DE BETEKENIS VAN HET HEILIG AVONDMAAL
IV.
Wij hebben wat uitvoerig stilgestaan bij de uitspraken van onze belijdenis omtrent de gemeenschap van de gemeente Gods met het lichaam en bloed des Heren.
Die gemeenschap wordt niet teweeggebracht door het eten met de lichamelijke mond van een stukje lichaam des Heren. Dat brengt geen „gemeenschap" tot stand, geen geloofsgemeenschap. En zelfs, wanneer wij bij het lichaam en bloed des Heren met Calvijn denken aan de gemeenschap met dat lichaam, waarin de Here Jezus op aarde gekruisigd is en waarin Hij verzoening heeft aangebracht, gaat het niet om de gemeenschap met dat lichaam, losgemaakt van de Persoon des Heren, Zijn godheid. Zijn werk en Zijn verdiensten, maar om de gemeenschap met Hem Zelf.
Het gaat niet om een „het" (het lichaam), maar om een „Gij"; niet om „iets", maar om de geloofsgemeenschap met „Iemand", om de ontmoeting met Hem, Die eenmaal in Zijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed alle gerechtigheid en gehoorzaamheid der goddelijke Wet volbracht heeft en Die als de Verheerlijkte ter rechterhand Zijns Vaders nu daaraan deel geeft.
Dit punt krijgt bij ons menigmaal te weinig accent.
Bij onze Voorbereidingen, Avondmaalsvieringen en Dankzeggingen zijn het menigmaal andere dingen, die de grootste aandacht krijgen.
Vooreerst is daar datgene, wat er in de mens, die toetreedt, omgaat, z'n verootmoediging, zijn bezig zijn met de belofte des Evangelies omtrent de vergeving van al zijn zonden, en het voornemen om in een nieuw godzalig leven te wandelen. Dat zijn inderdaad belangrijke dingen. Wij hopen daarop later ook terug te komen.
Verder kunnen wij bij het Avondmaal letten op de dingen, die de gemeente Gods geroepen wordt te doen, dus op datgene, wat de gemeente des Nieuwen Verbonds doet; wat de mens, al is het dan de gelovige mens, doet. Inderdaad wordt hij ook geroepen bepaalde dingen te doen. Dat is Schriftuurlijk en allernauwst verbonden aan de viering van het H. Avondmaal.
De gemeente wordt geroepen te gedenken. De Here Jezus Christus Zelf heeft bij de instelling van dit Sacrament opgedragen: doet dat tot Mijne gedachtenis.
Daarbij is het Avondmaalsformulier (we wezen er reeds op) ons op uitnemende wijze van dienst. Wat daar gezegd wordt omtrent het plaatsbekledend lijden en sterven des Heren, behoort tot het allerschoonste van hetgeen de Kerk ooit van het werk der verzoening heeft gezien en gezegd. Daar is door God Zelf het bijzondere moment gegeven voor de stille overdenking, waarin de Avondmaalsganger zich mag vertroosten „in Jesu' lijden groot".
Maar het is niet alleen het persoonlijk èn met elkander gedenken van 's Heren verzoenend lijden en sterven, wat van de gemeente gevraagd wordt.
Het is ook een openlijke daad naar buiten. Het is een verkondigen van de dood des Heren; een uitspreken door de zwijgend-sprekende daad van de deelname aan het Avondmaal des Heren, dat alle heil en zaligheid, genade en vrede, vergeving en verlossing, alleen verwacht kan worden voor onszelf en voor ieder zondaar, van datgene, wat eenmaal geschied is op de kruisheuvel Golgotha.
De gemeente, die bij het kruisevangelie leeft en daaruit leeft, wordt geroepen om dat te verkondigen.
Het is geen daad waardoor de zondaar zichzelf verheft. Maar het gaat er alleen over om Hem te verheffen en te verheerlijken.
Maar nu mogen wij één ding niet vergeten.
We zouden zo druk bezig kunnen zijn met datgene, wat de mens in zich bespeurt aan zondekennis en geloofsuitzicht en op dat, wat de gemeente met dat Avondmaal doet, dat wij uit het oog dreigen te verliezen, wat God de Here aan die maaltijd en door dat brood en die wijn doet. Het Avondmaal is niet door ons ingezet, maar door God Zelf.
Het woord uit de brief aan de gemeente te Laodicea: k zal met hem Avondmaal houden en hij met Mij (Openb. 3 : 20), heeft wel niet op het Sacrament betrekking, maar kan ons toch ook bij het Sacrament de weg wijzen en onze gedachten richten op hetgeen God doet. Wij zijn ons al te weinig bewust van de tegenwoordigheid en de werkzaamheid des Heren in de gemeente. Dat geldt van heel het leven der Kerk, waarvoor toch de belofte geldt: aar twee of drie tezamenvergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen. Maar dat raakt in het bijzonder de Tafel des Heren, waar Hij Zijn huisgezin samenroept. In de loop der eeuwen is men die tegenwoordigheid en werkzaamheid van de Here Zelf kwijt geraakt en men heeft een priester tot de handelende persoon gemaakt en het lichaam des Heren tot een passief element. Of men heeft van de werkzaamheden van de gelovige de hoofdzaak gemaakt, vergetende, dat het subject (het onderwerp) geen steunpunt voor zijn tastende voet kan vinden, als er geen object, geen voorwerpelijke grond is, waarop hij rusten kan. Dat voorwerp is de Here God Zelf, zoals Hij in Christus door Woord en Sacrament tot ons komt.
Het zal goed zijn, dat wij altijd weer ons uitgangspunt nemen in hetgeen de Nederlandse Geloofsbelijdenis in Art. 33 zegt van dat, wat God doet. Daar staat: wij geloven, dat onze goede God, acht hebbende op onze grovigheid en zwakheid, ons heeft verordend de Sacramenten, om aan ons Zijn beloften te verzegelen, en om panden te zijn der goedwilligheid en genade Gods te onswaarts, en ook om ons geloof te voeden en te onderhouden; dewelke Hij gevoegd heeft bij het Woord des Evangelies, om des te beter aan onze uiterlijke zinnen voor te stellen, zowel hetgeen Hij ons te verstaan geeft door Zijn Woord, als hetgeen Hij inwendig doet in onze harten, bondig en vast makende in ons de zaligheid, die Hij ons mededeelt. Want het zijn zichtbare waartekenen en zegelen van een inwendige en aanzienlijke zaak, door middel waarvan God in ons werkt door de kracht des Heiligen Geestes. Zo zijn dan de tekenen niet ijdel noch ledig, om ons te bedriegen; want Jezus Christus is hunne waarheid, zonder Wien zij niet met al zouden zijn".
Het is dus God de Here, Die het Avondmaal heeft verordend. Hij verzegelt daardoor Zijn beloften. Hij geeft de tekenen om onderpanden te zijn van Zijn goedwilligheid jegens ons. Hij heeft ze bestemd en gebruikt ze om daardoor Zelf ons geloof te voeden en te onderhouden, enz.
Het is in alles God de Here, Die de handelende Persoon is.
Wie behoort tot degenen, voor wie dit Avondmaal is ingesteld en het veronachtzaamt, weert de instrumenten af, slaat ze om zo te zeggen, God uit handen, terwijl Hij er gebruik van wil maken om hem te helpen.
Zoals bij de H. Doop het niet de ouders zijn in de eerste plaats, die laten dopen, en ook niet de Kerk, maar God, Die Zijn verbond bevestigt, zo is het ook in het Avondmaal niet de gemeente alleen, die bezig is, maar het is God, die werkzaam is in Zijn gemeente, om Zijn beloften aan ons, grove en zwakke zondaren, voor ogen te stellen en te bezegelen, ze bondig en vast makende.
Dat betekent niet, dat de tekenen, die God heeft ingesteld, op een of andere manier vergoddelijkt worden en automatisch gaan werken. Neen, brood en wijn blijven gewoon wat zij waren, zoals ook met het water in de Doop het geval is. Het is alleen de Heilige Geest, Die van de tekenen gebruik maakt. Maar juist het feit, dat de Heilige Geest ze hanteert, waarborgt dat brood en wijn ons „geen ijdel schouwspel voor ogen stellen". (Calvijn).
Niet alleen brood en wijn zijn door Hem gegeven, maar de gehele handeling gaat van Hem uit.
Dat geeft de eigenlijke betekenis aan de hele handeling van de Doop. En dat geeft evenzo de eigenlijke betekenis aan de handeling van het H. Avondmaal.
We herinneren hierbij aan Art. 35 van de N.G.B., waarin staat: „nu zó is het zeker en ongetwijfeld, dat ons Jezus Christus Zijn Sacrament niet tevergeefs heeft bevolen. Zo werkt Hij dan in ons al wat Hij door deze heilige tekenen ons voor ogen stelt".
Het is goed ons hierop te bezinnen, 't Is zo menigmaal zó, dat wij een gevoelige zegen verwachten op een wijze, die niet direct met de betekenis van het Avondmaal samenhangt. Die zegen kan buiten het Avondmaal vrijwel op gelijke wijze ontvangen worden als aan en door deze maaltijd. Wordt ze ontvangen tijdens de Avondmaalsviering (b.v. door 'n treffende toespraak aan de Tafel, of door een gezongen psalmvers), dan is het een vaak wat onberekenbare toegift, die enigszins los staat van de eigenlijke hoofdzaak van deze tekenen en zegelen.
Het geloof, hoe klein het zij of groot, mag aan die Dis die God ontmoeten, Die daardoor Zelf Zijn heil voor ogen stelt. Zelf het kruis predikt als het enige zoenoffer. Zijn beloften bevestigt, die in Jezus Christus ja en amen zijn, de spijze en drank des eeuwigen levens uitdeelt, daarmede het geloof voedt en versterkt en de gemeenschap aan de Here Jezus Christus verzegelt.
Niet dat God deze zelfde dingen buiten het Sacrament niet geeft. We zouden het handschrift Zijner beloften oneer aandoen, wanneer wij het zonder het zegel van minder kracht zouden achten. God hecht Zijn zegel er aan, niet omdat Zijn beloften dit nodig hebben. Maar omdat wij het nodig hebben.
Het blijft echter Zijn zegel!
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's