BOEKBESPREKING
Eduard Heimaim, THEOLOGIE DER GESCHICHTE, Ein Versuch, 256 S., In., DM 16, 80. Kreuz-Verlag, Stuttgart-Berlin.
De schrijver is o.a. met P. Tillich uit het nationaal-socialistische Duitsland naar Amerika geëmigreerd en vandaar in 1958 weer naar Duitsland teruggekeerd. Hij is professor in Hamburg. Hij is geen theoloog, maar econoom. Heimann is beïnvloed door beroemde theologen: Paul Tillich, Hendrik Kraemer en Reinhold Niebuhr. Verder hebben hem geholpen: Eugen Rosenstock-Huessy, Carl Mayer e.a.
In de inleiding gaat de schrijver de verhouding volk of gemeenschap èn individu in het O.T. en in het N.T. na.
Daarna komt de verhouding openbaring en geschiedenis aan de orde. Daarbij onderscheidt de schrijver de woorden van Jezus en de apostelen, wat niveau betreft. Waar de waarheid de tijd binnentreedt, is de kairos. Zij (bepaalt bij haar binnentreden de loop der geschiedenis normgevend). Openbaring brengt de geschiedenis opgang. In de voortgang van de geschiedenis is liet geheim: de logos. Deze logos kan niet door de ratio vervangen worden. Dan zou de ratio buiten haar gebied treden. De logos stuwt de geschiedenis en brengt veranderingen en vernieuwingen., Het kwaad wordt niet in de geschiedenis overwonnen, maar God overwint het aan het einde!
In een hoofdstuk over de theologische exegese gaat Heimann allerlei theologische vragen langs: overheid, vrouwenvraagstuk enz., en verwijt Bultmann en Earth, dat zij veel te weinig de huidige vragen: hongergebieden, leeftijdsverschillen in Oost en West (± 30 en ± 70 jaar) uit de weg gaan. De ethische vragen zijn sociaal ethische vragen.
Bij een hoofdstuk over de schepping merkt de schrijver op, dat geschiedenis het tweede deel is van de schepping. Het kwaad is bijkomend. In de schepping zijn de normen ingebouwd. Daaronder neemt de gerechtigheid een voorname plaats is. Daarom wordt de Schepper de God der gerechtigheid genoemd. De geschiedenis komt uit Gods hand en keert daarheen terug. Het is de geschiedenis van Jezus Christus, de Zoon van David, de Zoon van Abraham.
In het proces van de geschiedenis volgt de ene gestalte de andere op. Hierbij keert Heimann zich tegen Plato en Aristoteles, die de wereld als een gegeven en hun veranderingen als secundair beschouwen. De wet brengt de schepping tot haar voltooiing. Geloof aan de schepping sluit het geloof in de wet in. De overeenstemming van de wet van Mozes met die van andere volken bevestigt het scheppingskarakter van de wet.
In zekere zin kan men van natuurrecht spreken. In dit verband wijst Heimann de eenzijdige visie van Luther ten aanzien van de wet af.
In het vierde hoofdstuk gaat de schrijver in op de geschiedenis en de heilsverwachting. Daarin komt de wet ter sprake. Het thora-karakter wordt dik onderstreept. Het paulinisch gebruik van de wet blijft in de schaduw. Israël leeft vanuit de toekomst. Wij vinden dit in geseculariseerde vorm vandaag terug. De geschiedenis is op het heil betrokken. Dit is in de bijbel duidelijk, zelfs aan de omtrek van veel menselijk gedoe.
De schrijver (niet-theoloog) zit met allerlei vragen over de ineenvlechting van historische waarheid en „Dichtung". Hij neemt een nogal critisch standpunt in. Duidelijk geeft hij het verschil aan tussen de Griekse en de Bijbelse geschiedsbeschrijving. De laatste heeft geschiedenisbewustzijn en is doelgericht. Spengler heeft aan het moderne heidendom weer een historische basis gegeven. Tenslotte behandelt hij de kairos-gedachte van Tillich.
In het vijfde hoofdstuk is er een excurs over de triniteit en de logos. Heimann spreekt dialectisch over liefde en almacht. De namen: Vader, Zoon en Heilige Geest blijven, maar of zij bij hem de volle Bijbelse inhoud behouden? Heimann spreekt van Almacht, Al-liefde en de Geest die van beiden uitgaat.
In hoofdstuk zes gaat het over Geest en macht. De Geest werkt scheppend in de geschiedenis. De mens kan aan boze geesten vervallen!
In de laatste hoofdstukken, die handelen over: Waarheid en weten, Wetenschap en macht en geschiedenisbewustzijn en geloof rondt de schrijver zijn gedachten af.
Geschiedenis is voortzetting van de schepping. Behalve sommige kaarsrechte stukken zijn er telkens vernieuwingen, nieuwe mogelijkheden. Dat maakt op ons de indruk van het stuksgewijze. De verlossing daarvan ligt in het Koninkrijk Gods.
De mens heeft de opdracht gekregen om de aarde aan zich te onderwerpen. In dit verband behandelt de schrijver het „tweeërlei weten" van geloof en wetenschap.
Verder: de geschiedenisversnelling, die geen parallellen geeft. Het geschiedenisbewustzijn is verhoogd, omdat men kritisch-nationalistisch in de geschiedenis staat. Men is het doel van de geschiedenis kwijt! God is teruggetreden. Zijn attributen: waarheid, gerechtigheid en vrede blijven in een geseculariseerde vorm over: De wereld van vandaag wordt niet door de traditionele autoriteiten: Kerk en staat bepaald, maar door de maatschappij. Vooruitgang is nog geen geschiedenis, soms het tegendeel. Het geschiedeniskarakter van liberalisme en marxisme wordt gepeild. Er is een gradueel, geen principieel verschil: God is zonder werk, de mens regeert. De toekomst brengt voor deze stromingen niets nieuws!
Het echte geschiedenisbewustzijn moet èn verleden èn toekomst omvatten. De schepping is niet uitgeput, de geschiedenis gaat verder. Maar geen enkel volk blijft altijd, behalve dan Israël!
Zonder geloof is de geschiedenis niet te verstaan! Daarvoor moeten wij de afkomst en de toekomst van de mens kennen. De schrijver besluit met: Credo, ut intelligum.
Dit is een belangwekkend boek, ook al zet ge bij menige theologische, exegetische en dogmatische opmerking een vraagteken. Het diepe verband tussen de heilsgeschiedenis en de geschiedenis houdt de schrijver diep bezig.
Dit werk, dat niet zo gemakkelijk te lezen is, is waard bestudeerd te worden. Er zitten zeer waardevolle stukken in.
HET EVANGELIE VAN DE VERZOENING, dr. A. F. N. Lekkerkerker, ing., 157 blz., B.B.B.-serie, prijs ƒ3,25. Bij intekening ƒ 2,50. Bosch en Keuning, Baarn.
In deze serie verscheen een handzaam boekje van prof. Lekkerkerker.
In het eerste hoofdstuk gaat hij op verkenning naar de nieuwe interpretaties. Daarbij passeren prof. Smits, Vestdijk en Bultmann de revue. Het vraagstuk van de verzoening blijkt het vraagstuk van de Schrift te zijn. Over het tegenover elkaar stellen van plaatsvervanging en participatie door prof. Smits worden de nodige kritische opmerkringen gemaakt zowel aan het adres van prof. Smits als van de rechtzinnigheid, die te weinig preekt over het deelnemen aan het lijden van Christus. Op de „Entmythologisierung" van Bultmann, op „Honest to God" van Robinson en op de systematische theologie van Tillich gaat de auteur nader in. Hij laat de samenhangen zien met de beroering over de verzoening in Nederland.
In het tweede hoofdstuk geeft de schrijver een inventarisatie van de bezwaren tegen de belijdenisgeschriften en tegen de Schrift. In het kort behandelt hij de standpunten van Korff en Brouwer.
In het derde hoofdstuk laat dr. Lekkerkerker zien, dat de bewogenheid in de discussies over de verzoening een heenwijzing is naar de bewogenheid van God Zelf. Veel schriftplaatsen, vooral uit het Oude Testament, bewijzen dit.
Er is een leer van de verzoening. In leer mogen wij God verheerlijken. Zo deed ook Anselmus dit. De Bijbelse leer van de verzoening geeft de communicatie tussen mensen. Het leven uit de verzoening te stellen tegen de leer van de verzoening is onbijbels. Deze leer leidt tot een nieuw ethos, een nieuw handelen.
In hoofdstuk IV ontvangen wij een dogmenhistorisch overzicht vanaf de vroeg christelijke kerk tot en met Barth. Een leerzaam stuk!
In hoofdstuk V krijgen wij een situatietekening van onze tijd: Israël en de volkeren, de muur in Berlijn, gevolgd door een uiteenzetting van een ethiek van het straffen. Het boek van Bianchi wordt besproken.
Na de bespreking van de aanknopingspunten krijgen wij een overzicht van de aspecten van de verzoening in het Oude en het Nieuwe Testament.
Daaruit is veel te leren. Prof. Lekkerkerker is niet eenlijnig, maar tracht recht te doen aan de vele gegevens van de Schrift. Aan het slot is er een samenvattend hoofdstuk over de prediking van de verzoening.
Tijdens het lezen stootte ik op een opvatting van de verkiezing, van de reikwijdte der verzoening, van een gaan tot aan de rand van het theopaschitisme (de lijdende God) van een inclusieve plaatsvervanging en van een opvatting van de participatie die m.i. de Bijbelse verbanden geen recht doet. Daarover zou veel te schrijven zijn, maar dat komt wellicht breder aan de orde, wanneer het herderlijk schrijven over de verzoening, dat grotendeels van de hand van deze auteur is, gepubliceerd wordt.
Intussen kan de lezer kennis nemen van dit boekje, waarin indrukwekkend veel materiaal wordt aangedragen en geordend.
Over de opzet en indeling van dit boekje, maakt de schrijver zelf kritische opmerkingen. Hij schrijft ergens, dat de eerste hoofdstukken het gesprek met de tijd weergeven en dat hij daarna het Oude en Nieuwe Testament laat spreken. Op deze methode is inderdaad kritiek mogelijk.
Dit boekje geeft veel informatie en confrontatie.
Katwijk aan Zee G. Boer
T. E. N. Ozinga, SCHEPPING EN HERSCHEPPING IN DE VIJF BOEKEN VAN MOZES. Uitgave Oosterbaan & le Cointre N.V., Goes, 1967; 179 pagina's; prijs ƒ5,25.
De schrijfster die als lerares Engels is verbonden aan de Chr. H.B.S. te Middelburg, verbleef in de jaren 1953-1957 aan Westminster Theological Seminary in Philadelphia (V.S.) waar zij de studie voor de Bachelor of Divinity graad voltooide. Ze heeft het boekje geschreven uit aantekeningen over onderwerpen uit de eerste vijf Bijbelboeken, die ze in de loop der jaren heeft behandeld voor diverse bijbelkringen, een middelbare schoolklas en een gereformeerde vrouwenvereniging.
Allereerst gaat ze in op het auteurschap van de eerste vijf Bijbelboeken waarbij ze tot de conclusie komt dat Mozes inderdaad de auteur is geweest. Vervolgens komen verschillende theoriën aangaande het ontstaan van genoemde boeken aan de orde, met name de documententheorie, de ontwikkelingstheorie en de vormhistorische theorie, die alle worden afgewezen aangezien het bovennatuurlijke van de goddelijke openbaring erin wordt ontkend en er alleen sprake is van openbaringskarakter bij de gratie van het geloof van de mens. Daarom wordt in een apart hoofdstuk aandacht besteed aan het bovennatuurlijke karakter van de Schrift waarbij behartenswaardige dingen gezegd worden over het wonder.
Uitvoerig worden ook de eerste 11 hoofdstukken van Genesis behandeld. Op grond van het vierde gebod wordt de zgn. kaderopvatting im Frage gesteld, terwijl de schrijfster ook opkomt voor het feitelijke karakter van de Schriftgegevens uit deze hoofdstukken aangezien met name de Apostel Paulus op verschillende zaken terugkomt. Fijnzinnig merkt de schrijfster in dit verband nog op dat de existentialistische schriftuitleg (Bultmann) in deze vaak op het allegorische af is. Overigens wordt ook het vergeestelijken van de historie afgewezen met anderzijds een pleidooi voor het heilshistorische karakter ervan. De vraag is in dit verband of het dan illegitiem is om in de gang die God met Zijn volk Israël houdt mede een beeld te zien van het leven der gelovigen.
Verhelderend is verder dat gedeelte van het boekje waarin het verbond, de wetgeving en de Israëlitische eredienst aan de orde komen. Met grote eerbied voor het getuigenis der kerk (H.C.) worden deze zaken belicht en tot leven gebracht.
Aan het eind van het boekje geeft de schrijfster nog enkele punten uit de evolutieleer weer, waarbij ze zich voornamelijk oriënteert op R. Hooykaas. Wat dit betreft moet worden opgemerkt dat deze beschrijving te summier is om te kunnen spreken van een confrontatie met de geloofsvragen die hier liggen. Dan zou de evolutie in het bredere verband van het moderne natuurwetenschappelijke denken aan de orde gesteld moeten zijn. De bedoeling van de schrijfster was echter om de bijbel te verstaan zonder welke gekleurde bril dan ook.
Er blijven nog wel enkele vragen over. Met bepaalde exegeses is de schrijfster wel eens wat snel „klaar"; met name geldt dit t.a.v. de dagen in Genesis 1, waarbij o.a. het veertiende vers niet aan de orde komt. Verder lijkt het me wat hachelijk om in de Schrift te gaan speuren naar het moment waarop het actualiteitsbeginsel in werking trad, omdat zo het gevaar groot is dat natuurwetenschappelijke zaken worden ingelezen in de Schrift. Bovendien is het verband dat gelegd wordt tussen actualiteitsbeginsel en voorzienigheid onduidelijk. En tenslotte wil ik erop attenderen dat de schrijfster zegt dat bij ons de termen „gehoorzaamheid" en „wet" in diskrediet zijn. Het lijkt me van belang als aangegeven wordt wie met „ons" worden bedoeld.
Deze opmerkingen nemen niet weg dat het boekje een waardevolle bijdrage is om de „leek" in te leiden in de eerste Bijbelboeken. Van harte aan bevolen.
J. van der Graaf
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's