De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

11 minuten leestijd

Wijzigingen in de kerkorde.

Het moderamen van de generale synode heeft aan de kerkeraden en de classicale vergaderingen een aantal voorstellen doen toekomen tot wijziging van de ordinanties 1 t.m. 13 van de kerkorde. Het betreft hier de zgn. periodieke kerkordewijziging. De bedoeling is dat deze voorstellen in de vergaderingen van mei '67 besproken worden in de classicale vergaderingen, en dat de consideraties de synode bereiken voor half juni.

Verschillende van deze wijzigingen zijn van formele aard. Ze hebben betrekking op verduidelijkingen, betere formulering etc. Maar er staan in dit boekje van 25 blz. ook enkele voorstellen die ingrijpender zijn. We mogen prof. dr. G. P. van Itterzon, specialist en vraagbaak op het terrein van kerkrecht en kerkordelijke aangelegenheden, dankbaar zijn dat hij in het Herv. Weekblad „De Geref. Kerk" van 11 mei j.l. uitvoerig op deze voorstellen is ingegaan. Graag willen we dan ook in dit persoverzicht zijn artikel wat aandacht geven. Helaas was het ons niet mogelijk dit eerder te doen, omdat deze veertiendaagse rubriek nu eenmaal aan bepaalde data gebonden is wat betreft verzending copy. Daarom alsnog ter informatie van onze kerkeraden en allen die belang stellen in de ontwikkelingen van het kerkelijk leven een gedeelte van het artikel van de Utrechtse hoogleraar.

Gemeenschap der Kerken.

In de kerkorde is in art. XXV sprake van het verband met andere kerken en Ord. 20 werkt dit oecumenisch aspect uit. Inmiddels is sinds 1951 de ontwikkeling voortgegaan. Vandaar dat nu voorgesteld wordt om in Ord. 1-2-1, waar het arbeidsveld van de kerkeraden omschreven wordt, na de zesde regel in te voegen: „Het bevorderen van de gemeenschap der Kerken ter plaatse". Ook dat behoort tot het arbeidsveld van de kerkeraad. Van Itterzon gaat hier nader op in:

De bewoordingen klinken weinig hervormd. De Ned. Herv. Kerk verklaart nog steeds, dat de éne Hervormde Kerk niet uit plaatselijke kerken, maar uit plaatselijke gemeenten is opgebouwd. Plaatselijke kerken is 'n begrip, dat uit de Doleantie stamt. Wellicht is bedoeld: het ter plaatse bevorderen van de gemeenschap der kerken, of iets dergelijks.

Wat de inhoud betreft: Art. XXV van de kerkorde spreekt over het verband met andere kerken en schenkt dan nog afzonderlijk aandacht aan het zoeken en onderhouden van nauwere betrekkingen met kerken, waarmede de Ned. Herv. Kerk door bijzondere banden van belijdenis of van geschiedenis verbonden is. Ordinantie 20 werkt deze aspecten in verschillende artikelen uit.

In de nieuwe taak, die nu aan de kerkeraden is toegedacht, wordt aan dit onderscheid geen aandacht besteed. Toch zou het kunnen zijn, dat we gemakkelijker gemeenschap zouden kunnen bevorderen met kerken, waarmede onze kerk door bijzondere banden van belijdenis of van geschiedenis verbonden is, dan met kerken, waarmede wij zulke banden allerminst hebben. Met andere-woorden: Mag een kerkeraad ook onderscheid maken en bij haar oecumenische activiteiten meer heentrekken naar kerken, die tot onze geestelijke familie behoren, dan naar kerken, die uit het oogpunt van belijdenis en geschiedenis ons vreemd zijn?

Als iets eenmaal als taak is aangewezen, moeten we weten, waar we aan toe zijn. Anders krijgen we soms een tik op de vingers vanwege het ver­ zuimen van onze wettelijk voorgeschreven taak, zonder dat we dit in gemoede rechtvaardig vinden.

Inderdaad lopen we door deze taakomschrijving gevaar dat de poort opengezet wordt naar allerlei oecumenische contacten, ook met die kerken die allerminst met ons verbonden zijn door banden van belijdenis en geschiedenis. Bij de voorgestelde formulering moest ik onwillekeurig denken aan het in Zeist opgezette plan tot gemeenschap van de Kerken. Ik wil niet zeggen dat dit ook heeft voorgezeten bij hen, die deze kerkordewijziging voorstellen. Maar een feit is dat allerlei oecumenische contacten op plaatselijk vlak — die er nu al in feite zijn — straks met een beroep op de kerkorde voor legitiem verklaard worden.

We vrezen dat daardoor a) de verwarring nog groter wordt; b) het belijdend karakter van de kerk nog meer wordt uitgehold en dat c) het begrip „gemeenschap" aan inhoud en substantie verliest. De gemeenschap tussen de kerken zal immers alleen duurzaam kunnen zijn, wanneer ze gedragen wordt door het gemeenschappelijk geloof in de Christus der Schriften. Daarom is er alles aan gelegen dat, wanneer men op dit punt een bepaling wil opnemen in de kerkorde, er toch bijgezet wordt dat het ook op plaatselijk vlak die kerken geldt met wie de herv. kerk door banden van belijdenis en geschiedenis verbonden is. Dat ligt ook geheel in de lijn van art. X der Kerkorde.

De praeses en scriba van een kerkprovincie.

Zoals u weet kent onze kerk een aantal Provinciale Kerkvergaderingen. Wie op het kerkelijk (en kerkordelijk) erf wat thuis is, weet dat deze P.K.V.'s nogal wat bevoegdheden hebben. Er zijn heel wat zaken die goedkeuring vereisen van een P.K.V. Het zou de moeite waard zijn eens nauwkeurig na te gaan in hoeverre de P.K.V. de sanering van het Herv. kerkelijk leven bevordert. Men zal dan uiteraard wijzen op allerlei werk dat nu provinciaal aangepakt wordt, en inderdaad, er gebeurt veel — met name in de diaconale maatschappelijke sector — waar we dankbaar voor mogen zijn.

Toch is te vrezen dat de betekenis van de classis verkleind wordt door de nadruk op de P.K.V. Bovendien geeft de samenstelling van een P.K.V. en van allerlei provinciale organen soms nauwelijks de stand van zaken weer binnen een kerkprovincie. Het is toch merkwaardig dat in een kerkprovincie met een groot aantal herv. geref. gemeenten, geen enkel herv. geref. ambtsdrager deel uitmaakt van het moderamen.

Als ik denk aan de moeilijkheden in Friesland, aan de kwesties rond minderheidsgroepen, noodgemeenten e.d., ontkomt men soms ook niet aan de indruk dat de P.K.V. pressie uitoefent in een bepaalde richting.

De bisschoppelijke tendensen in de structuur van de kerk worden mede versterkt door de nadruk en de betekenis die allerlei provinciale organen krijgen.

Waarom we dit alles schrijven? Omdat in de voorstellen ook deze ontwikkeling merkbaar is. Prof. van Itterzon zwijgt over het voorstel om voortaan de praeses te kiezen, niet meer uit de primi predikant-leden van de P.K.V., maar uit de predikanten voor gewone werkzaamheden binnen een kerkprovincie, zodat ook een niet-lid van de P.K.V., die daarvoor tijd èn gaven heeft deze functie kan vervullen. Al willen we niet ontkennen dat deze argumentatie enige redenen heeft, toch werkt het de specialisatie in de hand, wanneer men al bij voorbaat de mogelijkheden gaat scheppen dat een praeses niet uit de leden verkozen wordt. Ik dacht dat zij, die leden naar de P.K.V. afvaardigen — de classis — er in hun keuze mee moesten rekenen dat hun afgevaardigde capabel moet zijn een Prov. Kerkvergadering eventueel als voorzitter te dienen. Daarom zouden we toch liever zoals in het thans geldende artikel de praeses verkozen zien uit de primi predikant-leden.

Ingrijpender nog is het voorstel t.a.v. de scriba. Het was tot dusver zo dat men bij de verkiezing van een scriba keus had uit de leden van de P.K.V., maar ook mocht kiezen uit de ambtsdragers der kerkprovincie, of uit de in haar midden wonende eervol ontslagen predikanten, die de bevoegdheden als van een emeritus hebben.

Thans stelt men voor dat de scriba zo nodig gekozen wordt uit de ambtsdragers van de Kerk. In dat geval is overleg met het breed-moderamen der Synode nodig. De toelichting wijst erop dat op deze wijze het mogelijk gemaakt wordt een vrijgestelde kracht te krijgen, die zo nodig het scribaat voor twee kerkprovincies kan verrichten. Van Itterzon heeft hier terecht groot bezwaar tegen.

Het spijt mij, dat ik dit voorstel slechts kan zien, als een stap in de richting van een episcopale, d.i. bisschoppelijk-geregeerde kerk. Wie van de huidige situatie op de hoogte is, weet, dat (de goeden niet te na gesproken) er diverse voorbeelden zijn van provinciale scriba's, die in hun provincie kerkelijke politiek bedrijven van een zeer bepaalde soort. We hebben in ons blad al enkele van deze gevallen gesignaleerd; we gaan er binnenkort mee door. Hoe vreemd het ook moge schijnen, een functie kan een mens op een bepaalde wijze zó grijpen, dat hij dingen doet, die hij zou moeten nalaten. We mogen toch van een provinciale scriba verwachten, dat hij met een wijd perspectief strikt „onpartijdig" zal zijn? Als het dienen heersen dreigt te worden, komen we kerkelijk in het episcopale slop.

Maken we nu iemand scriba in twee provincies, dan is de verzoeking tot heersen wel bijzonder groot. Dan accentueert men bovendien, dat er in de gehele provincie letterlijk niemand is te vinden, die scriba zou kunnen worden. Dat is dan wel een heel povere provincie! Vroeger hadden we provinciale kerkbesturen met mannetjesputters. Nu reizen we andere provincies af om één bekwame figuur te vinden. We zakken dan toch wel af!

Als men het argument hanteren wil, dat men dan voor twee provincies een „vrijgestelde" zou kunnen benoemen en betalen, wordt mijn verzet nog groter. Gaan we in onze kerk, die blijkens het voorstel duidelijk tekenen van verschraling en verarming vertoont, dus toe naar nóg meer vrijgestelden op allerlei gebied? Ik dacht, dat de wens bij de gemeenten leefde, om het aantal vrijgestelden in te krimpen, omdat de bovenbouw topzwaar wordt en het grondvlak hoe langer hoe minder draagkracht heeft.

De toelichting heeft het over „de juiste man op de juiste plaats". Toch wel arm, als we zo moeten zoeken en in verschillende provincies met de handen in het haar zitten.

We kunnen deze kritiek van harte onderschrijven.

Praeses synode.

Ook op dit punt bevatten de voorgestelde wijzigingen een nogal ingrijpende verandering.

Dr. Koolhaas heeft indertijd het praesidiaat der synode zo voortreffelijk bekleed, dat een wetswijziging mogelijk maakte, dat hij, ook toen hij als synodelid moest aftreden, omdat hij door een ouderling of diaken moest worden vervangen, in elk geval nog een jaar kon aanblijven. De zekering werd echter aangebracht, dat hij dan ook een meerderheid van 2/3 der geldige stemmen op zich zou moeten verenigen. Zodoende kon de synode van iemand met rijke ervaring nog een jaar gebruik maken, al mocht hij niet langer dan 4 jaar deze functie hébben bekleed.

Het nieuwe voorstel gaat echter veel verder. Het kan nu gebeuren, dat iemand, die helemaal nooit lid van de synode is geweest, hetzij predikant, hetzij ouderling, tot praeses der synode wordt gekozen. Dus niet iemand met recent een aantal zittingsjaren achter de rug, waarin men hem als praeses heeft bezig gezien. Niet iemand, die zijn sporen in de afgelopen jaren duidelijk heeft verdiend. Maar (het wordt kerkordelijk heus mogelijk) een predikant of ouderling, die nooit een synodevergadering heeft bijgewoond. En dat zonder de geldige stemmen, die dr. Koolhaas nog nodig had. Men zegge niet, dat dit wel nooit zal gebeuren. Als de mogelijkheid aanwezig is en gewettigd, staan de hekken open.

Kerk en school.

Ord. 5-4-1 gaat over de zorg van de kerk voor het onderwijs. De kerk werkt mede aan de kerstening van het onderwijs. Men wil nu dit woord „kerstening" verwijderen en daarvoor lezen: het bekend maken van de naam van Christus in het onderwijs. Deze bewoordingen zouden — aldus de toelichting — duidelijker zijn. Is dat zo?, vraagt prof. Van Itterzon.

De toelichting heeft niet duidelijk gemaakt, welke misverstanden en verwarringen door het woord „kerstening" zijn opgeroepen. Gissen we fout, als we denken, dat de bezwaren zijn gekomen van de zijde van het openbaar onderwijs? Riep het woord „kerstening" de gedachte op aan scholen, die dus „ontkerstend" zouden zijn? En is er dus verschil tussen een „neutrale" en een „ontkerstende" school?

De formulering: „het bekendmaken van de naam van Christus in het onderwijs" wordt uitgelegd als het „proclameren van het gezag en de macht van Christus". Ik verwacht, dat dit wetsvoorstel heel veel meer misverstanden en verwarringen zal oproepen dan de oude formule. Eén verwijzing naar het Woord Gods lijkt meer zinvol. Trouwens: het bekendmaken van de naam van Christus in het onderwijs (zonder dat de proclamatie van het gezag en de macht van Christus in de wet komt) is veel schraler dan de kerstening van dit onderwijs zelf. Proclameren van Christus' macht is toch nog geen kerstening?

We hebben uit het artikel van prof. Van Itterzon slechts enkele punten genoemd. Genoeg om u te laten zien dat deze wijzigingen meer zijn dan van formele aard. Steeds weer komt de vraag boven: aan we geleidelijk in de richting van een episcopale kerk, waarbij weinigen beslissen over velen? Hoe zit het met het belijdend gehalte van de kerk? Dat is uiteraard niet in een formule te vatten. „Maar", zo vraagt Van Itterzon: waarom ontbreekt een voorstel tot wijziging van Ord. 11: de leertucht?" Nog altijd is deze zaak t.a.v. hen die de bevoegdheden als van een emeritus hebben niet afdoende geregeld! Durft men dit niet aan? Laat de kerk toezien dat zij niet door een bisschoppelijk streven en door een geruisloze verwijdering van de belijdenis der kerk de verschraling en de verarming van de gemeente in de hand werkt. Want alle vormingswerk en alle nadruk op de leek ten spijt, de gemeente wordt dan verlaagd tot een onmondige schare, die geleid wordt door een aantal topfunctionarissen. En we verlangen immers allen naar een mondige gemeente! Mondig in de Bijbelse zin van het woord (Ef. 4 : 11-16!).

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 mei 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's