De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

7 minuten leestijd

Kerk en publiciteit.

Op de jaarvergadering van de Confessionele vereniging (24 mei j.l.) is door Prof. Dr. G. P. van Itterzon in zijn openingswoord grote aandacht gegeven aan het gesprek dat afgevaardigden van het Hoofdbestuur van de Geref. Bond en van het Hoofdbestuur van de Confessionele vereniging hadden met het moderamen van de Generale Synode. Tijdens dit gesprek zijn verschillende belangwekkende zaken, aan de orde geweest, o.m. het spreken van de kerk, de traagheid en de aarzeling in dit spreken als het gaat over levenszaken als de verzoening en het ambt, de verhouding tussen kerk en krijgsmacht, de twijfelachtige resultaten van de actie 66/2000 etc. Ruimtegebrek staat ons niet toe de gehele rede van Prof. Van Itterzon hier over te nemen. We volstaan met wat hij gezegd heeft over kerk en publiciteit en citeren uit het Herv. Weekblad „De Geref. Kerk" van 25 mei:

Een tweede punt, dat in de gemeenten veel stof doet opwaaien, is dat van pers, radio en televisie. Men zal dankbaar moeten en mogen erkennen, dat er diverse publicaties zijn verschenen, die alle waardering verdienen. Maar hebben deze altijd het gewenste effect? Wordt de kerk altijd en alleen naar die documenten beoordeeld? Om een voorbeeld te geven: Over de verhouding van onze kerk tot de Rooms-Katholieke zijn bijzonder knappe geschriften verschenen. Het ongeluk wil echter, dat onze relatie tot Rome lang niet alleen aan deze publicaties wordt gemeten. Als de moderne communicatiemiddelen van pers, radio en televisie ons komen meedelen, wat er inzake z.g.n. oecumenische doopsbedieningen en huwelijksinzegeningen in onze kerk wordt geëxperimenteerd, krijgt zowel de kerkelijke als de buitenkerkelijke onvermijdelijk de indruk, dat de Ned. Herv. Kerk ook nog anders kan. We hebben onze stoere, principieel-uitgebalanceerde publicaties, maar daarnaast is het de periode der vrijbuiters en doet iedereen, wat goed is in zijn ogen. Alle brochures en kerkordelijke bepalingen ten spijt. Niet ten onrechte krijgt men de indruk, dat de kerkorde in bepaalde gevallen strikt en streng wordt toegepast, soms zelfs tienmaal strenger dan er in werkelijkheid staat, maar dat diezelfde kerkorde in andere gevallen (en dan denk ik speciaal aan oecumenische stoutigheden!) in grote spontaneïteit met voeten wordt getreden. Zonder enige rem. Alsof we leefden in de dagen van Eli. Wie hier de schoen zou moeten aantrekken? Maakt u dat zelf maar uit.

Ik noemde ook radio en televisie. Welke „image", d.i. welk portret men hier van de kerk moet krijgen, is geen raadsel. Het schijnt tegenwoordig tot de goede toon te behoren, dat wij zeggen, dat wij het niet zo heel goed meer weten. Men plaatst dan graag tegenover een z.g.n. rechtlijnig denken een meer „genuanceerde" opvatting. Het resultaat is bekend. Als een gesprek over God eindigt met de conclusie, dat Hij een groot vraagteken is, als er preken of toespraken worden gehouden, waarin het slagwoord „medemenselijkheid" schering en inslag is, als kruis en opstanding, geloof en bekering, belofte en oordeel, aardse roeping en toekomstverwachting achter de nevelen verdwijnen, behoeft de kerk, zowel algemeen als plaatselijk, zich niet te verwonderen over de achteruitgang, waarover bijna unaniem wordt geklaagd.

In dit verband mag niet worden verzwegen, dat het eindeloos spreken over homosexualiteit ook door de kerkelijke publiciteitsmedia een groot onbehagen kweekt. Het gaf groot vertrouwen, dat dit bezwaar niet alleen door onze afgevaardigden werd gevoeld, maar ook door het synodaal moderamen werd gedeeld. Zonder bepaald preuts te willen schijnen, wilde ik het bij deze simpele opmerking maar laten.

Als we het goed begrepen hebben, is het de bedoeling van de studiecommissie onzer kerk in verband met de abortus provocatus, de kunstmatige, opzettelijk teweeg gebrachte miskraam, allerlei akelige dingen te bestrijden. In dat vertrouwen wachten we de resultaten der commissie met grote aandacht af. We mogen niet verzwijgen, wat we ook ter synode hebben gezegd, dat de bewoordingen, waarin het ANP-bericht was vervat, ons een andere indruk hadden gegeven. Als men daarin spreekt van „de gewijzigde medische mogelijkheden en ethische inzichten", als het gaat over de „ethische verantwoordelijkheid met betrekking tot de abortus provocatus" en men betrekt er dan ook „de arts" en „de gemeenschap" in, en als men tenslotte van de aanvang af al meent te moeten reppen van „wijzigingen", die „op basis hiervan in het Nederlandse recht met betrekking tot dit punt eventueel zouden moeten worden aangebracht", wordt men onwillekeurig een beetje wantrouwend. Zelfs een beetje erg. Want het staat ons niet helder voor de geest, hoe we de verzekering van het synodaal moderamen zouden kunnen rijmen met de nogal bedenkelijk klinkende formuleringen en plannen der commissie. We wachten in spanning af. En, naar ik verwacht, de kerk en de gemeenten ook.

Het is goed dat hier de vinger bij wordt gelegd. De publiciteitsmedia bieden de kerk de kansen met haar Boodschap naar buiten te treden. Jammer is, wanneer dit vaak gebeurt op een wijze die dit getuigenis niet dient, maar veeleer schaadt. Wat een kansen gaan er op deze wijze niet verloren.

Kerk en zondagsheiliging.

Het blad „Waarheid en Eenheid" van 19 mei neemt een gedeelte over van een artikel van Ds. Vellenga, dat deze gepubliceerd heeft in het Kerkblad voor Drenthe en Overijssel van de Geref. Kerken. We nemen dit gedeelte hier over. Het trof ons namelijk hoe de schrijver, sprekende over de zondagsheiliging, de taak van de kerk in deze beklemtoont. Laat de kerk en laten de gemeenteleden tonen wat de zondagse kerkgang voor haar betekent.

De strijd om de handhaving van de openbare zondagsrust heeft iets weg van een achterhoedegevecht. De invloed, die eenmaal van de kerk op de samenleving en ook de overheid uitging, is sedert lang aan het tanen en nu gaandeweg aan het verdwijnen. En waarom zou men de zondag in uitgaan en ontspanning wel voor eigen genoegen mogen benutten en niet tot bevordering van eigen nut en voordeel, als men daar zin in heeft? Er zijn al heel wat continu-bedrijven, die met de zondagsrust, om te zwijgen van de zondagsheiliging, geen rekening houden, ai zullen de werkzamen alle zeven dagen wel aan hun trekken van twee vrije dagen komen. Zo gaat het vandaag in de geïndustrialiseerde landen. Daarbij behoort na de oorlog ook ons land.

Het is moeilijk te zeggen, wat er van de openbare zondagsrust als nawerking van christelijke invloed in de samenleving zal blijven staan. Alleen schijnt het wel zeker, dat, als er iets van zal blijven staan, dit van de kerk zal moeten komen. Zij zal zowel negatief als positief moeten laten blijken dat het haar ernst is met de zondagsviering. Positief door het houden van haar samenkomsten, niet maar door de aankondiging in de kranten, dat ze gehouden zullen worden, maar door haar eigen houden ervan. Door haar houden ervan door ouden èn jongen, ouders en kinderen. Door zo haar belijden van de betekenis van de kerkgang waar te maken voor de ogen van ieder. Door op de zondagmorgen als anderen in auto's en bromfietsen ter „recreatie" suizen, en op de winterdagmorgens als anderen in pyama achter de vitrages hun ochtendthee nuttigen, naar de kerk te gaan, in het besef dat je daar wezen moet, omdat je weet: daar woont God zelf, daar wordt zijn heil verkregen en 't leven tot in eeuwigheid — waar zou je anders moeten zijn. En ook negatief zullen gelovige mensen moeten laten uitkomen, dat de zondag voor hen de gegeven rustdag is, vaak om nee te, zeggen, waar ieder ja zegt en niet mee te doen waar ieder mee doet.

Misschien is dit er nog wel meer dan we weten, al zou je er graag heel wat meer van zien. Maar het armelijk gebedel van „wilt u, zo mogelijk, wel rekening houden met ons gevoelen" en het zwichten als met veel beleefdheid geantwoord wordt, dat dit helaas niet mogelijk is, maakt een vrij schamele indruk. Als er van de zondagsrust iets zal blijven en daarin van een doorwerking van leven met de Here Christus merkbaar zal zijn, dan kan dat alleen maar komen van de gelovigen samen en elk van hen apart. Wat dit betreft is er, net als in vele opzichten, veel werk aan de winkel.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's