De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Dordtse Leerregels

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Dordtse Leerregels

Hoofdstuk V. — Artikel 11.

10 minuten leestijd

 

Ondertussen getuigt de Schrift, dat de gelovigen in dit leven, tegen onderscheidene twijfelingen des vleses strijden, en in zware aanvechting gesteld zijnde, dit volle betrouwen des geloofs en deze zekerheid der volharding niet altijd gevoelen. Maar God, de Vader aller vertroosting, laat hen boven hetgeen zij vermogen, niet verzocht worden, maar geeft met de verzoeking ook de uitkomst; en wekt in hen de verzekerdheid der volharding door de H. Geest wederom op.

Twijfelingen des vleses.

Het schijnt, dat sommigen leren, dat alleen een verzekerd geloof een echt geloof is. Theodorus van Thuilen heeft geleerd, dat het geloof zelf wezenlijk alleen bestaat in het verzekerd vertrouwen, dat wij met God verzoend zijn en vergeving der zonden hebben ontvangen. Ik zou eer zeggen, dat dit tot de geloofstoppen behoort, waar ieder naar streven moet. De Heere Jezus heeft gezegd: „Strijdt om in te gaan door de enge poort." Wat is de poort, die tot de zaligheid voert? Is dat de heiligmaking? Is dat de nauwe onderhouding van Gods geboden? Ik dacht, dat er maar één poort was n.l. het geloof in Christus. Om dat geloof te beoefenen moet ononderbroken gestreden worden. Soms lijkt het of we er zijn. Dan beantwoordt de gelovige ten volle aan de uitspraak van Calvijn in Inst. III, 2, 16: „In summa, daar is niemand waarlijk gelovig, dan alleen diegene, die door een grondige en zekere kennis overtuigd en verzekerd zijnde, dat God hem een genadig en goedgunstig Vader is, van Zijn goedertierenheid zichzelf alle goeds belooft: en die op de beloften van Gods goedgunstigheid voor hem vertrouwende, een ongetwijfelde hoop der zaligheid heeft."

Dat is de moeite nogal waard. Maar is dat nu de praktijk van het leven der kinderen Gods? Het is gemakkelijk om te zeggen hoe het moet zijn. Maar is het ook zo? Helemaal niet altijd, zegt Calvijn. De gelovigen gevoelen en bevinden vrij wat anders. Zij worden dikwijls met ongerustheid gekweld. Doch daar blijft het niet eens bij. Somtijds worden Gods kinderen in hun geloof met zeer zware verschrikking geslagen en geschud. Het geloof moet dus wel zeker en gerust zijn, maar is het niet en toch blijft de gelovige een gelovige.

We leren in Inst. III, 2, 17: „Voorwaar wanneer wij leren, dat het geloof zeker en gerust moet zijn, zo hebben wij niet in de zin te spreken van zulk een verzekerdheid, die door geen twijfel geraakt wordt, noch van zodanige gerustheid, welke door geen bekommering wordt overvallen: wij zeggen veeleer, dat de gelovigen een voortdurende strijd hebben met hun eigen wantrouwen. Zover is het daar vanaf, dat wij hun gewetens zouden stellen in enige stille rust, dewelke door gans geen beroerten zou verbroken worden."

De ervaring leerde toen en leert ook nu, dat er veel twijfelingen in de gelovigen zijn. Dan is het ver van de zekerheid. Maar het is niet alleen de ervaring die zulks leert, het is niet minder de Schrift. De verzekering des geloofs is blijkbaar geen volmaakte verzekerdheid. Integendeel, het is vaak een verzekerdheid vol twijfel. Men moet ook hier met twee woorden spreken: zekerheid en onzekerheid komen samen voor. Het is of ze — en dan bij de sterke gelovigen — elkaar afwisselen. David geeft, zegt Calvijn, door talloze klachten te kennen, dat hij niet altijd gerust van hart is geweest. Zo sprak Israëls koning: Ik zeide wel in mijn haasten, ik ben afgesneden van voor Uwe ogen" (Psalm 31 : 23). Asaf was ook ver van de zekerheid toen hij in Psalm 77 : 10 klaagde: Heeft God vergeten genadig te zijn? Heeft Hij Zijne barmhartigheden door toom toegesloten? " Uit 1 Thess. 1 : 5 zou men kunnen afleiden, dat er in de verzekerdheid trappen zijn, want de apostel 2; egt daar: Ons Evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht en in de H. Geest en in veel verzekerdheid." Dan moet er ook wel een stadium zijn met weinig verzekerdheid. In elk geval leren we van Heman een psalm, die men moeilijk gebruiken kan om te bewijzen, dat alleen verzekerd geloof echt geloof is. Daar is geen letter verzekerdheid in, maar ik zou niet durven zeggen, dat Heman een man zonder geloof was. Nochtans betuigt hij: Van der jeugd aan ben ik doodbrakende en bedrukt; ik draag uw vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig" (Ps. 88).

Waar is dan het geloof? Dat openbaart zich niet in zekerheid maar in gebed. Het is verborgen, maar het is er wel. De gelovige ziet meer ongeloof dan geloof en toch weet hij van zijn geloof, maar dan op de manier van de vader uit Mc. 9 : 24: Ik geloof, Heere, kom mijn ongeloof te hulp."

Calvijn merkt bij Psalm 88 : 16 op: Aangezien er nu niets ontzettender is, dan te weten, dat God in toom tegen ons is ontstoken, is het niet zonder reden, dat hij zijn benauwdheid vergelijkt bij een watervloed. Vandaar komt ook de twijfel, want het kon niet anders of de bewustheid van Gods toom moet zijn hart door een schrikkelijke onrust hebben gepijnigd. Nu vraagt men echter, hoe dit wankelen samen kan gaan met geloof? En inderdaad als het hart in twijfel en onzekerheid is, of liever ginds en her wordt geslingerd, dan schijnt het geloof te zijn verzwolgen. Maar de ondervinding leert ons, dat het geloof, wanneer het door zulke beroeringen als het ware heen en weer dobbert, toch weder van tijd tot tijd boven zal drijven, opdat het niet verzinke; en zo het soms ook al onderdrukt wordt, toch wordt het in het verborgen gevoed en gekweekt."

Calvijn stelt dus, dat het geloof zo goed als onder water kan geraken en in Inst. III, 2, 17 stelt hij, dat het lijken kan, voor de gelovigen, alsof hun geloof uitgeroeid, neergeveld is. Zover is het er vandaan dat het gelovige een gedurige zekerheid bezit. Nochtans zijn de gelovigen gelijk aan onze Zeeuwen: Zij worstelen en komen boven. Maar dat is vaak een lange weg en ook als de zekerheid weg is, is er toch geloof. „Dewijl zij van hun eigen zwakheid goed kennis hebben, zo bidden zij met de profeet: „En rukt het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer." Met welke woorden wij geleerd worden, dat zij somtijds verstommen, gelijk alsof haar geloof terneder geveld ware. En dat ze nochtans niet bezwijken of de rug toekeren, maar hun strijd vervolgen, en hun traagheid met bidden opscherpen, opdat ze tenminste met henzelf toe te geven, niet ongevoelig zouden worden."

Dus de gelovige moet verzekerd zijn, doch is het heel vaak niet. Hoe kan dat nu? Hier wijst Calvijn op de twijfelingen des vleses, waarvan artikel 11 spreekt. De mens is immers vlees en geest. Dit baart ongeloof en geloof. In de harten der gelovigen is de verzekerdheid meestal met ongeloof gemengd. Maar aan het einde van de strijd wint het geloof. Calvijn zet dit uitvoerig uiteen in Inst. III, 2, 18, waar hij over de (sterk) gelovigen handelt. Men kan hieruit afleiden, hoe het dan met de zwakgelovigen is, waar altijd veel vlees is, maar het geloof veel zwakker. En toch is er ook bij de zwak-en kleingelovigen waar geloof, al ziet de gelovige dat zelf vaak niet. Gelijk bij Heman zit het er onder.

Hier is Calvijn. „Het godzalig hart voelt in zich een verdeling, dat het eensdeels vanwege de kennis van Gods goedheid met zoetheid doorgoten en aan de andere kant vanwege het gevoel zijner ellende met bitterheid benauwd wordt; dat het eensdeels op de belofte van het Evangelie berust en anderdeels door het getuigenis van zijn ongerechtigheid verbaasd is; dat het enerzijds door 't beseffen des levens van vreugde opspringt en anderzijds voor de dood verschrikt is. Welke verwisseling uit de onvolmaaktheid van het geloof ontstaat, vermits het nimmermeer in de loop van dit tegenwoordige leven met ons zo wel gaat, dat wij van alle ziekte van het wantrouwen genezen zijnde, met het geloof vervuld en bezeten worden. Hieruit komen die strijden voort, wanneer de ongelovigheid, die in de overblijfselen van het vlees steekt, zich verheft, om het geloof, dat in ons ontvangen is, te bevechten.

Maar indien dan alzo in een gelovig hart de verzekerdheid merendeels met twijfel vermengd is, vervallen wij dan niet altijd wederom daarheen, dat het geloof niet bestaat in een zekere en klare, maar alleen in een duistere en twijfelachtige kennis van Gods wil ten onzent? In het minst niet. Want al is 't dat wij door verschillende gedachten her- en derwaarts getrokken worden, zo worden wij daarom niet terstond afgetrokken van het geloof. En hoewel wij door het drijven van het mistrouwen op en neer geworpen worden, zo worden wij daarom nog niet in de afgrond van het ongeloof gestort. Al is het ook, dat wij aanstoot lijden, daarom worden wij niet terneder geworpen. Want dit is altijd het einde van deze strijd, dat het geloof al de zwarigheden door wier beklemmingen het gevaar schijnt te lopen, doorworstelt en te boven komt."

Het is duidelijk, dat Calvijn veel weet van de strijd des geloofs. Hoe diep is de afgrond, waarin de gelovige met zijn geloof soms zit. Maar hij blijft een gelovige. Hij komt er weer uit. Maar hij is er niet altijd uit. Wat mij in dit verband trof is de betuiging, die ik de laatste weken herhaaldelijk tegen kwam: dominee, je hebt mensen die nooit twijfelen. Ze zeggen maar, dat het echte geloof altijd verzekerd is en dat een waar gelovige zijn God nooit verdenkt en nooit bang is. Ik weet niet onder welke prediking de mensen in deze geest onderwezen worden, maar het heeft niets met de H. Schrift en niets met de Reformatoren te maken. De gelovige is een man van op en neer, maar hij houdt in de bangste twijfel aan God vast. De twijfel is bijna nooit weg, zegt Calvijn, maar het geloof is nooit helemaal weg. Dat is echter in de regel niet het geloof van de tekst: „Ik weet en ben verzekerd", uit Rom. 8. Het geloof is in de regel met twijfel gemengd, naar het eigen woord van Calvijn: (Verum si) in fideli mente certitudo permixta est dubitatione d.w.z. in het gelovige hart is de verzekerdheid met twijfel door en door vermengd.

Het is dus een uitzondering die de regel bevestigt, als de zekerheid niet verduisterd wordt door enige twijfel. Zo is het bij de christen in de praktijk, maar dit doet niet af aan het feit, dat het geloof in zijn wezen zekerheid is. De twijfel is niet een deel van het geloof, wel van de gelovige. Die twijfel zit in verband met het vlees. Heeft nu het geloof, dat uit de Geest geboren is, de overhand, dan juicht het hart, als dat voor het eerst plaats heeft, dat er een druppel geloof in onze ziel valt, wordt een grote rust geboren. Calvijn spreekt in III, 2, 20 van een klein druppeltje van het geloof en hij zegt in 19: „Zo haast als ook de allerminste druppel des geloofs in onze harten is ingedrupt, zo beginnen wij reeds Gods aanschijn vreedzaam en liefelijk en jegens ons goedertieren te aanschouwen."

Het is dus echt wel bevinding waar Calvijn over spreekt en niet redenering. Het geloof valt in de ziel als een druppel op de tong van de dorstige. Praktisch kan dit moeilijk anders bedoeld zijn dan dat een Woord Gods in de ziel valt dat met geloof gemengd is. Ons artikel spreekt van de twijfelingen des vleses en van dé aanvechtingen des satans. Wij blijven nu bij de eerste en verstaan er onder de twijfels, die uit het zijn en blijven van de zondige aard opkomen of uit het zijn en blijven van bepaalde boezemzonden als hoogmoed, eigen eer zoeken, lust tot gierigheid of tot wellust. Als een gelovige op zichzelf ziet, dreigt hij met Petrus in de golven te verzinken.

Hoe velerlei twijfelingen des vleses ons kunnen bespringen is niet te zeggen, maar het is wel de moeite waard, lijkt me, voor de twijfelende gelovigen onder ons, er apart op in te gaan.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Dordtse Leerregels

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's