de beloofde Jezus doet zien en ons hart beweegt Hem, op grond der belofte aan te nemen. Is daar geen voorwaarde aan verbonden? Neen, daar is geen voorwaarde aan verbonden, doch wel een stuk, dat nodig is, n.l. te weten: hoe groot onze zonde en ellende is. Wie immers zal Christus aannemen tot vergeving der zonden en vernieuwing des levens, als hij geen kennis heeft van zijn diepe verloren toestand.

Daarom is ons nodig dat wij onze ellendige staat, dat wij n.l. van God gescheiden zijn, recht gevoelen en niet minder de boosheid van ons hart, de vorige zonden en de altijd weer opnieuw doorbrekende verdorvenheden. Dat make ons niet hopeloos, noch moedeloos. Christus is niet gekomen om een nieuw verbond der werken op te richten, maar een verbond der genade.

In dit verbond wordt alles om niet gegeven aan verkeerden, zondaren, goddelozen, die hun verkeerdheid, onwaardigheid, goddeloosheid en machteloosheid kennen en gevoelen. Hoe meer (kennis van) zonde, hoe vaster grond om in Christus te geloven. Waarom worden er zo weinig zalig? Calvijn antwoordt in zijn verklaring van Matth. 11 : 28 : omdat er zo weinig zijn, die gevoelen dat zij verloren zijn en gaan. Maar het kennen en gevoelen onzer verlorenheid make ons niet wanhopig. De beloften van het evangelie zeggen, dat alles om niet gegeven wordt, want alleen de genoegdoening van Christus is de grond en alles wordt geschonken tot prijs der heerlijke genade Gods.

De zekerheid vloeit voort uit de beloften. Vloeit ze misschien ook een beetje voort uit de diepte van ons zondegevoel? Is het zo, dat we bij God aangenamer zijn, omdat ons zondebesef heel diep is? Neen, we moeten het niet als iets verdienstelijks beschouwen. Men moet niet opzettelijk lang willen zien op z'n verdorvenheid om zich al maar ellendiger te gevoelen en verslagener. De gevoelige verbrijzeling des harten is geen voorwaarde om tot Christus te mogen komen en zij is niet de grond der vrijmoedigheid om Christus aan te nemen De belofte van het evangelie is de enige grond. Maar de kennis der ellende is nodig om ons uit onszelf te doen uitgaan en zo met een oprecht hart de wereld te verlaten en Christus te zoeken.

De hoofdzaak is niet kleine of grote droefheid, maar zoveel pijn als nodig is om ons uit al onze eigendunk en eigengerechtigheid uit te drijven om bij de Heiland alles te zoeken. Wij moeten niet als bekeerden tot Jezus komen, doch als onbekeerden, die zo graag de bekering zouden willen ontvangen. (Hl. 5 : 31).

De zekerheid vloeit voort uit de belofte, maar het aannemen van Christus door het geloof tot onze losprijs en gerechtigheid, gaat vaak met horten en stoten. Soms lijkt het mogelijk, dat Jezus ook voor mij is gekomen. Doch op een andere tijd ligt er zo'n zware indruk van de rechtvaardigheid Gods op de ziel, dat het onmogelijk lijkt om te geloven. In het hart is een weten, dat Jezus de Borg van zondaren is en de enige weg om tot verzoening en zaligheid te komen. Het is hem hierom te doen. Maar de gedachte laat zich niet altijd wegsturen, dat men toch wel een te groot zondaar is om genade te krijgen. Doch waar dan heen? En zo roept hij toch: Heere Jezus, wees Gij mijn Borg. Somtijds lijkt het makkelijker. Ik zie de aanbieding en de nodiging en daaruit neem ik vrijmoedigheid. Zo mag elk christen of aankomend christen wel „op en neer" genoemd worden. Maar als de Geest Gods in ons werkt, komt er meer vertrouwen, meer zekerheid en dat op grond van Gods Woord in 't algemeen en in 't bijzonder op grond van de roeping, de aanbieding en de nodiging tot de Heere Jezus. Van deze belofte moet de Heilige Geest eerst een vaste kennis leggen. De belofte is niet het volle zaligmakend geloof en ook het kennen van de belofte niet, maar toch moet het vaststaan : Christus nodigt alle zondaren. Eerst zegt de verlichte: Christus is de Heiland. Komende tot het zaligmakend geloof en deszelfs zekerheid, zegt hij: Christus is mijn Heiland.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Dordtse Leerregels

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's