De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GODSDIENST OF ONTWIKKELINGSHULP ?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GODSDIENST OF ONTWIKKELINGSHULP ?

DE WET

10 minuten leestijd

De samenvatting van de Wet.

Toen aan de Here Jezus werd gevraagd naar de wezenlijke inhoud van de wet, gaf Hij ten antwoord: Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dit is het grote en eerste gebod. Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten O-Het grote en eerste gebod betreft de liefde die de mens aan God verschuldigd is. Het tweede gebod eist van ons liefde tot de medemens. De verhouding van de twee „geboden" van de Wet moet ons thans bezig houden.

De twee geboden zijn gelijk.

Het tweede „gebod", dat de eis van naastenliefde stelt, is gelijk aan het eerste, dat de liefde tot God eist. Dit kan ons op het eerste gezicht bevreemden. Is liefde tot God niet meer en hoger dan liefde tot de medemens? Zeer zeker. De gelijkstelling wil echter uitdrukken, dat het tweede gebod niet kan worden gehoorzaamd zonder het eerste. Ze behoren bijeen en zijn van dezelfde Wetgever afkomstig terwijl overtreding van elk van beide door God wordt gestraft. De beide onderdelen van de Wet mogen niet van elkaar worden losgemaakt. Maar hoe is hun onderlinge samenhang?

De twee geboden verschillen.

De twee delen van de wet verschillen in volgorde. Deze kan niet omgekeerd worden. De liefde tot God gaat voorop: het eerste gebod. Dit is van fundamentele betekenis in het onderwijs van Christus over de Wet. Dit is niet alleen een kwestie van volgorde. De eis van liefde tot God vormt het grote gebod. De Bijbel spreekt over God niet veel in de overtreffende trap: de grootste, hoogste, machtigste, enz. Meestal wordt eenvoudig gezegd: Hij is groot, verheven, almachtig. Ook het gebod van de liefde tot God heet kortweg groot. Daarmee staat het in belangrijkheid niet slechts vooraan, maar voor alles.

De liefde tot God.

De mens staat in een zeer bijzondere verhouding tot God, nl. in die van het geschapene tot de Schepper. Deze relatie behoort de mens te beleven in lofzegging en dankbaarheid. Daar de Schepper ook Wetgever is, vordert deze verhouding van de mens ook het volbrengen van Gods wil m.a.w. gehoorzaamheid aan God. De mens staat in deze verhouding tot God ook afgedacht van de vraag of hij contact heeft met zijn naasten. Iemand op een overigens onbewoond eiland zou weinig te maken hebben met verplichtingen jegens zijn medemensen, maar hij zou intussen verplicht blijven tot het beoefenen van liefde tot God.

De liefde tot de naaste.

In het tweede deel van de wet is er sprake van de verhouding van de mens tot zijn naaste. Ook de naaste moet als medeschepsel in liefde bejegend worden. Hiermede is reeds uitgedrukt dat de eis van liefde tot de naaste is gegrond in de wil van God, de Schepper. Naastenliefde is niet maar een natuurwet, doch een goddelijk gebod. Hier raken we aan een fundamenteel verschil tussen christendom en heidendom. Het heidendom kent geen naastenliefde om Gods wil. Voor de christen is zij de eis van Hem die zondaren bemint. Wie de naaste niet liefheeft, handelt niet slechts onnatuurlijk, maar overtreedt de wet van God. Men zou kunnen opmerken, dat ook de natuurwet door God is ingesteld. Dat is zo, maar de christenen worden niet opgeroepen tot het volgen van een natuurlijk instinct, maar tot rechtstreekse gehoorzaamheid aan de Schepper, die ook de Verlosser is, zoals in het opschrift van de Tien Geboden met even zoveel woorden is uitgesproken.

Een deur met twee scharnieren.

De onderdelen van de Wet kunnen niet van elkaar worden losgemaakt, merkten we op. Het is met ons godsdienstig leven als met een deur, die met twee scharnieren is bevestigd. Als ze slechts één scharnier heeft, hangt ze scheef. We kunnen voorwenden God lief te hebben en in de kerk zingen van zijn barmhartigheid, die Hij ons heeft bewezen. Wanneer we dan naar buiten gaan en de medemens slecht behandelen, is de onderste scharnier, nl. die van de naastenliefde, zoek en alles hangt scheef in ons leven.

Wanneer wij veel voor onze medemensen doen, talrijke sociale werken verrichten en de arbeid der liefdadigheid steunen, maar onze Schepper niet liefhebben, dan hangt alles evenzeer scheef! De bovenste scharnier, nl. die van de liefde tot God, ontbreekt. Slechts als beide scharnieren functioneren, is de deur zo in orde, dat ze goed open en dicht gaat. Alleen als de liefde tot God en de liefde tot de naasten zich op de juiste manier verhouden, is ons geestelijk leven gezond. Het is moeilijk het gewicht van beide eisen precies in evenwicht te houden. Meer nog, dit is voor een zondig mens onmogelijk. Onze Here Jezus Christus is de enige, die de harmonie tussen de plichten jegens God en jegens de naaste volkomen heeft bewaard. Hij diende zijn Vader in volmaakte liefde en verloste tegelijkertijd zondaren van het verderf.

De hedendaagse praktijk.

Nog nimmer in de geschiedenis werd de naastenliefde zo sterk aangeprezen en beoefend als in de twintigste eeuw. De christelijke en humanistische barmhartigheid heeft een bijzonder hoge vlucht genomen. Door de verbeterde communicatiemiddelen (pers, radio, televisie) wordt de nood van veraf wonende aardbewoners ons zeer nabij gebracht. Aan ontwikkelingshulp en zorg voor misdeelden wordt meer aandacht besteed dan ooit tevoren. Hoe prijzenswaardig dit alles ook zij, het is geen reden om voldaan te zijn.

In de eerste plaats wordt er nog veel te weinig verricht voor minder ontwikkelde landen. Een vergelijking met onze groeiende welvaart en hun toenemende armoede bewijst dit.

In de tweede plaats berust de hulp aan ontwikkelingslanden grotendeels op egoïstische motieven. De westerse wereld moet wel op korte termijn bijstand verlenen, als ze de communistische landen vóór wil blijven. Doch hoe dan ook — er wordt hulp aan de medemens geboden in een voorheen ongekende vorm.

Overschatting van de naastenliefde.

Ook in de kerk wordt er thans dikwijls en nadrukkelijk over naastenliefde gesproken. Het woord „medemenselijkheid" (eigenlijk een wangedrocht in onze taal) doet opgeld. In oproepen, overdenkingen, meditaties en preken van allerlei kerken kan men dat geluid vernemen. Vanzelfsprekend is dit op zichzelf waardevol. Zoals we reeds opmerkten, is onze naastenliefde immers onvoldoende, en van niet al te beste kwaliteit. Toch mag de nadruk niet eenzijdig op de eisen van de „medemenselijkheid" vallen. De oproep tot liefde jegens de naaste heeft zo'n grote plaats ingenomen, dat er voor de liefde die we aan God verschuldigd zijn, nauwelijks ruimte overblijft. De indruk wordt soms gewekt, dat de Hefde tot God reeds wordt beoefend, als we onze naasten maar liefhebben en dienen. Men krijgt bijwijlen het gevoel dat we tot de liefde jegens God minder verplicht zijn dan tot de liefde jegens de mensen.

Waarom worden de eisen der „medemenselijkheid" zo opgeschroefd? Hiervoor zijn twee wortels aan te wijzen.

Achtergronden.

Ten eerste is het altijd en ook nu de begeerte van de zondige mens om van zichzelf uit een weg naar God te banen. In vorige tijden zocht men die weg in het vervullen van kerkelijke plichten e.d., thans beschouwt men het beoefenen van liefdadigheidswerk als zodanig. Maar er is geen weg van de mens uit tot God. Het evangelisch getuigenis moet in de hedendaagse maatschappij en de kerk luiden: wij kunnen met naastenliefde (die een goddelijk gebod is) evenmin de weg tot God banen, als wij zonder naastenliefde gemeenschap met Hem kunnen oefenen.

Ten tweede staat de overwaardering van de „medemenselijkheid" in verband met de huidige z.g. „nieuwe moraal". De vertegenwoordigers daarvan willen het woord God niet of nauwelijks meer gebruiken, omdat het voor de „moderne mens" geen betekenis meer heeft. Activiteit op het terrein van de ontwikkelingshulp e.d. kan de vlucht camoufleren van een niet meer functionerend geloof in God tot dienstbetoon aan de mens. De „medemenselijkheid" wordt dan een middel om zich geheel van God te ontdoen.

Geen eenzijdige reactie.

Nu de ethiek (= leer van de omgang van de mensen onderling) zoveel nadruk krijgt, moeten wij ervoor waken niet in het tegenovergestelde euvel te vervallen. De dienst aan de naaste is geen uitvinding van de twintigste eeuw, maar een goddelijk gebod. Wie zijn broeder niet liefheeft, kan niet beweren God lief te hebben 4).

De liefde tot God moet echter de bron zijn, waaruit de liefde tot de naaste voortvloeit. Dat - vroegere geslachten de naastenliefde niet voldoende beoefend hebben, geeft ons geen recht het eerste en grote gebod van zijn plaats te dringen.

Samenvatting.

1) Dat de wet der Tien Geboden liefde tot God èn liefde tot de naaste eist, wordt door de Here Christus geleerd.

2) De liefde tot God gaat voorop in orde en belangrijkheid; de naastenliefde vloeit eruit voort.

3) De liefde tot God is voor de christen onmisbaar evenals de liefde tot de naaste.

4) De hedendaagse accentuering van de naastenliefde ten opzichte van de liefde tot God doet geen recht aan de inhoud van het evangelie.

H. Goedhart.

Opmerkingen worden gaarne ingewacht op het adres: Mathenesserlaan 244c te Rotterdam.

1) Matth. 22 : 37—40.

2) Op het heden ten dage o.a. door Stauffer aangevochten begrip „gehoorzaamheid" komen we later nog uitvoerig terug. Thans lopen we daarop vooruit en gaan zonder meer uit van de eis tot gehoorzaamheid. In de Heilige Schrift wordt dit begrip vaak omschreven als: „horen naar" God en zijn Woord.

3) De benaming „moderne mens" voor de mens die in de tweede helft van de twintigste eeuw leeft, is onjuist. In elke eeuw hebben de mensen zich „modern” geacht.

4) 1 Joh. 4 : 20.

CORRESPONDENTIE.

Allen die mij geschreven hebben over de verschenen artikelen of over nog te behandelen onderwerpen, ben ik daarvoor oprecht dankbaar. Het is fijn, te bemerken dat de lezers meedenken. Ik hoop nog veel meer brieven te ontvangen. U bewijst mij een grote dienst met uw opmerkingen en vragen. Later zullen uw reacties worden verwerkt. Dan zal, naar we hopen, de moeite die u nam om te schrijven, aan velen ten goede komen.

Hier volgen enkele korte antwoorden. Ze dienen als ontvangstbewijs van de brief. De zeer korte aanduiding van de bedoeling van de schrijvers kan wellicht anderen aan het denken zetten.

Mevr. ter B. te N. Uw hartelijke brief stelde het verschil tussen natuurlijke reactie en zondige wellust aan de orde. In Matth. 5 : 28 gaat het over het laatstgenoemde, niet over het eerste. Een belangrijk onderwerp! Bij de behandeling van het zevende gebod hoop ik hieraan aandacht te besteden.

De heer G. te R. Zoals uit de door u genoemde theologen is op te maken, heeft men in de christelijke kerk vaak op zeer verschillende wijze over het vierde gebod gedacht. Ik hoop gelegenheid te hebben, daarop te zijner tijd in te gaan.

De heer K. te R. Hartelijk dank voor de toezending van het boekje. Ik zal het lezen, alvorens het betreffende gebod te behandelen.

De heer G. te S. De plaats van de Wet in de liturgie (dus: het voorlezen van de Wet in de kerkdienst) wil ik later graag bespreken. De Wet zó te „vergeestelijken" dat er geen concreet gebod voor het dagelijkse leven meer overblijft, is inderdaad, zoals u schrijft, een schijnvrome manier om zich aan de eenvoud en ernst van Gods eis te onttrekken.

H. Goedhart

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

GODSDIENST OF ONTWIKKELINGSHULP ?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's