De Dordtse Leerregels
De vruchten des geloofs.
Hoofdstuk V. — Artikel 10. En diensvolgens spruit deze verzekerdheid niet uit enige bijzondere openbaring, zonder of buiten het Woord geschied, maar uit het geloof aan de beloften Gods, die Hij in Zijn Woord zeer overvloedig tot onze troost heeft geopenbaard; uit het getuigenis des H. Geestes, Die met onze geest getuigt, dat wij kinderen en erfgenamen Gods zijn; eindelijk uit de ernstige en heilige oefening van een goede consciëntie en van goede werken. En zo de uitverkorenen Gods deze vaste troost in deze wereld niet hadden, dat zij de overwinning behouden zullen, mitsgaders dit onbedrieglijk pand der eeuwige heerlijkheid, zo zouden zij de ellendigste van alle mensen zijn.
De vruchten des geloofs.
Het gaat in artikel 10 om de innerlijke verzekerdheid, dat God mij, die gelooft in Christus, niet zal begeven of verlaten. De beloften Gods spreken daarvan. De wedergeborenen, de gelovigen zullen niet verloren gaan. God heeft hen uitverkoren van voor de grondlegging der wereld om het eeuwige leven te beërven (Ef. 1:4); zij zijn verordineerd tot het eeuwige leven (Hand. 13 : 48) en den beelde Zijns Zoons gelijkvormig te zijn (Rom. 8 : 29).
Deze verkiezing Gods is onveranderlijk (Rom. 9 : 11). De uitverkorenen zijn door de Vader aan de Zoon gegeven en niemand zal ze uit Zijn hand rukken (Joh. 10 : 28). Zo is er nog veel meer. Dit betekent niet, dat ieder mens van de zaligheid verzekerd mag zijn. De beloften der volharding zijn voor de gelovigen. Daarom zegt art. 10 niet dat de verzekerdheid voortspruit uit de beloften, maar wel, dat zij voortspruit uit het geloof aan de beloften Gods. Dit komt overeen met de uitspraak van Calvijn, dat wij onze verkiezing niet kunnen kennen uit de algemene roeping, doch alleen uit de bijzondere roeping, die de Geest der wedergeboorte meebrengt. Inst. II, 24, 8. Hoe komen wij tot dat geloof? Niet door het lezen van de Bijbel alleen of het horen van een predicatie, maar wel doordat de Heilige Geest ons verstand verlicht, zodat wij zien, dat de beloften gegeven zijn voor zulke mensen als wij zijn. Doch daar gaat dan altijd de eerste bekering aan vooraf, waarin we het eerste stuk van de Catechismus leren n.l. hoe groot onze zonde en ellende is. In elk geval, het geloof is vrucht van een openbaring aan ons verstand en een overbuiging van ons hart. Daardoor krijg we te zien en aan te nemen of te vertrouwen, dat de beloften aan ons geschied zijn. De zekerheid van het geloof is dus niet de zekerheid van de wiskunde, die men geregeld weer, bloot met zijn menselijk verstand, kan controleren. Het geloof is daarom — om met Luther te spreken — een onrustig ding. De stelling, dat tweemaal twee vier is, wordt weinig of niet aangevallen maar de zekerheid, dat ik zalig zal worden, dat God mij aanneemt, wel.
Niet alle mensen worden zalig. De Schrift zegt: Het geloof is niet aller" (2 Thess. 3:2). Van wie is dan het geloof? Het geloof is een gave Gods (Ef. 2:8). Als de Geest ons verstand verlicht zien we duidelijk in de Schrift, dat Christus voor zulke goddelozen en zondaren is, als wij geleerd hebben, dat wij zijn. Maar als de Heere zijn aangezicht verbergt is er angst en vrees. De gelovige heeft een God nodig, die gedurig Zijn aangezicht doet lichten. De gelovige leeft niet van theologische logica, maar hiervan, dat God tot hem spreekt en dat gedurig weer, door Zijn Woord, terwijl de Geest het verstand verlicht. Zo wandelt de gelovige met een drie-enig God. Maar als de zon door wolken bedekt is? Dan overdenkt de gelovige zijn weg en wat de Heere gisteren en eergisteren tot Hem gezegd heeft. Als dan de vraag bij hem opkomt of er tekenen zijn van zijn verkiezing, mag hij zien op Christus. Zo lezen we bij Calvijn in Inst. III, 25, 5.
Daarmee bedoelt Calvijn te zeggen, dat de zekerheid onzer verkiezing hierin ligt, dat wij in Christus ingelijfd zijn door een waar geloof. Die zekerheid vinden we niet in onszelf d.i. in onze bekering, godsdienst of wat ook. Die zekerheid vinden we ook niet in God de Vader als we Hem ons voorstellen buiten de Zoon, dus als we aan de teksten denken, waarin de Heere zegt, dat Hij geen lust heeft in onze dood. De zekerheid onzer verkiezing, een teken daarvan, vinden we in de inlijving in Christus. Ik ga hier even iets uitvoeriger op in, omdat van vele zijden wordt gesteld, dat Calvijn leert, dat de zekerheid onzer verkiezing te vinden is in de algemene roeping. Uit het feit, dat ons het evangelie gepredikt wordt, zou men dan mogen afleiden, dat God ons tot het eeuwige leven heeft uitverkoren. Dit-zou betekenen, dat iedere hoorder van het evangelie door God wedergeboren, bekeerd, met het geloof begiftigd, gerechtvaardigd en alles zou worden. De Bijbel leert ons dat niet en de kerkgeschiedenis kent in de Kerk zelf, veel onbekeerde vijanden van het evangelie. Ik kan dat niet rijmen. Calvijn ook niet. Hij zoekt de zekerheid der verkiezing niet in de algemene roeping, doch in de bijzondere. Dit zet hij in III, 24, 8 omstandig uiteen, als hij over tweeërlei slag van roeping schrijft. De bijzondere roeping brengt door de inwendige verlichting van Gods Geest teweeg dat het gepredikte woord in het hart vast beklijft. Op grond van Mt. 22 : 14 spreekt Calvijn dan uit, dat het getal van deze verlichten niet groot is. „Zo zijn er dan weinig uitverkorenen uit Tiet grote getal dergenen die geroepen zijn, doch niet met deze roeping uit derwelken wij zeggen, dat de gelovigen moeten oordelen van hun verkiezing."
Waaraan is deze bijzondere roeping te kennen? Aan de verlichting, het ware geloof en de inlijving in Christus. In III, 24, 5, schrijft Calvijn: Zo is dan Christus de spiegel in dewelke wij onze verkiezing behoren te bemerken, en ook mogen bemerken zonder bedrog. Want aangezien Hij degene is, in Wiens lichaam de Vader voorgenomen heeft in te lijven degene die Hij van der eeuwigheid af gewild heeft dat ze de Zijne zijn zouden, zodat Hij voor Zijn kinderen houdt al degenen, die Hij erkent onder de lidmaten van Christus, zo hebben wij een genoegzaam klaar en zeker getuigenis, dat wij in het boek des levens geschreven zijn, indien wij met Christus gemeenschap hebben". De zekerheid in Chris-. tus zoeken, betekent dus de zekerheid zoeken in het feit, dat wij met Christus gemeenschap hebben en Hem hebben aangenomen. De zekerheid spruit niet voort uit de algemene prediking zonder meer, doch uit het geloof in de gepredikte Christus. Hij, zeg ik, is ons een getuige geweest, dat van de hemelse Vader voor kinderen gehouden zullen worden allen, die Hem door het geloof zullen hebben aangenomen." Voor de zekerheid moeten we dus inderdaad in ons zelf het geloof zoeken en vinden en de Christus door het geloof aangenomen hebben. De zekerheid der verkiezing tot het eeuwige leven springt niet voort uit de beloften, maar uit het geloof in de beloften, want de beloften van het eeuwige leven, de onvoorwaardelijke beloften, zijn aan de gelovigen gedaan. „Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven" (Joh. 3 : 36).
Maar nu wat anders. Als de gelovige rondom zich ziet en achter zich en het verschil opmerkt tussen duisternis van vroeger en 't licht van nu (EfezeS : 8), de toorn Gods van vroeger en de vrede van nu (Rom. 5:1), kan hij dan in zijn leven ook iets vinden, dat hem ondersteunt en bevestigt in de zekerheid des geloofs of kortweg: n het geloof? Jawel, zegt artikel 10, de gelovige wordt gewaar, dat hij een goede consciëntie heeft en goede werken. Dat is hem tot steun.
De oefening om een goede consciëntie te houden en de goede werken geven getuigenis, dat God in ons woont en werkt. Zijn die goede werken een aparte grond der zekerheid? Neen, het zijn steunberen van de muur des geloofs. Het is zoals Calvijn zegt in III, 14, 18. Als de heiligen spreken over de grondvesten van hun zekerheid, slaan zij alleen het oog op Gods goedheid en op geen enkel ander werk. De werken hebben echter een versterkende werking als getuigenissen, dat God in ons werkt. De zaligheid rust op de onverdiende gerechtigheid en de belofte daarvan. Maar dit betekent niet, dat ons geloof geen versterking mag zoeken in b.v. de gaven Gods. Daar is b.v. gebedsverhoring. Zij helpt ons in het geloof. „Men moet in 't gros en in het gemeen dit wéten, dat de dadelijke bevinding en beproeving van Gods genade, zowel in ons als in anderen, een bijzonder hulpmiddel is om de waarheid en getrouwheid van Zijn beloften te bevestigen." Zo helpt de bevinding om vastelijk te geloven en vooral de bevinding, dat de Heere in ons werkt het willen en het werken om naar Zijn geboden te leven. Religie en ethiek behoren nauw verbonden te zijn.
Calvijn wil, dat onze zekerheid rust op de belofte der onverdiende gerechtigheid. „Doch wij verbieden hiermee niet, dat een christen dit geloof en vertrouwen onderhoudt en versterkt door de tekenen van Gods goedgunstigheid tot hem. Want indien al de gaven, die God ons gegeven heeft, zo dikwijls wij daaraan gedenken, ons enigszins zijn gelijk stralen van het Goddelijk aangezicht, waardoor wij verlicht worden om dat opperste licht Zijner goedheid te aanschouwen: veel meer dient ons hiertoe de genade en gave der goede werken, dewijl ze ons aanwijst en betoont, dat de Geest ter aanneming tot kinderen ons geschonken is!"
De opmerking zij mij tussentijds veroorloofd, dat er ook nog andere kenmerken zijn dan het kenmerk van de goede werken. Calvijn wijst daarop in het bovenstaande. Het zou nuttig kunnen zijn, als ik daar de volgende keer enige aandacht aan wijdde. Ditmaal wil ik mij echter bepalen bij de steun van de gave der goede werken. Zondag 32 leert, — dat wij goede werken moeten doen om drie redenen. De middelste daarvan is „dat elk bij zichzelf van zijn geloof uit de vruchten verzekerd zij". Wat zijn nu die goede werken? Mij dunkt toch zeker de gehoorzaamheid aan Gods geboden, de liefde tot de naaste, de eerlijkheid en zuiverheid in handel en wandel. De moeilijkheid is nu, dat de allerheiligste maar een klein beginsel van gehoorzaamheid heeft. Op veel goede werken kan dus de gelovige niet zien. Daarom zal men hier ook wel de wil voor de daad moeten nemen en acht slaan op de begeerte om naar al Gods geboden te leven. Ursinus schrijft: “De verkiezing wordt gekend uit het geloof en het geloof uit de werken." Deze werken kunnen, om zo te zeggen, ook wel negatief zijn als een nalaten van boze werken. Ursinus tekent ook aan: Want die de boze begeerlijkheden toegeven tegen hun geweten in, in dezelve kan geen geloof wezen en daarom ook geen goede consciëntie noch vertrouwen op God, dat Hij verzoend en barmhartig is, want wij hebben het gevoel van een goed geweten en van de gunst Gods jegens ons, alleen door het geloof. Als gij naar het vlees leeft, zult ge sterven" (Rom. 8 : 13). Nog eens het kleine beginsel der gehoorzaamheid. David Knibbe vraagt: Maar als men uit de werken verzekerd is van zijn geloof, waarom twijfelen dan Gods kinderen nog zo. menigmaal aan hun geloof en zaligheid? " Antw.: Dit komt vanwege de onvolmaaktheid van onze beste werken, die immers met zonde besmet zijn." Jes. 64 : 6: Al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed." Dit komt ten tweede, omdat wij somtijds in grote zonden vallen. Ps. 51 : 10: Doe mij vreugde en blijdschap horen; dat de beenderen zich verheugen, die gij verbrijzeld hebt." Ten derde komt dat uit de zware beproevingen des duivels. Lucas 22 : 31: De Heere zeide: imon, Simon, ziet de satan heeft ulieden zeer begeerd, om te ziften als de tarwe." Daarom is het wel goed het woord van dr. A. Kuyper te overwegen: Nu toch zal men bij deze goede werken niet in de eerste plaats denken aan zo-en zoveel daden van zelfopoffering en aan zo-en zoveel grootse stukken, waar men op roemen kan, maar zal het zoekend oog zich eerst richten op die innerlijke verbrijzeling der ziel, op de verootmoediging voor 's Heeren majesteit, op het dorsten en hongeren naar de gerechtigheid, en op al die innerlijke daden, die juist, omdat ze buiten de kennis der mensen omgaan, altoos veel zekerder waarborg van oprechtheid in zich dragen, dan wat men doet voor der mensen oog."
Inderdaad, de verborgen werken zijn de zuiverste, maar natuurlijk is het aan vruchten eigen om ook door anderen gezien te worden. Dat is de bedoeling van bepaalde woorden uit de H. Schrift over de boom, die men aan zijn vruchten kent.
Aan de andere kant is het goed er op te letten, dat de vruchten uit het tweede lid van antwoord 86 in betrekking worden gezet tot de zekerheid des geloofs. Daarom mag men hier wel meer aan de werken des harten denken.
De bedoeling is wel goed weergegeven in het Kort Begrip: „dat ik ook uit de goede werken, als uit de vruchten, van de echtheid van mijn geloof verzekerd zij." Nu wordt er tegen deze gevolgtrekking uit de werk van hart en handen vaak ingebracht, dat men zichzelf van alle vastheid berooft. Maar dat is toch wel een misvatting. Die angst op zichzelf te zien is niet gezond. Als het nu zo was, dat we verwezen werden naar onze prestaties. Maar dat is de zaak niet. Het gaat om de werken Gods in ons. Mag daar geen acht op geslagen worden? Daar komt nog bij, dat niet de beloften op zichzelf grond van ons geloof zijn, maar de Christus der beloften, voor zover Hij gelovig is aangenomen. Niet of wij de beloften hebben horen prediken maakt het onderscheid uit, maar of wij de prediking hebben geloofd en Christus hebben aangenomen. De kenmerken zijn dan ook nooit de grond van ons geloof. De grond ligt in het gepredikte Woord, dat wij gezien en gehoord hebben, toen de Heilige Geest onze blinde ogen en dove oren opende. Want zonder deze wonderbaarlijke werking des Geestes doet de prediking en doen de beloften ons geen nut.
Ook de kenmerken van hongeren en dorsten naar Christus brengen de mens niet tot een valse rust, als de dingen goed liggen. De meeste valse rust ontstaat daar, waar men niet door de H. Geest aan zichzelf ontdekt is en nu maar een eigen gemaakt geloof over zijn onverbrijzeld hart heentrekt: alles verstandswerk, vol hoogmoed en eigen dunk, vijanden van het volk Gods en van het ware werk van de H. Geest. Dat zijn de ergsten. De besten staan er vol onbegrip tegenover. Het is met de kenmerken wel gevaarlijk als iemand er iets mee wil doen, die eveneens de verbrijzelde kennis zijner zonde mist. Maar anders doet ook de steun, die de werken bieden, zoeken naar de vaste grond.
We eindigen dit keer met een woord van Comrie: „Ik geloof wel, dat begeren, hongeren en dorsten naar Jezus de allereerste beginselen des geloofs zijn, maar waar deze in waarheid gevonden worden, daar stelt de mens ze niet tot een grond om daarop te rusten, maar hij wordt er hoe langer hoe armer door, en moet tot Jezus Zelve kunnen komen, en Hem omhelzen voor tijd en eeuwigheid."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's