De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE VERZOENING IN HET OUDE TESTAMENT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE VERZOENING IN HET OUDE TESTAMENT

I. God verzoent.

6 minuten leestijd

I. God verzoent.

In enkele artikelen wil ik ingaan op de verzoening in het Oude Testament. Het zal u duidelijk zijn, dat daarin lang niet alle gegevens over de verzoening in het O.T. ter sprake kunnen komen. Het is ook volstrekt niet mijn bedoeling naar enige volledigheid te streven. Ik wil slechts enkele gedachten over de verzoening weergeven, een paar lijnen laten zien van de theologie der verzoening. De volksreligie, die dikwijls totaal in strijd was met de theologie, zal daarbij een enkele keer, alleen maar zijdelings, ter sprake worden gebracht.

In dit eerste artikel willen we zien, dat het Oude Testament ons leert, dat de verzoening van God uitgaat.

Uit de gegevens, die het Oude Testament daarover biedt, doen we een keus. We zullen ons in hoofdzaak beperken tot de offerwetgeving, die u vindt in Leviticus 1-8, 16 en 17. Deze keus kan worden gemotiveerd. Deze offerwetgeving is uit het oogpunt van de godsopenbaring buitengewoon belangrijk. We hebben de neiging om vooral aandacht te schenken aan het profetisch getuigenis, omdat we de profeet als typische vertegenwoordiger van Israëls religie zien, terwijl we de offerwetgeving licht overslaan. Ten onrechte. De profeet is uitzondering, de priester is regel. En we kunnen gerust zeggen, dat het offer voor de gewone Israëliet praktisch de religie was. „Cult is the heart of Israelite religion", aldus Wensinck. De offerdienst had in Israëls godsdienst een centrale plaats. Natuurlijk in de ene tijd meer dan in de andere. Vooral na de ballingschap gold dit, getuige de grote priesterlijke werkzaamheid in die tijd. Dat wil niet zeggen dat de godsdienst opging in de offerdienst. Israëls godsdienst had ook andere vormen dan de cultische. Maar het offer had een zeer grote plaats.

Israël had de offerdienst gemeen met de heidense volken om haar. Toch verschilt ze daar radicaal van. Om dat te zien willen we haar vergelijken met die in andere Semitische godsdiensten, met name in de Babylonisch-Assyrische. Ik ontleen enkele gegevens aan Vriezen, Hoofdlijnen, 2e druk, pag. 290 en 291. Hij zegt daar, dat de mens daarin geschapen heet in dienst van de goden, om deze in staat te stellen het goddelijk leven zorgeloos te leiden. In Bab.-Ass. is de staat helemaal op de cultus ingesteld. Ze is dienst voor en aan de goden, opdat deze wereld waarvan men deel uitmaakt, deze staat, die met deze goden verbonden is, bestaan blijft. Ze is het alles-beheersende middel tot behoud van God, mens en wereld.

Naast deze staatscultus bestaat de persoonlijke cultus van ieder lid van de staat voor een bepaalde god, die hij als persoonlijke god heeft uitverkoren. De cultus van deze god heeft ten doel zijn gezindheid te veranderen, d.w.z. zijn gunst te verwerven. Wanneer hij toornt — en die toorn blijkt vooral in dagen van ziekte en nood —, moet hij gunstig worden gestemd, of, zoals het in het Babylonisch heet, moeten „de plooien van zijn gelaat gestreken worden". Dat moet de mens doen. De verzoening is hier prestatie van de mens.

Deze beide voorstellingen:1. de offerdienst onderhoudt god (of houdt de wereld in stand); 2. men krijgt daardoor iets van de godheid gedaan, - hebben ook in Israëls religieuze leven in bepaalde tijden een rol gespeeld. Men leze slechts Psalm 50, waarin de dichter zich keert tegen de eerste gedachte. De tweede kunt u vinden in I Sam. 26 : 19, waar we David tot Saul horen zeggen: Indien de HERE u tegen mij aanport, laat Hem het spijsoffer rieken." Beide voorstellingen hebben echter in Israëls godsdienst geen legitieme plaats gehad.

Integendeel! De offerdienst staat in Israël nergens in verband met de schepping, zoals in Babel, maar in verband met het verbond, de gemeenschap tussen God en volk. Ze is gegeven en geregeld bij de verbondssluiting van de HERE met Israël (zie Exodus 24 w.) De HERE vraagt van Israël geen offer, dat Hem iets toebrengt, maar geeft het een dienst, dat het gelegenheid geeft de gemeenschap met Hem door verzoening te onderhouden, Vriezen, a.v. pag. 292. De gedachte van de verzoening speelt door de hele offerdienst heen, maar vooral in de zoen- of zondofferdienst komt ze duidelijk tot uitdrukking. De HERE komt dus als verzoenend God tot de mens in de cultus, en de mens komt daarin met zijn schuldbelijdenis tot Hem.

Het is immers de HERE, die met Israël in een verbond is getreden, de Heilige, die zich vertoornt over de zonde; die vreselijk is in zijn heiligheid, als de verterende zijde daarvan naar voren treedt. Deze God woont onder zijn volk. Dat wil zeggen, dat volk en enkeling, die telkens door de zonde worden beheerst, voortdurend gevaar lopen de gemeenschap te verbreken. Vandaar dat de Israëliet telkens bij het altaar moet verschijnen, en dat op de grote verzoendag (zie Leviticus 16) over het hele volk verzoening moet worden gedaan.

De HERE komt dus in het verbond verzoenend tot de zondige mens. Dat is de prediking van Israëls offerwetgeving. De priester is in de offerdienst Gods functionaris. Het zoenmiddel, dat God verkiest, is het bloed. Door dat bloed wordt de zonde verzoend, of over de zondaar verzoening gedaan. (Het woord, dat gebruikt wordt voor „verzoenen", betekent letterlijk: bedekken of uitwissen).

Deze gedachte, dat het God is, die verzoent — en dat het daarom gaat in de offerdienst — vindt u kort samengevat in de uiterst belangrijke tekst Leviticus 17 : 11, die letterlijk vertaald luidt: Ik, Ik (of Ikzelf) heb het (bloed) voor u (dat is: en uwen behoeve) op het altaar gegeven, om verzoening te doen over uw zielen". Dit is de kerntekst uit de offerwetgeving. De sleutel tot de theologie van de verzoening, die daarin is uitgedrukt.

Hier komt het hemelsbreed verschil tussen het zoenoffer in het heidendom en dat in Israël duidelijk aan het licht. In het eerste poogt de mens God gunstig te stemmen. De verzoening gaat van hem uit. De verzoening stijgt van de mens omhoog. In het laatste is het precies omgekeerd. De verzoening daalt van God neer. De Heilige God openbaart zijn genade in het zoenoffer. God is het, die verzoent. Deze gedachte wil de offerwetgeving iri de cultus indragen. Bij deze godsopenbaring in Leviticus sluit zich aan het profetisch getuigenis, bijv. in Jesaja 53 : 10, waar gezegd wordt van de lijdende Knecht des HEREN, dat het de HERE behaagde hem te verbrijzelen. Ook daar staat het, met andere woorden, dat God is: subject van de verzoening!

Ede.   R.C. Cuperus

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE VERZOENING IN HET OUDE TESTAMENT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 juni 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's