De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De boodschap der verzoening in de geschiedenis

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De boodschap der verzoening in de geschiedenis

6 minuten leestijd

IV.

Tot in deze tijd zijn er kennelijk theologen, die in het verzoeningswerk van Christus alleen maar goddelijke liefde zien. Het begon met Abaelardus, de tegenstander van Anselmus, in de middeleeuwen en, zoals we de vorige keer gezien hebben, de nieuwe catechismus die uitgegeven is in opdracht van de Nederlandse bisschoppen gaat in dezelfde lijn. Wanneer er mensen zijn, die dit op zijn minst eenzijdig vinden, krijgen ze al gauw de beschuldiging te horen: heidendom — alsof God van mening veranderd zou moeten worden, alsof wij mensen Hem zouden kunnen veranderen met offers of op een andere manier.

Dit verwijt klinkt heel sterk. En dan wordt het voor ons erg moeilijk, want in de belijdenisgeschriften en in de werken van gereformeerde theologen wordt niet alleen gesproken over Gods liefde. Er is ook sprake van Gods toorn. En als men gaat uitleggen, welke betekenis het werk van de Middelaar heeft, dan wordt er heel argeloos gesproken over het stillen van Gods toorn (art. 21 NGB) en over de verlossing van de toorn Gods (Leerregels I. 4). Maar nu is er het moeilijke voor de tegenstanders, dat er evenzeer sprake is van Gods vóórkomende liefde, die aan ons zijn Zoon doet schenken. Zie hiervoor vooral van de Ned. Geloofsbelijdenis artikel 17, maar ook 20 en 26.

Vandaar dat het meest eerlijke verwijt is, dat de anselmiaanse verzoeningsleer zoals deze is ontwikkeld in de gereformeerde theologie veel te ingewikkeld is. „Het betoog schuift van de toorn naar de liefde en van de liefde naar de toorn" (Korff). Je mag dus niet spreken van heidendom al is het niet zuiver bijbels, aldus deze kritiek.

Het antwoord van Calvijn.

Door de haast volmaakte kritiek van de Socinianen was Calvijn gedwongen om zich over deze moeilijkheden uit te spreken. Inderdaad, zegt hij, het schijnt niet te kloppen als je zowel over Gods liefde als over zijn toom spreekt. God geeft ons in zijn Zoon het pand van zijn liefde, hoe kan Hij tegelijk op ons zondaren vertoornd zijn? Toch spreekt Calvijn van enige schijn van tegenspraak en dat verdedigt hij ais volgt.

De bijbel bevat tweeërlei uitspraken, a. Steeds wordt gesproken over Gods vóórkomende en allesbeheersende liefde. Dat wij er zijn is een gevolg van zijn liefde en hoewel wij door eigen schuld zondaren geworden zijn, wil Hij zijn schepselen niet zomaar laten vallen. Hij wil niet dat wij verloren gaan. „Zo wordt Hij dan dus door loutere en onverdiende liefde tot ons opgewekt om ons in genade aan te nemen". (Inst. II. 16.3). En even verder — „Ja zelfs, omdat Hij ons eerst bemint, verzoent Hij ons daarna met zichzelf".

Op dezelfde wijze spreekt Calvijn in zijn commentaren. Ik wijs b.v. op zijn bespreking van 1 Joh. 4, 10: God werd niet door ons gebracht tot liefhebben. Hij was ons in alles voor. Hij is liefde uit eigen beweging. Daarom haalt Calvijn met instemming Augustinus aan, die o.a. zegt: „Dus beminde Hij (God) ons op wonderbare en goddelijke wijze, ook toen Hij ons haatte". (Inst. II. 16.4).

b. Luisterend naar de laatste woorden van dit citaat komen we op het spoor van een hele reeks andere uitspraken in Gods Woord. We komen toch telkens teksten tegen, die spreken van Gods vijandschap tegen de zonde, van Gods haat tegen de opstand die er gekomen is tussen de hemelse Vader en de verloren zoon enz. enz.

Maar hoe zijn deze gezegden te rijmen met dat rijke spreken van Gods liefde? Zoals we zagen, ziet Calvijn hierin niet meer dan een schijn van tegenspraak. Hoe dat mogelijk is? „Deze soort van uitspraken zijn aangepast aan ons begrip, opdat wij des te beter zouden begrijpen, hoe ellendig en rampzalig onze toestand buiten Christus is". (Inst. II. 16.2). En hoe zouden we anders echt dankbaar kunnen zijn? Juist om ons te brengen tot geloof in de Heiland, alleen om ons het te leren om Gods goedertierenheid en vaderlijke liefde in Christus te omhelzen, wordt ons met nadruk gezegd, dat God buiten Christus op ons „enigszins vergramd is".

Deze uitspraken doen dus Gods liefde niet tekort, maar om het ons aan het verstand, aan het hart te brengen Iaat de Here zich ook op deze manier horen. Hij spreekt op menselijke wijze tot ons, wanneer Hij zegt, dat Hij gunstig is gestemd door het werk van zijn Zoon. Zo is het toch: „Voor zover het betreft het besef van ons geloof, begint God ons lief te hebben in Christus". (Comm. op 1 Joh. 4, 10).

Menselijk maar waar.

Nu zijn we geneigd om te zeggen: O, alleen maar menselijk, dus het is niet waar. Je hoeft deze uitspraken niet zo ernstig te nemen. Dus hebben de critici gelijk?

Neen, antwoordt Calvijn, zó moet u het niet zien. God spreekt op menselijke wijze ware dingen tot ons en we zouden heel dom dóen als we niet luisterden. Daarom schrijft hij: „En ofschoon dit gezegd wordt naar de zwakheid van ons begrip, is het toch juist. Want God, die de hoogste rechtvaardigheid is, kan de ongerechtigheid, die Hij in ons allen ziet, niet beminnen." (Inst. II. 16.3). Dat is het ware in deze uitspraken: Al heeft Hij ons lief. Hij kan niet zomaar met zondaren omgaan. Hij kan de zonde niet door de vingers zien. Er is een onverzoenlijke strijd tussen gerechtigheid en ongerechtigheid.

Hiermee zijn we terug bij het uitgangspunt van Anselmus: als je geen oog hebt voor de ernst van de zonde, heb je ook geen begrip voor het werk van Christus. En dit uitgangspunt is door de reformatie overgenomen. Er wordt niet tekort gedaan aan Gods grote zondaarsliefde, maar tegelijk wordt duidelijk gezegd, dat Gods gerechtigheid een onverzoenlijke strijd voert met de ongerechtigheid van de mens. Wij mensen zijn niet in staat om dit alles tot in de grond te doorzien — dat wil immers zeggen: tot in de grond van Gods hart. Hier stoten we op het mysterie, waarvan we al heel dikwijls hoorden. Maar het bleek, dat we ons niet te gauw op het geheimenis moesten beroepen. Zeker niet om bepaalde onmiskenbare gedaöhten van de bijbel op zij te schuiven.

Verlossing door recht.

Om deze beide werkelijkheden gaat het. Het zijn de beide werkelijkheden van Gods liefde en Gods gerechtigheid. We mogen geen tegenstelling tussen deze twee construeren, hoewel dat juist onder ons soms dreigt te gebeuren.

Als we alleen van Gods liefde spreken, blijft de kruisdood van Jezus een onbegrijpelijke zaak. Maar Gods wijst ons de weg: het kruis getuigt van onze zonde en van Gods gerechtig-Belijdend spreekt de kerk het in één zin uit — Gods eeuwige liefde en het verzoeningswerk van Christus waren nodig om zondaren te redden

Genderen. G. Bos

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De boodschap der verzoening in de geschiedenis

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's