De boodschap der verzoening in de geschiedenis
I.
Wanneer zowel in het oude als in het nieuwe testament het verzoeningswerk de kern is van Gods openbaring, dan kan het niet anders of ook in de geschiedenis der theologie is dit een belangrijk gegeven. Als dat niet het geval is, is er maar één conclusie mogelijk: al denkend en sprekend is de Bijbelse boodschap vergeten. Als we de geschriften uit de eerste eeuwen overzien, is het duidelijk, hoe de kerkvaders leefden uit het werk van de Here Jezus en hoe ze ervan getuigden. Wat het laatste betreft, dat deden ze op verschillende manieren: ten opzichte van de gemeente terecht-wijzend en bemoedigend. In andere geschriften ging het hen er om anderen te nodigen door hen jaloers te maken. Maar ook was het nodig om het evangelie te verdedigen tegenover aanklachten en spot.
De eerste eeuwen.
Het is geen wonder, dat het geschrevene op ons nuchtere westerlingen een wat verwarde indruk maakt. Dat heeft een oorzaak. In de eerste plaats geeft de bijbel een complex van beelden om het werk van Christus te vatten. Diens dood wordt gezien als het offer voor de zonde, als een losprijs, als het middel dat vrede aanbrengt, als een bevrijding enz. We zullen daarom steeds beducht moeten zijn voor een systeem, waarin één gegeven het één en al wordt. De geschriften van de oude kerk zijn daarom ook verfrissend door de veelheid van beelden en gedachten waarin het evangelie wordt bekend gemaakt.
Dat gebeurt heel argeloos omdat — dat is de tweede reden — het toen nog niet nodig was speciaal de aandacht te vestigen op het werk van Christus. Het punt, waardoor de geesten toen in beroering werden gebracht, was veelmeer Christus' persoon: is Hij werkelijk God? Zo ja, hoe kan Hij dan ook mens zijn?
Toch blijkt, dat in het wat verwarde geheel één beeld de overhand heeft. Christus wordt vooral gezien als de bevrijder van mensen, die gevangen zijn door de duivel en door de dood. Telkens weer wordt verteld hoe satan verslagen is, hoe hij als een gulzig roofdier in de val is gelokt, hoe hij gestikt is in het lokaas enz. enz. Hij meende te kunnen doen wat hij wilde, maar toen hij zich vergreep aan deze zondeloze, werd hij ontmaskerd als een onrechtvaardige en was hij verloren. Daardoor werd de dood overwonnen door het leven, na Goede Vrijdag kwam de paasmorgen, zodat een ieder, die de Here Jezus volgt, in vrijheid mag leven. Deze gedachten hebben vooral in de Oosterse kerken opgeld gedaan. Jezus wordt daar nog altijd gezien als de Levensvorst, als de grote bevrijder van dood en duivel.
In het westen echter had men ook aandacht voor een ander aspect. Niet alleen moet de zondaar bevrijd worden van bovengenoemde vijanden, ook zit hij gekluisterd in boeien van zonde en schuld. Er is een zoenoffer nodig, een menselijk offer, dat onbevlekt is, anders is nog alles tevergeefs. In Christus wordt aan al deze voorwaarden voldaan.
Anselmus.
De weergegeven situatie wijzigde zich omstreeks het jaar duizend. Men ging vragen stellen. Allerlei zekerheden werden ondergraven. Het was niet meer voldoende om te zeggen: de kerk heeft het zo altijd geleerd. Men wilde persoonlijk zekerheid hebben.
Er werden vooral vragen gesteld over de menswording van Christus. Waarom was die vernedering nodig? Had het niet anders gekund? Is dit nu goddelijke almacht en wijsheid? Begrijpt u goed: deze vragen werden in de eerste plaats gesteld door christenen, die moeite hadden met bepaalde onderdelen van de geloofsleer. En hoe reageerde de kerk? Allerlei theologen gingen op deze vragen in. Onder hen neemt Anselmus een belangrijke plaats in.
Hij werd in 1033 in Noord-Italië geboren, maar het grootste deel van zijn leven heeft hij in Normandië en in Engeland doorgebracht. Op zevenentwintigjarige leeftijd werd hij monnik in het klooster Bec in Normandië en zijn bedoeling was zijn leven te wijden aan de studie. Dat liep echter geheel anders. Hij kreeg verschillende leidinggevende functies in deze kloostergemeenschap. Zo moest hij de jonge kloosterleerlingen opleiden. En op deze manier kwam hij in aanraking met vele vragen o.a. over het werk van Christus. In 1089 werd hij aartsbisschop van Canterbury, waardoor hij in aanraking kwam met een ander probleem van die tijd — de grote machtsstrijd tussen koning en bisschop over de zeggenschap in de kerk. Daarover zullen we het echter niet hebben.
Belangrijker voor ons zijn de vele gesprekken, die hij gevoerd heeft met zijn leerlingen, die onophoudelijk hun vragen op hem afvuurden. Zijn antwoord was telkens weer, dat een christen niet verplicht is om zonder meer zich neer te leggen, bij wat geleerd wordt door de kerk, maar dat hij ook zijn verstand mag gebruiken. Dat niet om daardoor te kunnen geloven! En ook niet om, als het moeilijk is om er met je verstand bij te kunnen, van je geloof los te raken, maar om achteraf als een gelovige te mogen erkennen, dat er lijnen lopen in het geheel van de geloofsleer èn om gehoorzaam te zijn aan de apostolische vermaning, dat een christen altijd bereid moet zijn om rekenschap te geven van de hoop, die in hem is (1 Petrus 3, 15).
Rationalisme ?
Dat is het verwijt door de eeuwen heen tegen Anselmus en tegen degenen, die in zijn lijn denken. En als we dan bedenken dat de reformatie ook op die lijn ligt, al zijn er verschillen in allerlei onderdelen, dan komt dit verwijt heel dicht bij. Rationalisme, overheersing van de ratio, van het verstand? Natuurlijk, wanneer wij mensen ons verstand gaan gebruiken, lopen we gevaar, dat we datgene wat God geopenbaard heeft, gaan modelleren naar en gaan aanpassen aan onze gedachten en wensen. En zowel bij Anselmus als bij de theologen van de reformatie is meermalen gebleken, dat ze niet geheel aan dit gevaar ontsnapt zijn. Anderzijds echter lopen ook zij die dit verwijt uiten, het risico, dat zij met een beroep op het geheimenis bepaalde belangrijke en duidelijke aanwijzingen die God in zijn Woord geeft, niet (willen) zien. Het is niet alleen mogelijk met ons verstand de ergernis uit het evangelie weg te werken — dat ook! —, maar evenzeer kunnen we dit doen door met een beroep op het mysterie bepaalde ergernis-gevende uitspraken te verzwijgen.
Na deze algemene uitspraken heel concreet de vraag: is Anselmus in zijn ijver om het zijn leerlingen duidelijk en begrijpelijk te maken, ten offer geval-
len aan zijn verduisterd verstand, zodat de Bijbelse boodschap aangetast is?
Anselmus ziet de gevaren, hij verwacht niet alles van zijn verstand. Hij spreekt als een gelovige met zijn leerlingen. Hij wekt op tot gebed, omdat alleen onder leiding van Gods genade het een goed gesprek kan zijn. Hij eerbiedigt met zijn leerlingen het gezag van de Heilige Schrift en van de kerkvaders, zodat ze niet als onwetende ongelovigen al redenerend achter de Bijbelse waarheid willen komen. Maar hij is er evenzeer van overtuigd, dat de gelovige onder leiding van Gods genade samenhang kan ontdekken in de geloofsleer en dat de ongelovige dit zal moeten erkennen.
Waarom God mens werd.
Dat is de vraag, waarom het nu gaat. Ons verstand zegt toch, dat het onredelijk is. Is dat goddelijke almacht? Is hier sprake van Gods wijsheid? Als we zien, wat Jezus heeft moeten meemaken, kunnen we God toch niet wijs en almachtig noemen. Had Gods liefde dan geen betere weg kunnen gaan?
Hiertegen kan niet gesteld worden, dat het zo moest, omdat er alleen maar verlossing mogelijk was in de weg van het recht. Immers de duivel had toch geen recht op de mens?
Inderdaad, zegt Anselmus tegenover hen, die de gang van zaken in het leven van Jezus verklaren met een beroep op de rechten van satan, inderdaad, de duivel had geen recht. Het is niet om wille van Gods vijand gebeurd. Je kan het pas verstaan, als je weet, wat de zonde betekent!
Wat is zondigen?
De zonde is een aanslag op het plan Gods. Bij de schepping bedoelde God het maken van een hemelstad, waarin Hij op een volmaakte wijze gediend zou worden. God eren wil zeggen, dat je met Hem en met zijn plannen rekening houdt. Maar wat is gebeurd? De mens heeft dit geweigerd en al zondigend heeft hij God in zijn eer aangetast. Hoe kan dit ooit weer in orde komen? Och, zegt de leerling. God is toch barmhartig? Hij kan toch vergeven? Neen, zegt Anselmus, zo kan het niet. Dit betekent door de vingers zien. Zo wordt het zondigen vrijgelaten. Op deze wijze zou door God worden toegestaan, dat zijn plan wordt ongedaan gemaakt. Door de zonde wordt immers iets stuk gemaakt.
Er moet dus wat gebeuren. En daarvoor is ook niet voldoende om vanaf een bepaald moment een nieuw leven te gaan leiden. Want met „boete, een verbrijzeld en verslagen hart, vasten, velerlei lichamelijke kastijdingen, werken van barmhartigheid, schenken van vergiffenis en gehoorzaamheid", geef je niets meer dan wat je al schuldig bent te geven. God vraagt niet alleen gehoorzaamheid, maar ook genoegdoening, herstel van het aangetaste.
Dan heb ik niets, dat ik voor de zonde kan. geven, zegt de leerling. Inderdaad, geeft de leraar toe. En als je er anders over denkt, heb je nog altijd niet de zwaarte van de zonde overwogen! Op zichzelf lijkt het zo erg niet, maar het is tegen Gods wil handelen, het is Gods bedoelingen te niet doen. Wie zal dit in orde maken?
Op deze vraag gaan we de volgende keer in.
Genderen. G. Bos
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's