UIT DE PERS
„Klare Wijn" en de Schriftkritiek.
In de kerkelijke pers van de laatste maanden zijn verschillende reacties te vinden op het geschrift, dat door de Generale Synode van onze Kerk is aangeboden onder de titel „Klare Wijn" en dat rekenschap wil afleggen over geheim en gezag van de Bijbel. In het blad „De Wekker" heeft de Apeldoornse hoogleraar, prof. dr. W. H. Velema dit boek aan een kritische bespreking onderworpen.
Bij alle waardering stelt Velema toch de vraag of aan het getuigenis van de Schrift over zichzelf recht gedaan wordt.
Hij meent deze vraag ontkennend te moeten beantwoorden. Ondanks de betuiging aan het begin: De Bijbel is Gods Woord, is de opvatting met betrekking tot de openbaring van God dermate dynamisch dat er van de vastheid en de zekerheid: Hier heb ik het Woord van God, niet zo veel overblijft.
Typerend daarvoor acht Velema de grote waardering van „Klare Wijn" voor de Schriftkritiek die in de vorige eeuw zich breed maakte. Hij schrijft in het nummer van 30 juni:
In het synodale geschrift wordt namelijk een „wat hooggestemde lofzang op de positieve resultaten van het historisch-kritisch onderzoek van de Schriften" aangeheven (60). De gemeente die de Bijbel als het Woord van God belijdt heeft weinig reden om tegen deze Bijbelkritiek, tegen dit historisch-wetenschappelijk onderzoek van de Schriften wantrouwend te staan. En dan komen we zelfs de volgende zin tegen: „het is misschien goed, om in een kerkelijk geschrift open en zonder reserve te erkennen, dat in het verleden en misschien ook wel in het heden, juist van kerkelijke zijde aan de mannen der wetenschap onrecht is aangedaan, door hun wetenschappelijke arbeid af te wijzen en hun persoonlijk geloof te veroordelen, omdat zij op deze kritische wijze de Bijbel wilden en durfden benaderen. Zij hebben recht, niet alleen op een voorzichtige erkenning, maar op de openlijke dank van de gemeente van Jezus Christus" (87).
Terloops moge ik opmerken, dat uit deze zin én uit de namen van historisch-kritische Bijbelonderzoekers, die in de noten genoemd worden, duidelijk blijkt, dat men niet te veel waarde mag hechten aan de omschrijving van kritiek als „juiste beoordeling, een juist verstaan van wat de Schrift zelf zeggen wil". Dr. B. Rietveld heeft in zijn bespreking van dit boekje in Centraal Weekblad van 29 april 1967 daarop nogal nadruk gelegd. Ik ben van mening dat dr. Frederikse met kritiek in deze waarderende zinnen heel eenvoudig de in de oud-en nieuw-testamentische wetenschap bekende Schriftkritiek bedoelt. Zijn rehabilitatie van deze mensen, en het uitreiken van de erepalm zou ook wel vreemd aandoen, als niet juist zij bedoeld waren.
Welnu, hoe is het mogelijk, dat er zo lovend over de Schriftkritiek wordt gesproken? Ik weet wel dat er ook bezwaren tegen haar resultaten worden ingebracht en tekortkomingen ook vermeld worden (50, 60, 87, 88, 210). Intussen wordt toch maar gezegd, dat tegenover de theologen van het Nieuw-Protestantisme eerbied en dankbaarheid past (50). En juist in verband met deze kritiek wordt gesproken van — weliswaar — een omweg, welke door menselijke verwarring heen, onder Gods leiding voor mogelijk wordt gehouden (50).
Weet men dan niet van de kerkverwoestende invloed van de Schriftkritiek? Beseft men dan niet hoe de mannen, aan wie hier namens de gemeente van Jezus Christus — helaas verlate — dank wordt gebracht de Schrift zagen? Dat de Bijbel voor velen van hen niet anders was en is dan een religieus document, van geen andere betekenis dan welk religieus document uit welke andere godsdienst ook?
Is het dan niet bekend, dat met behulp van allerlei wetenschappelijke hypothesen juist datgene uit de Bijbel — in naam van de Wetenschap! — wordt weggesneden, wat de onderzoeker voor onaanvaardbaar houdt?
We menen dat prof. Velema hier de vinger legt bij een aangelegen punt. Uiteraard zal niemand kunnen ontkennen — en ook Velema zal dat niet doen — dat het wetenschappelijk onderzoek van de Schrift door geleerden als Bousset, Schweitzer, Bultmann om een paar namen te noemen, veel aan het licht heeft gebracht waar elke bijbellezer zijn winst mee kan doen. In de commentaren en handboeken ligt een geweldige hoeveelheid materiaal opgetast. Maar tegelijkertijd moeten we zeggen dat de Bijbelwetenschap die zich bezig hield met de bestudering van het Oude en Nieuwe Testament zich menigmaal geen rekenschap heeft gegeven van het bijzonder karakter van de H. Schrift en de Schrift beschouwd heeft als een verzameling literaire geschriften die je op dezelfde wijze kunt bestuderen zoals je ook Plato of Babylonische kleitabletten bestudeert.
In „Klare Wijn" wordt de erfenis van de 19de eeuw al te gunstig getaxeerd. Al te vlot wordt over de vooronderstellingen — vaak puur filosofisch — van dit zgn. onbevooroordeelde historische onderzoek heengestapt. Hoezeer het feit, dat de boeken van Oud-en Nieuw Testament te boek gesteld zijn door mensen — die leefden in een bepaalde tijd en een bepaalde situatie —, ons voor vragen stelt, we zullen deze vragen alleen maar op de rechte wijze in het vizier krijgen als we het zelfgetuigenis van de Schrift eerbiedigen. Niet alleen heeft de Schriftkritiek kerkverwoestend gewerkt, maar ook de splitsingen en scheuringen in de 19de eeuw zijn niet los te denken van de opkomst van het Modernisme. De rehabilitatie van de historisch-kritische wetenschap doet juist in een geschrift dat mede rekenschap wil afleggen over de geschiedenis van de Bijbel vreemd aan. Het is een al te onkritische beoordeling van een bepaalde fase van het Bijbelonderzoek.
Want de grote grief tegen de historische kritiek is m.i. juist deze, dat ze niet gevraagd heeft: Wat staat er?, maar menigmaal geponeerd heeft: Wat er staat is voor ons niet relevant.
De Kirchentag in Hannover en de BelijdenisbeWeging.
Zoals u weet is er nogal wat deining geweest rondom de Kirchentag, die dit jaar in Hannover gehouden is. De belijdenisbeweging „Geen ander Evangelie" had protest aangetekend tegen het feit dat de modernistische stromingen in de Duitse kerk nogal aan het woord gekomen waren op de vorige Kirchentag en ook ditmaal weer van zich zouden mogen laten spreken. Nu kan het best waar zijn dat deze beweging in haar uitingen naar buiten niet altijd even gelukkig optreedt, maar dat neemt niet weg dat ze dan toch maar bedoelt de gemeente te bewaren bij het Woord, het onverkorte evangelie van zonde en genade, de boodschap van Kruis en opstanding. In een tijd waarin in Duitsland en elders de meest fundamentele dingen in het evangelie vanaf kansel en katheder geloochend worden, doet zulk een protest weldadig aan. Het is bevreemdend dat ook in ons land vele theologen er met een schouderophalen aan voorbijgaan. Of is het niet zo bevreemdend? Tenslotte zijn zij die in alle eenvoud opkomen voor het „Er staat geschreven" de eeuwen door uitgemaakt voor de dommen en de achterlijken. Men mag in de kerk vele heilige huisjes omvergooien, maar pas op dat men niet komt aan het heilige huisje van een bepaalde wetenschapsopvatting!
Merkwaardig is ook dat elk radicaal geluid vandaag aan de dag met vreugde begroet wordt. Maar wanneer „Geen ander evangelie" een nogal zwaargeladen protest laat horen tegen uitlatingen van mensen als prof. Ernst Kasemann krijgen ze van alle kanten de wind van voren. Heeft deze belijdenisbeweging zich inderdaad vergist t.a.v. Kasemann?
Mij kwam een verslag onder ogen van het door deze hoogleraar gehouden referaat op de Kirchentag: „De tegenwoordigheid van de gekruisigde".
Symptomatisch en veelzeggend! Er staat niet: De gekruisigde en de Opgestane. Nee, het gaat om de presentie van de gekruisigde vandaag. Wie wat thuis is in de N. Testamentische theologie voelt uit welke (Bultmanniaanse) hoek de wind waait.
In dat verslag in „Hervormd Nederland" van 1 juli werd onder meer gezegd 'dat de boycot een averechtse uitwerking gehad heeft. Zevenduizend mensen hebben naar Kasemann geluisterd. Het zal allemaal wel boeiend en knap geweest zijn, maar nogmaals: Heeft „Geen ander Evangelie" de plank zover misgeslagen? Men oordele zelf. We citeren uit dit verslag:
Het is onmogelijk het hele referaat weer te geven, maar wat wel duidelijk naar voren kwam, was, dat het lijden van Christus door hem niet (meer) gezien werd als „offerdood": „de satisfactie-theorie" neemt geen legitieme plaats in het Nieuwe Testament in. De dominees die daar nog wel aan vasthouden spreken dan over „het mysterie van Christus' lijden" en maken van de Kerk een „mysteriegemeente". Het gevolg is, dat zo'n kerk zich bij de wereld niet meer verstaanbaar kan maken, maar in een orakeltaal moet spreken, die veel weg heeft van tongentaai. De christelijke theologie heeft in haar prediking en dogmatiek de weg tot Jezus meer versperd dan geopend. Mattheus heeft in het kruiswoord van Jezus „mijn God mijn God waarom hebt gij mij verlaten" duidelijk gemaakt, dat men „op een andere wijze dan in de formules van offerdood en verzoening, over Christus kan en mag spreken". „In de hel van de vermeende afwezigheid van God roept Christus God als Vader aan en erkent dat Hij aanwezig is".
„Het hart van het Evangelie is, dat Christus tot tollenaren en zondaren uitging en tot hen zei: God is er voor u. Daarom moest Hij naar Golgotha: Hij stierf omdat Hij dit zei en Zijn Vader openbaarde als de God der goddelozen". De verborgen God, die vanaf het kruis aangeroepen wordt, kan slechts de God der goddelozen zijn". Het begin en het einde van het Evangelie is: deze, om deze reden gekruisigde Heer. Zoals Christus in het niemandsland gestorven is (Hebr. 13 vs 13: „buiten de legerplaats") d.w.z. in de profane wereld, zo zullen wij ons als christenen los moeten maken uit het ghetto der religies, waarin wij ons door onze offerdoodreligie hebben laten opsluiten".
„Wij zullen in de wereld moeten staan, niet pogend de oude kerk te restaureren, maar oprecht bereid zijnde ons geloof in het leven van aJle dag te verwerkelijken. Er zal in de toekomst nog slechts één vorm van christendom legitiem zijn: de zending. Wie niet deelneemt aan de zending, kan niet meer voor christen doorgaan".
„Wij hebben in de kerk op het ogenblik nog veel te veel managers die de bestaande kerk organiseren en te weinig partisanen; wij zullen dank zij ons christelijk partisaanschap uit het religieuze ghetto moeten breken en midden in het vrije veld christen zijn. Dit betekent, in navolging van Christus: lijden". Het geloof van Jezus nam, nauwelijks opvallend, de plaats in van het geloof in Jezus.
Men lette vooral op de slotzin. Geen verzoening door voldoening. In plaats van geloof in Jezus geloof van Jezus. Geen offerdood theorie. En geen ghetto-religie! Volgens het verslag in het dagblad „Trouw" heeft Kasemann zich ook nogal kritisch uitgelaten over de opstanding des vleses. Dat leerstuk zou de mens van vandaag totaal niets meer te zeggen hebben.
„Hervormd Nederland" is kennelijk nogal ingenomen met het een en ander. Vooral met het feit dat de belijdenisbeweging de kous op de kop heeft gehad. De schrijver van het verslag. Ds. H. A. Visser, schrijft boven zijn artikel: „Profetie van een zich verjongende kerk". De Duitse kerk heeft zich royaal door de vragen van de wereld in haar nekvel laten grijpen. We zouden willen vragen: Heeft ze ook de antwoorden gegeven vanuit het evangelie, vanuit de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift? Niemand zal zeggen dat het niet goed kan zijn wanneer de kerk luistert naar de vragen die door de wereld gesteld worden. Een kerk die pastoraat bedrijft, zal inderdaad naar vragen moeten luisteren. Maar ze zal, wil ze pastoraal verantwoord spreken, zich de antwoorden niet door de wereld moeten laten voorschrijven, maar hebben te luisteren naar de Schrift.
Reductie van het Evangelie.
Wanneer het verslag van Kasemann's lezing juist is, dan kunnen we niets anders zeggen dan: Hier is niet naar de Schrift geluisterd! Hier is wat de Schrift zegt over het werk van Jezus Christus in kruis en opstanding onderworpen aan een critisch wetenschappelijke theorie, die als een zeef fungeert. En wat er overbleef is als antwoord op de vragen gegeven.
In dit verband heeft het me teleurgesteld dat „Trouw" het verslag van Kasemann's lezing gegeven heeft zonder een enkel protest. Men zou van „Trouw" toch meer sympathie mogen verwachten met de bedoelingen van de belijdenisbeweging. Zeker wanneer men ziet hoe in het referaat van Kasemann het evangelie op ontstellende wijze gereduceerd wordt tot navolging, dienst aan de ander, terwijl er van het verzoeningswerk van Christus niets anders overblijft dan een solidariteitsbetuiging met de tollenaren en zondaren: „God is er voor u". Men versta mij goed: Dat Christus tot tollenaren en zondaren uitging, staat ook in het evangelie.
Maar wanneer dit losgemaakt wordt van de objectiviteit van het kruisoffer, ontledigt men de inhoud van dit evangelie. Dan krijgt men toch weer op de wijze van de liberale theologie van de 19de eeuw een evangelie van Gods vaderliefde waarin voor de Middelaar geen plaats is.
De termen waarin deze liberale boodschap verpakt is zijn wat aangepast aan de 20ste eeuw, maar de inhoud is die van een vorige tijd. Daarom is het mij onbegrijpelijk dat een officieel orgaan van de hervormde kerk dit een profetie van een zich verjongende kerk kan noemen.
Toen ik het verslag van Kasemann's referaat las, kwam telkens de vraag boven „Waar heb ik dit meer gehoord?". Wie dan gaat zoeken komt terecht in de vrijzinnige theologie van de 19de eeuw! Het evangelie van de Vader zonder de Zoon. Een Jezus die wij moeten navolgen. Het heilsfeit wordt afgewezen en wat men overhoudt is een ethisch program, een activistisch moralisme. Als dat verjonging is, weet ik het niet meer. Eerder zou men het bedenkelijke veroudering kunnen noemen. Geen profetie die een toekomst inluidt, maar een terugval in een theologisch verleden, waarvan men wel eens de hoop gehad heeft dat dit zijn tijd gehad heeft. De Kirchentag in Hannover heeft nog weer eens laten zien — wat we trouwens ook wel wisten — dat deze hoop onjuist is. Daarom kan ik het protest van „Geen ander Evangelie" volkomen plaatsen. Uiteraard zal deze beweging op moeten passen niet te vervallen in kretentheologie, negativisme en holle frazen. Maar daarom verdient ze juist onze steun en ons meeleven, bovenal onze voorbede. Het is een trieste zaak, dat in de Hervormde en Geref. Kerken (en kerkelijke pers) verschillende personen in plaats van deze steun alleen maar negatieve kritiek hebben op deze beweging en daarmee een veldwinnende vrijzinnigheid steunen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 juli 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's