De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Dordtse Leerregels

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Dordtse Leerregels

Troost of bedreiging.

13 minuten leestijd

Hoofdstuk V. — Artikel 10. En diensvolgens spruit deze verzekerdheid niet uit enige bijzondere openbaring, zonder of buiten het Woord geschied, maar uit het geloof aan de beloften Gods, die Hij in Zijn Woord zeer overvloedig tot onze troost heeft geopenbaard; uit het getuigenis des H. Geestes, Die met onze geest getuigt, dat wij kinderen en erfgenamen Gods zijn; eindelijk uit de ernstige en heilige oefening van een goede consciëntie en van goede werken. En zo de uitverkorenen Gods deze vaste troost in deze wereld niet hadden, dat zij de overwinning behouden zullen, mitsgaders dit onbedrieglijk pand der eeuwige heerlijkheid, zo zouden zij de ellendigste van alle mensen zijn.

Troost of bedreiging.

Daar zijn heel veel predikers, die verkondigen, dat de zaligheid, dus de redding uit 't eeuwig verderf, in Christus ligt en dat wij aan Gods genade deelhebben als we in Hem geloven. Zij prediken voluit: „Wie in de Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven". Maar zij prediken de uitverkiezing niet, omdat de keerzijde daarvan de verwerping is.

Zou het niet beter zijn, als niemand de uitverkiezing predikte? Is het geen bedreiging van onze zekerheid des heils, dat alleen de uitverkorenen zalig worden? Als ik dan eens niet uitverkoren ben, hoe moet het dan?

Artikel 10 ziet in de uitverkiezing geen bedreiging, maar een troost. Weliswaar is die troost beperkt tot de uitverkorenen, doch voor hen is het een vaste troost. Als zodanig moet de uitverkiezing ook gepredikt worden, zegt Het Besluit achter de Canones: „Ten laatste vermaant deze Synode alle mededienaars in het Evangelie van Christus, dat zij zich in het verhandelen van deze leer, beide in Scholen en Kerken, godvruchtelijk en godsdienstiglijk gedragen, dezelve zowel met de tong als met de pen tot Gods eer, heiligheid des levens en vertroosting der verslagen gemoederen richten".

Wat is de vertroosting der verkiezing? Dat de uitverkorenen Gods nooit verloren zullen gaan, om dat de Heere Zijn uitverkoren volk nimmer loslaat. Hij heeft dat volk in Zijn hart gesloten van eeuwigheid en brengt het onwederstandelijk tot de eeuwige zaligheid.

Het is de, troost van de zekerheid voor de toekomst. Als de zaligheid van ons doen, b.v. van ons geloof afhing, zou men zich twijfelmoedig af kunnen vragen of wij in het geloof zullen volharden. Maar de uitverkiezing betekent dat God in Zijn verkiezing en in Zijn trekken tot Christus niet zal ophouden, noch verflauwen. Onze staat ligt dan vast in Gods eeuwig en onveranderlijk voornemen. Hebben wij niet genoeg troost in de beloften van Gods Woord? Natuurlijk hebben de gelovigen daarin genoeg troost, maar dat zijn juist de beloften, dat de Heere verheerlijken zal, die Hij van tevoren gekend heeft. (Rom. 8), en dat niemand de schapen uit de hand van Christus rukken zal (Joh. 10) en zeer veel andere. Maar het zijn nooit beloften voor alle mensen, zonden meer. De beloften zijn alleen absoluut en onvoorwaardelijk voor de uitverkorenen, de gekenden, de schapen, de gelovigen en dergelijke.

Hebben zij deze zekerheid, dat God hen bewaren zal bij het allerheiligst geloof, nodig? Is het niet genoeg, dat zij zichzelf bewaren mogen en altijd op Gods algemene mensenliefde rekenen? De Remonstranten meenden, dat dit laatste genoeg was. Deze ontkenden dat de leer van de zekerheid der volharding van groot gewicht was en bovendien gingen ze nog verder, door uit te spreken, dat ze schadelijk moest geacht worden. Waarin zou de leer van de zekerheid der volharding schadelijk kunnen zijn? Naar de gedachte der Arminianen moest deze leer veeleer geschikt geacht worden om zorgeloosheid te baren, en om de mens in zijn zonden te dienen tot een oorkussen, waarop hij zich gemakkelijk koesteren en alzo troosten kan. Doch niet alles waarmee de mens zichzelf streelt, kan waarlijk troost genoemd worden. Rechte troost moet gegrond zijn in Gods heilig Woord. Nu bestaat — zo redeneerden de Remonstranten verder — de volle troost der kinderen Gods in twee dingen. In de eerste plaats behoort hiertoe de zekerheid, die zij in hun moeilijke godsdienst hebben van een groot en kostelijk loon, dat hun toebereid is, en waartoe zij in de weg der lijdzaamheid ongetwijfeld zullen komen. Hierbij komt dan ten tweede, dat zij door de kracht Gods en het aanmerken van dat grote loon, machtig ja, overmachtig zijn, om staande te blijven tot het einde toe en de overwinning te behouden tegen alle vijanden, zo zij slechts gestadig zien op de voorgestelde prijs. Deze twee dingen hebben Gods kinderen tot hun troost nodig, maar hieraan hebben zij ook genoeg.

Een derde stuk, n.l. dat zij weten en in de zekerheid staan van de volharding in het geloof, achten zij onnodig, ja zelfs schadelijk te zijn.

Daar heb je het Arminianisme. De oorzaak van deze afwijzing van de noodzakelijkheid van de troost der verkiezing ligt voor de hand.

De Remonstranten hebben nooit verstaan hoe diep de mens in Adam gevallen is. De mannen van de algemene verzoening, waarbij uit de mens de toepassing moet komen, de mannen, die de uitverkiezing verwerpen, de mannen, die over de noodzakelijkheid van het werk van de Heilige Geest en over de inhoud en de heerlijkheid daarvan in hun preek weinig of niets hebben te zeggen, lijden allen onder hetzelfde euvel: zij weten niet hoe groot hun zonde en ellende is en hebben niet genoeg ervaring of bevinding van de onbekwaamheid tot enig goed en de geneigdheid tot alle kwaad. Zij menen, dat de mens zelf nog wel wat kan met de nodige helpende genade. Maar de reformatorische leer gaat uit van de totale onwil en verdorvenheid van de mens, van wie geen volharding in het goede of in het geloof in waarin ook te wachten is. De gereformeerde weet veel te goed wie de mens is om te vertrouwen, dat hij wel staande zal blijven. Vandaar dat op de Dordtse Synode de afgevaardigden op dit punt de Arminiaanse dwalingen scherp hebben bestreden.

De Godgeleerden uit de Palz verklaren: „Diegene die niet toestaat de noodzakelijkheid derzelve (n.l. de zekerheid der volharding) tot een vaste troost en rust van het geweten, die heeft nooit de aanvechtingen gevoeld, en overlegt niet de gevaren van onze geestelijke krijg, en, naar het zeggen des Apostels, zonder toekomende hope is iemand de ellendigste van alle mensen". Deze mannen beroepen zich voor de noodzakelijkheid op de aanvechtingen en de bestrijding. De Godgeleerden uit Emden stellen het zo: „Degenen die ontkennen, dat de zekerheid der zaligheid en der volharding nodig is tot troost en vrede der consciëntie, zijn mensen, die zich aan kerkroof schuldig maken, door aan God Zijn eer en aan de mensen de ware troost in leven en sterven te ontstelen". Zij hebben ook nog een redenering. Stel, dat alle uitverkorenen het geloof zouden kunnen verliezen, omdat God er geen zorg voor draagt en zij het ook werkelijk verloren: dan zou de eeuwige zaligheid in de macht en in de hand van de mens zijn. Geen gelovige zou van zijn zaligheid zeker zijn. Indien alle gelovigen afweken, zou Christus zonder gemeente wezen, een Hoofd zonder lichaam.

Maar als wij van de uitverkiezing verzekerd zijn, ziende op ons geloof en onze kinderlijke vreze Gods, en onze droefheid naar God over de zonde, en onze honger en dorst naar de gerechtigheid, ligt dan de grond niet in onszelf? Neen, want het geloof in Christus en al deze dingen wordt niet aangemerkt als ons werk, doch als het werk Gods. Sommigen weigeren om de mens te betrekken in de zekerheid. Wij moeten alleen op het Woord Gods zien en dat geloven. Maar dat Woord zegt: Onderzoekt u-zelf of gij in het geloof zijt". (2 Cor. 13 : 5). Daar is geen belofte — nog eens — voor alle mensen, geen absolute belofte. Aan het geloof hangt alles en daarom ook aan de wedergeboorte. Die twee behoren op deze wijze bij elkaar, dat de wedergeboorte de fontein is van het geloof, zoals Calvijn zegt bij Joh. 1 : 13. Daar is nog een derde.

De zaligheid hangt aan onze gemeenschap met Christus. „Daar is geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn", Rom. 8 : 11. „Zo dan, indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel", 2 Cor. 5 : 17. Dus moeten we onderzoeken of we in Christus zijn. Dus luidt heel 2 Cor. 13 : 5 : „Onderzoekt uzelf, of gij in het geloof zijt, beproeft u zelf. Of kent gij u zelf niet, dat Jezus Christus in u is? tenzij dat gij enigszins verwerpelijk zijt." We moeten het werk Gods, de roeping, de wedergeboorte, het geloof, de gemeenschap van Christus in onszelf vinden.

Dit wil echter niet zeggen, dat we op iets van ons gegrond worden. We zoeken in onszelf naar het werk Gods. Is er enige zekerheid, dat we niet ten onrechte iets voor Gods werk houden, wat heel gewoon van onszelf is? Dat gevaar is niet zo groot, 't Is immers God zelf. Die werkt in ons, maar die ook het verstaan van Zijn werk werkt. Het is ook de H. Geest, die ons de vruchten van Zijn werk doet opmerken. Inderdaad blijft er altijd het gevaar, dat we onszelf bedriegen. Daarvan zijn veel voorbeelden in de Bijbel. Daar is weinig in het leven, dat ongevaarlijk is. Maar aan de andere kant is het ook waar, dat de Heere voor zelfbedrog bewaart, als wij er voor bewaard willen worden. Wie naar het Woord luisteren wil en wie niet bij het tweede stuk (uit zondag 1) begint, maar bij het eerste mag beginnen, zal zich niet licht misleiden. Voorts wordt de uitverkorene voor (blijvend) zelfbedrog bewaard. Voor hem is er geen gevaar in.

In de uitverkiezing hebben dus de gelovigen een zekerheid. Zij stellen daaruit vast, dat hun zaligheid op geen enkele wijze van henzelf afhangt. Zijn er echter veel mensen, die zo verzekerd zijn? Art. 12 van Hoofdstuk I spreekt van een verzekering bij trappen en met ongelijke mate. Daar zijn misschien niet zoveel waarachtig gelovigen, die durven zeggen, dat zij het zeker weten. Deze verzekerden vindt men meestal in andere kringen, en soms op de wijze van Amos 4:1. Maar toch zijn er heel wat, die in een bepaalde mate en meer voor zichzelf een stille hoop hebben, dat de Heere hen niet zal verstoten, maar van eeuwigheid heeft liefgehad. Dat volk leeft, vaak meer dan zij zelf durven bekennen, uit de hoop op de trouw Gods. Iemand zegt misschien: ij moeten er dan ook meer voor uitkomen. Maar wat zeiden de mannen van de Paltz? Zij spraken over aanvechtingen en een heilige krijg. Men zou er velerlei verzoekingen bij kunnen noemen. Daar is veel rede in de gelovige om in nood te zitten. Doch hierover niet meer, want het volgende artikel stelt dit aan de orde. De troost, d.w.z. het goed, dat opweegt tegen hun nood, is in elk geval vast en zij hebben een onderpand, n.l. de H. Geest en Zijn werkingen. Dat is een onbedrieglijk pand der eeuwige heerlijkheid. Dus het gaat om de gelovige. Hij heeft de belofte der volharding. Dat is hem tot sterkte in de dag der benauwdheid. Want als de Heere veel wederwaardigheden en zware stukken in zijn leven doet komen, weet hij, dat dit alles is naar de bepaalde raad en voorkennis Gods, Hand. 2 : 23. Hij mag met Job zeggen, dat de Heere zal volbrengen, wat over hem bescheiden is (Job 23 : 14). Maar alles komt voort uit de liefde Gods voor Zijn kind. “Wij weten, dat degenen die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, n.l. degenen die naar Zijn voornemen geroepen zijn", Rom. 8 : 28. Wanneer God iemand van eeuwigheid in Zijn hart heeft gesloten en gesteld heeft tot Zijn kind en erfgenaam, zal Hij hem dan iets schadelijks laten toekomen?

Maar de zonden dan? Moet een gelovige zijn zekerheid niet ontlenen aan het ophouden van de zonde? Neen, dat zou niet kunnen. Maar de uitverkiezing van voor de grondlegging der wereld is troost tegen de inwonende zonde. Hoe drukken die een kind Gods en benemen hem menigmaal al zijn lust en zijn leven. Maar merkt op. Hij, die uit vrije goedheid en liefde zondaren heeft uitverkoren, zonder door goede inborst, goede werken of geloof bewogen te worden tot dit besluit, en van Wie wij belijden, dat Hij nooit verandert in Zijn goedheid en liefde, zal Zijn uitverkorenen niet en nooit verwerpen om hun overgebleven zonden. Dat is een troost der verkiezing. Daarom moeten onze zonden ons wel droevig, maar niet moedeloos maken.

Wat troost vindt de gelovige nog meer in de verkiezing? De vrijmoedigheid en de steun in het gebed. De Geest leert zeggen: Vader. En de gelovige pleit : Vader, Gij hebt mij bij mijn naam geroepen en gekend. Ik heb genade gevonden in uw ogen. Gij hebt mij uitverkoren tot uw kind, opdat Gij verheerlijkt zoudt worden in uw genade, barmhartigheid en trouw. Vader, aanschouw mijn moeite en wederwaardigheen. Die ellenden drukken mij, die zonden kwellen mij. Dit heb ik nodig naar het lichaam, daarnaar verlang ik naar de ziel. Zie op mij in gunst van boven".

Voorts is de verzekering der uitverkiezing een groot middel tot heiligmaking. Ze zeggen, dat Gods verkiezing zorgeloze en goddeloze mensen maakt. De Schrift leert het anders. „Een iegelijk die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelf, gelijk Hij rein is". 1 Joh. 3:3. Hoe meer de gelovigen verzekerd mogen zijn van de liefde Gods tot Hem, des te meer nemen zij toe in liefde tot God. „Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad". 1 Joh. 4 : 19. Hij doet zijn goede werken niet om er de zaligheid mee te verdienen, want dat heeft Christus voor hem gedaan, maar om Gode daarmee dankbaarheid te bewijzen, opdat de mensen zijn goede werken mogen zien en de Vader, die in de hemel is, verheerlijken.

Uit de zekerheid der verkiezing volgt de lofzegging. Zalig worden is een eenzijdig werk van God. Daar komt geen zucht van ons bij. „Uit Hem, en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der eeuwigheid!" De verkiezing is niet om redenen in de mens. Tot Israël werd gezegd en ook hierin is dit uitverkoren volk een spiegel van de Kerk: Weet dan, dat u de Heere, uw God, niet om uw gerechtigheid dit goede land geeft, om dat te erven; want gij zijt een hardnekkig volk". Deut. 9:6. Vanwege de vrijmacht van Gods verkiezing mogen we wel zeggen met Paulus: Maar wij zijn schuldig altijd God te danken voor u, broeders! die van de Heere bemind zijt, dat u God van de beginne verkoren heeft tot zaligheid, in heiligmaking des Geestes en geloof der waarheid". 2 Thess. 2 : 13.

Is de verkiezing nu ook tot troost van iedereen? Bavinck, gezegd hebbende, dat de oorzaak der verkiezing alleen in Gods wil en welbehagen ligt, vervolgt: „En juist daarom is de leer der verkiezing beide voor de ongelovige en voor de gelovige tot zulk een onuitsprekelijk rijke troost. Indien het naar recht en verdienste ging, dan waren allen verloren Maar nu het naar genade gaat is er ook voor de ellendigste hoop .... De verkiezing dient niet, gelijk ze zo dikwerf gepredikt wordt, om velen af te stoten, maar om allen uit te nodigen tot de rijkdom van de genade Gods in Christus. Niemand mag geloven, dat hij een verworpene is, want elk wordt ernstig en dringend geroepen en is verplicht te geloven in Christus tot zaligheid". „Wie dorst heeft, die kome en wie wil neme, van het water des levens om niet".

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Dordtse Leerregels

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 augustus 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's