De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Meditatie

Handelingen 3 : 6

6 minuten leestijd

„En Petrus zeide: zilver en goud heb ik niet, maar hetgeen ik heb, dat geef ik u: in de  naam van Jezus Chritsus, sta op en wandel." Hand. 3 : 6.

Wij kunnen het ons indenken, dat de kreupelgeborene aanvankelijk zeer teleurgesteld moet zijn over het bescheid van Petrus. Hij ontvangt niet waarom hij gevraagd heeft. Hij vroeg niet om zilver of goud, maar om een bescheiden tegemoetkoming, een aalmoes. En wie zal het deze invalide man willen betwisten, dat hij de handreiking van anderen nodig heeft, teneinde zelf enigszins te kunnen bijdragen in de voorziening van zijn levensonderhoud. „Zilver en goud heb ik niet", voegt Petrus hem toe. We beseffen, dat deze woorden als een schaduw gevallen is over het opgeklaarde gezicht van deze man. En onwillekeurig bekruipt ons een gevoel van medelijden met hem.

Een man, die niet krijgt wat hij begeert. Is dat in het algemeen niet kenmerkend voor ons leven? Daar zijn wat verlangens en begeerten, waaraan nooit voldaan wordt. Het is heel niet nodig, dat we daarbij denken aan de buitenissige. Daar zijn veel wensen, die we als gewoon en nodig kunnen aanmerken, waaraan toch niet voldaan wordt. Zo ontvangen sommigen van ons de gezondheid niet, die zij begeren. Anderen evenmin de voorspoed in het zakenleven. En aan weer anderen wordt de rijkdom van de kinderzegen onthouden.

De zaak in het geding, laat zich zelfs in een nog breder verband bezien. Immers, ook wat betreft het eeuwige leven zijn daar wel wensen, die niet vervuld worden. Dit afgezien van de vraag, welke die wensen precies zijn en welke plaats zij in het hart innemen. En zo keren sommigen teleurgesteld uit de kerk naar huis weerom. Zij hoorden niet dat waar hun hart naar uitging. En anderen luisteren ietwat verveeld naar de bijbellezing. Zij worden niet aangesproken in hun „werkelijke" noden. Zo kunnen wij in het algemeen stellen, dat wij veelszins teleurgesteld worden in onze wensen. Niet slechts van de kant van de mensen maar ook van die van de Here God.

Deze invalide man ontvangt niet wat hij begeert: een aalmoes. En ongetwijfeld zal de aanvankelijke teleurstelling daarom naderhand in dank en lof zijn omgezet. Want hij zou heel iets anders ontvangen. Een veel rijkere gave, dan hij ooit heeft kunnen dromen.

Zo mogen wij zeggen: het is goed, dat de Here aan ons niet altijd dat geeft, wat wij begeren. Ons leven zou in-armoedig zijn, als daarin slechts de neerslag gevonden werd van datgene, wat wij nodig achten. Wij mensen zijn van nature licht tevreden. Met wat voorspoed of gezondheid, of wat leiding en troost nemen wij graag genoegen. Het is maar, dat we ons een weinig op de been kunnen houden. Maatschappelijk en geestelijk. Daarom is het een weldaad, dat de Here veel meer aan te bieden heeft en in de betoning van zijn genade metterdaad veel meer schenkt. De Here is God. De God van het leven, in de volle zin van het woord. Hij is die God, die in Christus het herstel en de vervolmaking van het leven beoogt. Dus doen wij er goed aan, om, als wij dat niet ontvangen, wat wij begeren, ons niet teleurgesteld af te wenden en te berusten in „ons lot", maar niet af te laten om „hart en oog te heffen tot God omhoog". En zelfs te staan naar grotere zaken, dan wij aanvankelijk zochten.

„Zilver en goud heb ik niet", zegt Petrus. Hij belijdt daarin zelf een arme man te zijn. Zelfs een aalmoes heeft hij niet aan te bieden. Maar hij heeft iets anders en dat wil hij hem graag schenken: „maar hetgeen ik heb, dat geef ik u; in den naam van Jezus Christus, den Nazarener, sta op en wandel". Met de bediening van het Evangelie is het wonderlijk gesteld. Naar wereldse maatstaven gemeten is het een armoedige bedoening. De nuttigheid en heerlijkheid van het Evangelie laat zich niet uitdrukken in geldswaarden noch in gezondheidscurven noch in andere waardebepalingen. Het Evangelie is van een eigen grootte en heerlijkheid. Daaraan is immers verbonden de naam van Jezus Christus. Christus, die arm wilde worden, om rijk te maken. Sterven wilde, om het leven te geven, in onvergankelijkheid. Daarom vertegenwoordigt het Evangelie een onmetelijk groot goed, n.l. dat van het goede leven met God de Here. Het herstel van zondige en ellendige mensenlevens. En dat naar ziel en lichaam beide. Al naar het God behaagt daarvan in deze bedeling te schenken. En bediening nu van dit Evangelie heeft God gelegd op arme mensen, als de apostelen. Daarvan is het dat Petrus getuigt, met ootmoed maar ook met kracht, „hetgeen ik heb, dat geef ik u". Daar is de macht en de volmacht, daar zijn de gaven en krachten om dienaar te zijn van God-drieënig. Van die God, die in Christus verzoend is en door de Heilige Geest daaraan gestalte wil geven onder zondaren. Zo is het inderdaad waar, dat de Here veel meer te bieden heeft, dan wij denken en wensen. Dienaren van het Woord zijn arme mensen, maar — door Gods genade — uitdelers van de menigvuldige genade Gods. En naardat het God belieft willen zij daar graag van uitdelen. Daartoe heeft God de bediening van het Evangelie ook gesteld, tot leniging van nood tot herstel van het leven. Of, tot bekering en geloof. En dat moge ons des te meer leren, ons niet van God de Here af te wenden. Hij stelt wel teleur, maar om later zeer te verblijden. En daarom zijn wij gelukkig te prijzen, als wij ons door de teleurstellingen wel laten verootmoedigen, maar niet van Hem laten afdrijven.

Petrus spreekt een eenvoudig, doch geladen woord: „in den Naam van Jezus Christus, den Nazarener, sta op en wandel". Hij beroept zich op zijn Heiland, belijdt Hem de Christus te zijn. En zijn Naam roept hij — smekend om diens gezondmaking — uit over de arme invalide.

Het is een ongehoord iets, wat Petrus doet. Als hetware staande voor het aangezicht Gods smeekt hij — om Christus' wil — om de gezondheid van deze man. Toch mag hij dat doen. In het geloof. In het geloof wil God ons schenken, al wat wij begeren en zelfs veel meer dan dat. In het geloof kan en wil God die Here zijn, die Hij is. De God van leven, het herstel van het leven.

En zo ontvangen wij hier in het doen van de apostel een voorbeeld, opdat wij weten zullen hoe we ons moeten gedragen in onze noden. En dat is wel dit, dat wij leren in het geloof ons te beroepen op Jezus Christus. Dat is te pleiten op zijn verdiensten. Ook te getuigen van de grootheid en heerlijkheid van zijn Naam. Zo zullen wij ook nimmer afgewezen worden. Niet altijd dat ontvangen, wat wij willen, maar veelmeer dat, wat strekt tot verheerlijking van zijn Naam en tot zaligheid van ons leven.

Tenslotte, Petrus heeft niet altijd zo gestaan en gesproken in het geloof. Hij heeft daartoe veel moeten leren. Daartoe is alles wat daar in zijn leven geweest is en nog is door God beschikt. Wij zijn dan gelukkig te prijzen, als het handelen Gods ons niet afkerig van Hem maakt, maar daartoe dienende is, dat wij verstaan (geloven) wie de Here is en wat wij aan Hem hebben kunnen. En Hij is meer en wil meer zijn, dan wij denken of begeren.

Barneveld. P.M. Breugem

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's