De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

Naar aanleiding van een boek.

13 minuten leestijd

Naar aanleiding van een boek.

In de kerkelijke pers worden regelmatig artikelen gewijd aan publicaties op theologisch gebied. Deze artikelen zijn dan wel te onderscheiden van de meer beknopte recensies en besprekingen. We willen in dit persoverzicht uw aandacht vragen voor een artikel van dr. M. J. Arntzen in het Geref. Weekblad (Uitgave Kok, Kampen) van 28 juli. Dr. Amtzen geeft hierin een uitvoerige bespreking van het onlangs verschenen boekje van Harvey Cox, Gods revolutie en de verantwoordelijkheid van de mens.

Wie wat thuis is in de huidige theologische ontwikkelingen, weet dat Cox in de vernieuwingstheologie zijn woord meespreekt. Grote aandacht kreeg zijn boek „De stad van de mens" (onlangs ook in dit blad besproken door ds. Boer), waarin Cox de vragen van de secularisatie en de vernieuwing van de kerk benadert van theologisch en sociologisch gezichtspunt uit.

Thans ligt dan in Nederlandse vertaling voor ons een kleiner boekje, waarin een aantal voordrachten van Cox gebundeld zijn, die ingaan op de plaats van de kerk in de wereld, de visie op de wereld etc.

Nu is het merkwaardig dat dit boekje verschenen is in de bekende reeks „Bibliotheek van boeken bij de Bijbel", een al jarenlang bestaande reeks die ten doel heeft op populair verantwoorde wijze allerlei Bijbelboeken en hun inhoud en achtergronden dichter bij de bijbellezer te brengen. Geleerden als dr. Joh. de Groot, A. van Deursen, 344 J. H. Bavinck, A. H. Edelkoort hebben dan ook waardevolle bijdragen aan deze reeks geleverd.

We hebben de indruk dat het karakter van deze reeks de laatste jaren wat veranderd is. Niet zozeer uitlegkundige studies, alswel algemeen-theologische werken worden er in opgenomen. Ook al komen b.v. in het boek van Cox allerlei Bijbelplaatsen ter sprake, men kan zijn boek toch beslist geen bijbels-theologische studie noemen. Daarvoor is het te fragmentarisch geschreven en wordt het te zeer beheerst door zeer bepaalde vooronderstellingen. Trouwens het laatste boekje wat in de BBB reeks verschenen is, een bundel artikelen van Eugene Blake, de secretaris-generaal van de Wereldraad van Kerken, geeft ons meer informatie over dr. Blake, dan dat het een boek bij de bijbel genoemd kan worden.

Persoonlijk betreur ik deze ontwikkeling. Om twee redenen: Allereerst wordt de opzet van de reeks — de bijbellezer dichter bij de bijbel te brengen — geweld aan gedaan. Maar bovendien worden onder de vlag „Boeken bij de bijbel" allerlei mode theologoumena naar voren gebracht, waarvan het — om het maar zacht te zeggen — zeer de vraag is of ze de toets van het bijbels getuigenis kunnen doorstaan. Wie in de mening verkeert een boek bij de bijbel te ontvangen, komt menigmaal tot de conclusie dat dit boek hem eerder bij de bijbel vandaan brengt dan er naar toe leidt. Helaas is o.i. ook Cox' boekje, hoe boeiend en interessant ook, te signaleren als een vermagering van de Bijbelse boodschap. De lezer, die zou menen dat het met de inhoud wel goed zit, omdat het immers verschijnt in een van ouds bekende en geliefde reeks, zij op zijn hoede.

Waarover gaat het dan in dit boekje?

De Christen en de wereld.

Cox is bijzonder geïnteresseerd in de wereld. God heeft de wereld lief en niet de kerk ... dat is een doorlopend thema in dit boekje. We geven het woord aan dr. Arntzen:

Wat bezielt deze schrijver eigenlijk? Velen weten dat al, omdat „the secular city" grote opgang heeft gemaakt, en heel veel besproken is. In dit boek over Gods revolutie vinden we nu soortgelijke gedachten. O.a. een heel sterk geïnteresseerd zijn voor de wereld. Meermalen komen we de woorden tegen: „God bemint de wereld en niet de kerk" (o.a. 15). De kerk moet volgens Cox wel in de wereld present zijn, maar zeer dienend. Hij vindt, dat we misschien wel de naam christen moeten laten schieten; die is ons ook maar door buitenstaanders gegeven (105).

In het algemeen zet de schrijver zich sterk al tegen het vergeestelijken b.v. van vrede, die God wil brengen, én die Jezus geeft. Ook schijnt hij een zekere afkeer te hebben van het spreken over de zaligheid in het hiernamaals (69, 104).

God handelt in de politiek, aldus Cox. En zoals vroeger de heidense Cyrus de knecht des Heren kon wezen, om Gods raad te volvoeren, zou God nu Mao Tse Toeng en Fidel Castro als zijn knechten kunnen gebruiken.

Over de zonde van de mens handelt Cox in een apart hoofdstuk (36-48). De hoofdzonde is volgens hem „traagheid". Daarmee bedoelt hij niet luiheid of iets dergelijks. Maar er wordt bedoeld dat er bij de mens een schuldige weerzin en aarzeling is, om ons eigen lot en vrijheid in handen te nemen. Cox beroept zich op de scheppingsopdracht, dat we moeten heersen over de werken van Gods handen. Maar hij veroorlooft zich daarbij soms nogal sterke uitdrukkingen, b.v. dat God het stuur bij de wereldregering uit handen heeft gegeven (67, 69).

Na een hoofdstuk over de zonde volgt de „verlossingsleer". Wat is de inhoud van het evangelie? De vrede, de sjaloom, zegt Cox. Hij zet daarbij weer uiteen, wat de laatste tijd al zeer vaak is gezegd, dat dit woord sjaloom zo maar niet door vrede vertaald kan worden, maar een zeer brede betekenis heeft. „Het duidt welvaart aan, goede gezondheid, kameraadschap en medemenselijkheid" (55). De christen moet de boodschap van die sjaloom brengen. Niet door b.v. de vraag uit te lokken: Wat moet ik doen om behouden te worden? Dat is veel te „geestelijk". Het gaat om wereldlijk heil, waarbij b.v. zeer belangrijk is de vrede tussen de rassen en volken.

Bij het brengen van die vredesboodschap moet men als christen Gods doen in de wereld volgen. En dan moeten we soms revolutionair zijn. Het is daarbij merkwaardig, dat de schrijver enerzijds zegt, dat God alles aan de mens delegeert, maar aan de andere kant wordt ook gesproken van God Die aan het werk is.

Cox verheerlijkt meermalen de revolutionair. Dit is wel heel andere lectuur dan Groen van Prinsterer. Een groot deel van de beste stukken uit de bijbel is geschreven, terwijl de auteur achter de tralies zat, aldus Harvey Cox. Genoemd worden Jesaja (?) en Paulus. En dan wordt ook Martin Luther King genoemd, die uit een gevangenis in Birmingham (Alabama) schreef, dat de eerste christenen de zeden van de samenleving omvormden. Zij werden veroordeeld als rustverstoorders en agitatoren (34). Ook op andere plaatsen (b.v. blz. 56) wordt Martin Luther King als vrijheidsheld zeer verheerlijkt. Daar wordt Kings „visioen" gememoreerd, dat „op een dag in de rode heuvels van Georgia de zonen van de vroegere slaven en de zonen van de vroegere slavenhouders in staat zullen zijn samen aan te zitten aan de tafel der broederschap".

U ziet: de Bijbelse begrippen worden op een bepaalde wijze geïnterpreteerd, zodat ze helemaal in het horizontale vlak van het handelen in deze wereld getrokken worden.

Het heil is wereldlijk heil. Zonde is niet opstand tegen God, maar een zich onttrekken aan verantwoordelijkheid jegens de naaste. Paulus en Luther King komen naast elkaar te staan.

Eenzijdige visie.

Het bedenkelijke is dat — afgezien van het loslaten van de verticale lijn, de verhouding van God tot de mens — zo licht een bepaalde politiek vereenzelvigd wordt met het bijbels getuigenis. Arntzen wijst op Cox' eenzijdige kijk op het communisme.

Nu is het zeer opmerkelijk, dat Cox wel een revolutie predikt tegen het onrecht in de V.S. Maar tegenover communistische landen, waar toch zeker niet minder onrecht heerst wordt een zeer verzoenende houding aangenomen.

Stellen wij ons nu even op het standpunt van de schrijver, dat de christen dorsten moet naar aardse gerechtigheid, en daarvoor moet demon­streren, dan was daar toch zeker ook reden voor in Oost Duitsland en China b.v. Maar tegenover de communist wil Cox alleen maar heel voorzichtig zijn. Hij heeft veel contact gehad met hen toen hij veel in Oost-Berlijn was. Maar volgens de schrijver moeten we met de marxist vooral niet gaan spreken over het eeuwige leven (dit slaat niet aan). De christenen in de landen onder communistisch bestuur moeten alleen maar) trouw op hun post staan. Aan het slot van het boek wordt door Cox verhaald, hoe eens een groep van 62 jonge communisten afgevaardigd werd naar Helsinki. Men meende algemeen, dat deze jonge mensen de marxistische leer zeer toegedaan waren. Maar meer dan de helft (36 van de 62) verkoos de vrijheid en bleef in Helsinki. Een jonge christen zei echter: “Als er 62 christenen naar Helsinki waren gegaan, dan waren ze allen teruggekeerd". Dat maakte indruk op Cox. Hij begreep het hoe langer hoe meer (128).

Maar hoe komt het, dat die christenen daar blijkbaar zo vredig kunnen leven, en geen behoefte hebben te protesteren en te demonstreren, zoals men in Z. Afrika en in Amerika telkens meent te moeten doen? Het zou wel eens zo kunnen zijn, dat de christenen, door hun milde en idealistische beoordeling van de communisten hun politieke doeleinden in de hand werken.

Bij het lezen van dit boek rijzen er allerlei vragen. B.v. Hoe komt het dat men zegt: „God gebruikt voor zijn doeleinden mensen als Mao Tse Toeng en Fidel Castro, " maar niet b.v. Hitler of Goebbels of Nasser.

Blijkbaar ziet men van de nazi's duidelijk het goddeloze en antichristelijke, maar wil men dit van het communistische systeem niet zien.

Nu vele vertegenwoordigers van allerlei kerken zo eenzijdig rassendiscriminatie scherp veroordelen, zonder te wijzen op het veel grotere onrecht dat b.v. in China geschiedt (we kunnen denken aan de terreur van de Rode garde), wekt men op zijn minst de schijn van oneerlijkheid. Aan zulk een oneerlijkheid en onbillijkheid ontkomt dit boek van Cox ook niet.

We menen dat Arntzen hier terecht de vinger legt bij een veelvoorkomend verschijnsel. Zeker, wij mogen niet in een kritiekloze Amerikaverheerlijking vallen, en nog minder de kritiek van het evangelie op het vrije Westen tot zwijgen brengen. Wij mogen ook niet blind zijn voor wat de kerk en de christenen in communistische landen doen. Maar we vrezen alleen dat velen uit reactie thans vervallen in een al te idealistische kijk op het communisme.

De bijbelse toekomstverwachting.

Van belang is ook wat Arntzen schrijft over de vereenzijdiging die bij Cox te bespeuren valt t.a.v. de Bijbelse boodschap. Een hopen op een eeuwig leven na dit leven is bij hem en bij Velen een kwalijke zaak. Is dit bijbels?

Er is meer in dit boek, dat tegenspraak uitlokt. B.v. dat het heil zo wereldlijk is. We geven dadelijk toe, dat men de zaligheid wel eens al te veel vergeestelijkt heeft. Die versregels: „'t Hoofd omhoog en 't hart naar boven, hier beneden is het niet" zijn ook eenzijdig. Eenzijdig naar de andere kant. Kuyper heeft zijn drie delen geschreven over de gemene gratie, en zijn doel daarbij was ook een injectie te geven tegen vals spiritualisme. Gods liefde en zorg gaan ook uit naar deze wereld.

Maar we moeten niet in een ander uiterste vallen. Harvey Cox lijkt bezeten van de gedachte, dat alles „gedespiritualiseerd" moet worden. Van een hopen op de zaligheid „na dit leven", van een „innerlijke vrede" in het hart moet hij niet veel hebben.

Dit alles komt wel overeen met de geest van deze tijd. In allerlei toonaarden wordt gezongen, dat het heil „aards" is. Men legt er heel sterke nadruk op, dat Jezus echt mens was, vaak ten koste van zijn godheid.

We zeiden, dat Cox zich op de Bijbel beroept. En zijn Schriftgebruik is vaak juist. Maar hij laat toch veel uit Gods Woord liggen. Een tekst b.v. als 1 Petr. 5 : 10 zegt, dat God ons geroepen heeft tot zijn eeuwige heerlijkheid, nadat wij een korte tijd zullen geleden hebben. De Bijbelse toekomstverwachting is inderdaad de hoop op een rijk zonder zonde en leed, na dit leven. Daar wordt door Harvey Cox niet op gewezen, en dit is een wezenlijk gemis in zijn boek.

De toekomstverwachting van Cox is een betere samenleving, die we in onze vrijheid zelf moeten verwerkelijken.

De Bijbelse toekomstverwachting is rijker dan Cox weergeeft. Koninkrijk Gods en een betere samenleving zijn voor hem a.h.w. identieke begrippen. Maar wie zo spreekt, ontkomt niet aan een humanisering van het evangelie, waarin de hoop op de toekomst helemaal binnen de horizont van dit leven blijft, en het sociale en het maatschappelijke het een en het al is. Verzoening met God, bekering tot Hem, geloof in Jezus Christus, schuldbelijdenis en vergeving verdwijnen nagenoeg uit de gezichtskring of worden „vertaald" in horizontale categorieën.

Kerk en wereld.

Het standpunt van Cox laat ook geen ruimte voor een onderscheid tussen kerk en wereld. De uitverkiezing als het hart van de kerk wordt in zijn beschouwingen totaal verwaarloosd.

Zegt Cox, dat God de wereld bemint, en niet de kerk, dan kunnen we dit maar moeilijk beamen. Is dit te rijmen met Efeze 5, waar Paulus de gemeente de bruid van Christus noemt? Zou de Here zijn duurgekochte gemeente niet liefhebben? Bovendien houdt Cox er helemaal geen rekening mee, dat de gemeente uit de wereld is verkoren. Er loopt een grens tussen kerk en wereld, en daarvan wil Cox niet weten.

Wel zijn we het weer met hem eens, dat wij tenslotte niet weten, wie christen zijn. Als iemand zegt, Christus te belijden is dit tenslotte geen waarborg, dat hij het ook in werkelijkheid is, en iemand, die zegt Hem te verwerpen, kan een kind van God zijn (zie pag. 108). Maar daarom loopt die demarcatielijn er wel.

In het laatste nummer van het Gereformeerd Theologisch Tijdschrift (mei 1967, pag. 109 w.) heeft prof. J. v. d. Berg een lezenswaardig artikel geschreven: „Theologie van de stad". Dat ging over het andere boek van Cox, de stad van de mens. Naast waardering heeft prof. v. d. Berg toch ook ingrijpende kritiek op Cox. De realiteiten van schuld en nood ontbreken te veel (a. art. pag. 124).

Om nu terug te keren tot „Gods revolutie", bij (Cox komt God veel te veel in de schaduw te staan, en de mens en zijn wereld treden op de voorgrond.

Uiteraard vallen wij de schrijver ook bij, als hij erop aandringt, dat we streven moeten naar vrede en sociale gerechtigheid. Alleen de manier waarop Cox dit wil kan de onze niet zijn. Waarom moet men zich altijd eenzijdig afzetten tegen de politiek van Amerika?

Ook houdt Cox niet genoeg rekening met de diepe verdorvenheid van de mens. Wel zullen we met alle kracht streven naar vrede, maar we weten, dat het hier op deze aarde maar zeer ten dele te verwezenlijken is. En de gemeente van Christus moet, meer dan Cox ons leren wil, uitzien naar de grote vrede van onze Here Jezus Christus, die Hij zal geven, wanneer Hij komt op de wolken des hemels.

We hebben met opzet dit artikel nagenoeg in zijn geheel hier opgenomen. Wie zich zet aan de lezing van Cox' boekje doet er goed aan de kritische notities van dr. Arntzen er bij te betrekken. Wie op de hoogte wil blijven van allerlei eigentijdse opvattingen kan in dit BBB boek van Cox uitstekend terecht. Wie een boek zoekt dat zijn inzicht in de Bijbelse boodschap verdiept, zal het teleurgesteld uit handen leggen.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's