De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

TOCH EEN TOEKOMST

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

TOCH EEN TOEKOMST

8 minuten leestijd

„En Jozef zeide tot zijn broeders: ik sterf; maar God zal u gewis bezoeken en Hij zal u doen optrekken uit dit land in het land, dat hij Abraham, Izaak en Jakob gezworen heeft. En Jozef deed de zonen van Israël zweren, zeggende: God zal u gewis bezoeken; zo zult gij mijn beenderen van hier opvoeren. En Jozef stierf, honderd en tien jaar oud zijnde; en zij balsemden hem en men legde hem in een kist in Egypte. Genesis 50 vs. 24-eind.

Het boek Genesis begint met 'n hooggestemd en langgerekt levenslied; het eindigt met een korte doodsnik. In den beginne, de geboorten van hemel en van aarde! En zij balsemden hem en men legde hem in een kist. De weg van alle vlees is blijkbaar een weg tot de dood, hoe verschrikkelijk dat ook is. Het lijkt wel, of het hele leven tevergeefs is, terwijl de Heere God het tot een eeuwig leven bestemd had. De aansluiting met dat leven is verbroken. Tussen het eerste en 't vijftigste hoofdstuk, vindt u het derde. De zonde is een breuk, een breuk in de verhouding met de levende God., De zonde leverde ons uit aan de onherroepelijke dood. Wij mogen daar gerust even bij stilstaan, al te vaak draven we er aan voorbij. Midden in het gedrang der levenden, is daar die doodkist; een sta in de weg, waar u tegen aan loopt. Het is de mens gezet eenmaal te sterven.

De doodkist van Jozef. Jozef, uit het geslacht van Abraham, het lievelingskind van Jakob. Ook hij had een veelbewogen leven achter de rug toen hij zijn ogen voor goed sloot. Bovendien heeft hij het ver gebracht in dat vreemde land; hij werd onderkoning van Egypte. Maar... hij sterft net als ieder ander. Zijn stoffelijk overschot wordt gebalsemd. Dat was te doen gebruikelijk en men had daarin een grote bedrevenheid. Eigenlijk wilde men op deze manier, de dode van het onvergankelijke leven verzekeren. Heel de cultuur van Egypte was één krampachtige poging om de dood weg te werken, om de onsterfelijkheid en de onverderfelijkheid te verkrijgen, één wanhopige strijd tegen de dood. Wat hielpen al die pogingen? De dood spot er mee. De pyramiden zijn huns ondanks, overwinningstekenen van de dood.

En Jozef stierf, honderd en tien jaar oud zijnde. Een hoge leeftijd. Ook daar haalt de dood een streep door. Vervolgens zet hij een dikke punt achter 'alles. Zouden wij dat ook maar niet doen? Een enkele weemoedige gedachte wijden aan al het vruchteloze jachten en trachten van een mensenleven, dat met de dood wordt uitgewist? Nee, dat doen we zeker niet. Zo is het immers niet bedoeld; we zitten niet in het gedempte licht, rond de fraai bewerkte doodkist van Jozef. Het licht van Gods belofte flitst aan. 't Speelt er niet slechts wonderschoon overheen, het schept een nieuwe verwachting des levens. Jozef leeft en sterft in die verwachting. Hij roept zijn nabestaanden — de broers zullen al wel overleden zijn, wij hebben eerder aan hun zonen te denken — en verklaart even nuchter als monter: ik sterf. Nee, nu geen punt, liever een punt komma; de zin loopt door. Maar God leeft. Hij blijft Dezelfde.

Bij de God des levens zijn uitkomsten tegen de dood. Daarom is het zo nodig die God te kennen in de kracht van Zijn heil : Die de doodschaduw verandert in de ochtendstond van het eeuwige leven. Dat doet niemand Hem na, daarmede maakt Hij zich eeri geheel enige naam. Welnu, aan die God mocht Jozef zich toevertrouwen. Wat een heerlijke klemtoon: maar Gód! Valt hij daar, dan lezen we de zinnen, de o zo samengestelde zinnen van ons levensverhaal anders. Dan worden het verwijzingen naar Hem en naar Zijn toekomst. Paulus zegt: ik weet, in wien ik geloofd heb, en dat Hij machtig is. Dan weet u genoeg.

Zij balsemden Jozef en legden hem in een kist. Maar God.... God waakt over hem, en zal hem opwekken ten uitersten dage. Maar God... God wil de breuk, die de zonde geslagen had, weer helen. Hij is de Heiland, die herstelt wat in scherven ligt. Ons leven ligt in scherven, door onze overtreding, en wij worden dat nooit schrijnender gewaar, dan bij overlijden en begraven. Maar God in Christus heeft daarover het laatste woord. Die al uw ongerechtigheid vergeeft, verlost uw leven van het verderf. Balsemen was bederfwerend. Begenadigen is verderfwerend. Het een komt te laat, het andere vroeg genoeg. Omdat Christus uit de dood, het leven te voorschijn bracht, en de Heilige Geest wat dood is levend maakt voor goed.

Jozef was de beschermheer van het volk Israël. Ik sterf. Het is als luidt hij daarmee de doodsklok over hun toekomst. Wat zal er nu van hen worden? Maar God! Hij mag hen overla­ten aan de God hunner vaderen, die voor hen zal zorgen. Wat een voorrecht, wanneer dit krachtige „maar God" door de rouwklok heenklinkt. Wanneer wij afscheid nemen, dan neemt God daarom nog geen afscheid. Wij mogen vrouw, man, kinderen, als het ware aan Hem overdoen. Dat geeft ruimte en troost, want alleen in Zijn Naam is ruimte en troost te vinden. Wat angstige vragen beklemmen het hart van zijn verwanten. Hoe moet het nu verder, zonder Jozef. Hij sterft, hij kan niets meer voor hen doen. Maar God! Zónder God, dat is veel erger. Met God, dan komen we er doorheen. Dan wordt de kist waarin Jozef gelegd werd even terzijde geschoven, en wenkt de Heere ook nu nog bedroefde families: Ga maar met Mij mee. Niet achter de begrafenisdienaar aan, maar achter de Heere aan.

Jozefs dood staat in het brede verband van de wonderdaden des Heeren. De Heere had hem gebruikt om een groot volk in het leven te behouden, hij neemt zijn plaats in, in de heilsgeschiedenis. Dank zij Jozef mochten de kinderen Israels in Gosen wonen, een uitgelezen deel van het land aan de Nijl. In Egypte. Dat is het allerlaatste woord van dit Bijbelboek. En weer zijn wij geneigd heel zorgelijk te kijken. Egypte is Kanaän niet. God had Kanaän aan Abraham beloofd; de aartsvaders liggen er alle drie begraven, hun geslacht blijft achter in een vreemd land, dat weldra een vijandig land blijTct te zijn. In Egypte. Hier breekt de lijn Van Gods beloften af. Het is een dood punt. Falen de beloften dan? Heeft God Abraham om de tuin geleid en Izaäk en Jakob?

Wat dunkt Jozef daarvan? En Jozef zeide tot zijn broederen: Ik sterf, maar God zal u gewis bezoeken en Hij zal u doen optrekken uit dit land, in het land, dat Hij Abraham, Izaäk en Jakob gezworen heeft. Ik zal weldra niets meer; Hij zal. Jozef heeft stervende zijn geloof beleden in de onbezweken trouw en de onwankelbare waarheid Gods. Door het geloof heeft Jozef stervende gemeld, lees ik in de Hebreënbrief. Wonderlijk toch, dat vertrouwen, die verwachting, die geen verstek laat gaan, als de dood daar is. Die spreekt van een toekomst, als het verleden overmachtig schijnt. Overleden, dat is het voldongen verleden en zie daar: toch een toekomst.

God zal u zeker bezoeken. Hij zal naar u omzien. Dat verzekert hij ten overstaan van heel het huis zijns vaders. Hij richt zijn blik op God, de God des verbonds en daarna op de toekomst van zijn volk. Er hangt een dreigende, donkere wolk boven die toekomst: een eeuwenlange verdrukking. Abraham wist ervan en huiverde. Maar die donkere wolk wordt met een lichte rand omzoomd: God zal naar u omzien. De belofte blijft van kracht; dat is mijn troost in druk mij toegezegd, dat leert mijn ziel u achteraan te kleven. Zo richt hij de aandacht van zijn verwanten op de Heere alleen, net als Izaäk en Jakob dat gedaan hadden. God zal hen bewaren. Hij leeft immers en Hij heeft hun Zijn Woord gegeven.

De toekomst is de uittocht. Daarheen hield Jakob de blik strak gericht, toen het licht van zijn ogen bijna uitgeblust was: zie, zei hij tot Jozef, ik sterf, maar God zal met ulieden zijn en Hij zal u wederbrengen in het land uwer vaderen. Daarvan is Jozef evenzeer overtuigd. En wat had hij ervoor? Het woord, de eed Gods, meer niet. Alsof dat niet genoeg is. De eed, dat is Gods erewoord. Zijn naam is er nu mee gemoeid; die zal hij niet te schande maken. Onze eigen naam leren wij verzaken. Wij staan nergens meer voor in. God staat er voor in. Hij zal Zijn waarheid nimmer krenken. In Egypte. Punt, uit! Nee, na Genesis, Exodus. Van Egypte naar Kanaän, dat kan niet missen. Wat komt alles nu vast te liggen: dat Hij gezworen heeft. Het land en het volk, de Zoon en de zegen. Geen woord van al de goede woorden des Heeren zal ter aarde vallen. Jozef neemt Gods beloften niet mee in zijn graf; ze worden niet weggemoffeld in zijn doodkist en van onwaarde verklaard, het deksel er op. O nee, ze zijn springlevend; het ga zo het gaat: God zal u gewis bezoeken en Hij zal u doen optrekken. Egypte zal zich daar met hand en tand tegen verzetten, maar Egypte zal het onderspit delven. Het zal Israël de dood zweren. Hun eed is echter niet bestand tegen Gods eed. Het zal vloeken waar de Heere zegent. Zijn zegen zal hun vloek krachteloos maken.

In Egypte. Naar Kanaän. Toch een toekomst.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juli 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

TOCH EEN TOEKOMST

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 juli 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's