De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

13 minuten leestijd

Deining rondom een hoogleraarsbenoeming.

Op 1 sept. a.s. zal de Amsterdamse hoogleraar Prof. Dr. E. L. Smelik met emeritaat gaan. Zoals u bekend zal zijn dient de synode in de opvolging te voorzien. Het beraad hierover is strikt vertrouwelijk. Toch is in dit geval de zaak voortijdig in de publiciteit gekomen. Immers enkele weken geleden verscheen in de pers het bericht dat de herv. synode Dr. K. Strijd als opvolger van Prof. Smelik heeft afgewezen. Niet diens wetenschappelijke kwaliteiten werden in twijfel getrokken. Maar de doorslag voor deze afwijzing gaf de politieke zienswijze van Dr. Strijd. Dr. Strijd is namelijk een vooraanstaand lid van de PSP, en stond bij de jongste kamerverkiezingen op de kandidatenlijst. Negen jaar geleden promoveerde hij met lof op een proefschrift over de middeleeuwse theoloog Anselmus aan de RU te Utrecht tot doctor in de Godgeleerdheid.

De afwijzing van Dr. Strijd heeft onder de studenten nogal wat ontstemming gewekt en men is daar begonnen met een handtekeningenactie. Nu rijst hier direct de vraag: „Hoe kwamen de studenten aan hun wetenschap? " Het strikt vertrouwelijke beraad is toch openbaar gekomen. Ergens is niet de juiste zorgvuldigheid betracht en moet een „lek" zitten. Hoe is deze kwestie in de pers gekomen?

Zorgvuldigheid niet betracht.

We kunnen begrijpen dat een scribent in „Hervormd Nederland" hier nogal over ontstemd is. In het nummer van 5 aug. lezen we o.m.:

Zoals elk bestuurslichaam heeft ook de synode het recht af te wijken van bij haar ingediende voorstellen. Het zou een teken van dictatuur van commissies èn van onmondigheid van de synode zijn als de laatste zomaar alle voorstellen zou overnemen. Dat klemt te meer bij een professorenbenoeming.

Juist omdat de synode èn de commissie theologisch hoger onderwijs kennelijk niet tot overeenstemming konden komen lag het voor de hand dat over dit beraad nu niets werd gepubliceerd. Zo iets gebeurt honderden malen. Waarom werd dan juist nu in twee bladen de noodklok geluid? De Groene zegt zelfs: „De Ned. Herv. Kerk heeft dit jaar haar synodale vergaderingen openbaar gemaakt door ze voor de pers toegankelijk te doen zijn. Wie meende dat hiermee de democratie bevorderd werd, heeft zich vergist. Dezer dagen is een staaltje binnenkamer-politiek bekend geworden, waaruit blijkt dat veel nog bij het oude is gebleven." Dat is een demagogische opmerking.

Dat studenten protesteren is begrijpelijk. Als iemand heimelijk hun sympathie heeft en hij wordt niet gekozen is dat voor hen een teleurstelling. Vooral als die iemand een man is, die zij kennen en die ze graag als hoogleraar zagen. Hij zal immers straks veel moeten bijdragen aan de vorming van hen en zij zullen in een levende relatie met hem hebben te leven (zeker in de kleine leefgemeenschappen, die onze theologische faculteiten zijn. Maar, toen de „lekkage" eenmaal een feit was geworden, was er dan voor de studenten geen andere weg mogelijk geweest om hun gevoelens kenbaar te maken? Wij denken aan rechtstreeks contact met al degenen, die bij deze zaak betrokken zijn! Door deze openbaarheid, kon men de zaak, waarom het gaat, wel eens minder gediend hebben, noch ten voordele van dr. Strijd, noch ten voordele van de synode.

Daarop hebben de Amsterdamse studenten per brief geantwoord (gepubliceerd in het no. van 19 aug. van „Hervormd Nederland") dat ze beslist niet bedoeld hebben de zaak publiek te maken. Hun hantekeningenactie wilde alleen steun geven aan de Commissie voor het Theologisch Hoger onderwijs, die de voordracht opstelt. We citeren uit hun brief:

Naar aanleiding van onze handtekeningenactie vraagt u ons in uw stuk van 5 augustus, of de Amsterdamse studenten geen contact hadden kunnen opnemen met de betrokkenen. Wel, dat is precies wat wij gedaan hebben. Wij stuurden de Commissie voor het theologisch hoger onderwijs — die de voordracht voor de synode opstelt — een brief, waarin wij haar tot dan gevoerde beleid steunden.

Terwille van de door ons hooggeschatte democratie wilden wij weten hoeveel hervormde studenten het met ons eens waren, vandaar de handtekeningenactie.

Met nadruk verklaren wij, dat publiciteit het laatste was wat wij zochten, juist om de zaak van de kerk niet te schaden. Met succes hebben wij Trouw en de Groene zover gekregen dat ze gedurende drie weken niets publiceerden. Toen echter buiten ons medeweten een op primeurs jagende free-lance journalist op 19 juli de kwestie via de TROS de ether in bracht, was de zaak „vrij" zoals dat heet. Niets kon verdere publicatie daarna meer tegenhouden.

We zouden hier uiteraard het nodige kunnen schrijven over persvrijheid, ethiek van de journalistiek etc. Journalisten jagen op primeurs! Dat laat zich verstaan, maar heeft deze primeurjacht niet ergens zijn grenzen, o. m. waar de naam van medemensen en waar een vertrouwelijk beraad in het geding is?

En dan: Heeft de kerk niet het recht om in vrijheid, zonder bindingen aan commissies e.d. haar eigen hoogleraren te benoemen? Gaat het aan om met een beroep op de democratie een handtekeningenactie inzake deze kwestie te verdedigen? Brengt men dan zelf de zaak niet in de publiciteit? Is het niet wat naïef om dan later te zeggen: Publiciteit was het laatste wat wij wilden?

Terecht schrijft Prof. Dr. G. P. van Itterzon in het „Hervormd weekblad „de Geref. Kerk" van 17 aug.:

Als de kerk zich in deze aan handtekeningenacties zou gaan storen, zouden we ver uit de koers raken. Niet alleen, omdat dan voortaan de studenten hun eigen leermeesters zouden gaan kiezen, maar vooral omdat we dan eerst recht onze kerkelijke benoemingen met politieke acties zouden gaan vermengen. Dan zouden in den vervolge de kerkelijke professoren op een wonderlijke plaats worden benoemd. Op straat.

De kerk en de universiteit van Amsterdam.

Mogelijk vraagt deze of gene zich af: Maar hoe kan het tot deze korstsluitingen komen? Kerkordelijk zijn er toch regels bij de benoeming van een kerkelijk hoogleraar. Inderdaad, Ord. 7 van de kerkorde spreekt er uitvoerig over. Maar Prof. van Itterzon laat zien hoe daarmee juist ten aanzien van de Gemeentelijke Universiteit niet alle moeilijkheden zijn opgelost.

Maar hoe nu in de Universiteit van Amsterdam? Op stoere wijze zegt Ord. 7-3-1, dat de benoeming van kerkelijke hoogleraren geschiedt door de generale synode. Dat betekent, dat de synode niet alleen aan de Rijksuniversiteiten, maar ook aan de Universiteit van Amsterdam alleen het recht van benoeming heeft. Voor alle vier faculteiten doet de commissie voor het theologisch hoger onderwijs aan de synode een aanbeveling met tenminste drie namen toekomen. Eèn aanbeveling. Niet, zoals die vroeger het geval was, een bindende voordracht, de synode kan zich aan deze aanbeveling houden en er iemand uit kiezen. Zij kan de aanbeveling ook naast zich neerleggen en een ander benoemen, van wie zij meent, dat juist hij de rechte man op de rechte plaats is. Dit recht, dat door de kerk aan de synode is toegekend, kan niemand haar met recht en reden ontzeggen.

Het komt mij echter voor, dat de zaken aan de Universiteit van Amsterdam enigszins genuanceerder liggen, dan aan de drie Rijksuniversiteiten. Als de kerk een kerkelijk hoogleraar benoemt, desnoods tegen alle overleggingen, adviezen en aanbevelingen in, accepteert het Rijk de nieuwbenoemde professor, en betaalt het zijn salaris. Het Rijk erkent de rechten der kerk in deze. Zonder meer. Zonder navraag. Zonder protest of informatie. Naar mijn smaak zouden de zaken ook in Amsterdam zo moeten liggen. Van Alphen's Nieuw Kerkelijk Handboek deelt ons echter mede, dat de kerkelijke professoren aldaar hoogleraar zijn aan de Universiteit van Amsterdam en „tevens" hoogleraar vanwege de Ned. Herv. Kerk.

Het is juist deze constructie, die bij een benoeming van een kerkelijk hoogleraar in Amsterdam voor de nodige moeilijkheden kan zorgen. Ik zeg niet, dat dit nu in feite het geval is, maar de gang van zaken is niet eenvoudig, als er mannen moeten worden gekozen, die niet alleen voor de kerk, maar ook voor de universitaire instanties aanvaardbaar zijn. Uit de Middeleeuwen kennen we het probleem van kerk en staat bij de benoeming van bisschoppen, levensgroot. Wie aan Oanossa denkt en aan al de spanningen, die er eeuwen lang om dit probleem zijn geweest, begrijpt wat we bedoelen. Als de kerken bij elke benoeming in Amsterdam een man moeten zoeken, die niet alleen door de synode mag worden benoemd, maar die ook, blijkens onderhandelingen, besprekingen of afspraken, aangenaam moet zijn hetzij aan de theologische faculteit, hetzij aan de curatoren, hetzij aan welke niet-kerkelijke instantie in Amsterdam dan ook, is de vrijheid der kerk in gevaar.

De Utrechtse hoogleraar legt hier de vinger bij een aangelegen punt: De vrijheid der kerk bij de benoeming van de hoogleraren der kerk. Dat daar natuurlijk tussen kerk en faculteit overleg is, dat er adviezen en aanbevelingen gegeven worden, laat zich verstaan. Tenslotte moet de kerkelijke hoogleraar werken binnen de theologische faculteit. Maar dat neemt het recht niet weg van de kerk om in vrijheid, zonder bindende afspraken mannen te benoemen die vanwege de herv. kerk zullen doceren.

Moet de theologische verkort worden?

We blijven nog even in de sfeer van theologische faculteit. De vraag die hierboven staat zal wellicht door menigeen zonder meer bevestigend beantwoord worden. Met name door hen, die zitten te zwoegen voor een examen. Welnu, wie de vraag met „ja" beantwoordt komt daarmee in het straatje van de heer E. Pruim, die onlangs betoogde dat een studie van 6 jaar voor een predikant te lang is. Er is immers in de wereld meer te koop dan theologie. Het gaat in de kerk om de samenleving. Om daarin te arbeiden behoeft men niet zo'n lange theologische scholing te ondergaan. De theologische studie is aldus Pruim, toch nogal wereldvreemd en praktijkvreemd. Dus een kortere studietijd. En bovendien, waarom het dominees-ambt niet opengesteld voor niet-theologisch gevormden (liefst wel academici)?

Pruim chrijft dit alles naar aanleiding van de aan de Vrije Universiteit door een arts verdedigde stelling: De kerken dienen slechts die theologen, die het doctoraal examen in de godgeleerdheid afgelegd hebben, beroepbaar te stellen. Het is goed beschouwd een vreemde situatie die ons voorgelegd wordt. Een arts pleit voor een verplicht doctoraal voor a.s. predikanten. De redactiesecretaris van „Gemeentetoerusting", die - als ik het wel heb - een theologische opleiding genoten heeft, vindt daarentegen deze studie nodeloos lang en pleit voor beroepbaarstelling van niet-theologisch gevormden.

Nu zal niemand beweren dat de huidige opleiding in alle opzichten een ideale vorm vertoont. Wat de herv. situatie betreft is de tweeheid van academische examens en kerkelijk examen een vreemde zaak.

De stelling van de arts. Dr. Streefkerk, is m.i. voor wat de herv. kerk betreft alleen maar uitvoerbaar, als dit doctoraal op de een of andere wijze „ingebouwd" kan worden in het kerkelijk examen. Maar of dit bij de huidige stand van zaken realiseerbaar is?

Maar nu de opvatting van E. Pruim. Is een kortere studietijd gewenst, omdat de studie van de theologie toch vreemd is voor een groot deel aan de praktijk? Dat theologie en praktijk niet los van elkander mogen staan, is zonder twijfel waar. Dat de studie een praktische spits moet hebben, zal ook niemand betwisten, die zich bezint op het daadwerkelijk kerk-zijn in de samenleving.

Maar toch menen we dat de opvatting van de heer Pruim onhoudbaar is, juist vanwege de praktijk. Tenminste als men die praktijk niet los maakt van de dienst des Woords. Wie het ambt van predikant laat opgaan in allerlei vormingswerk, sociale en culturele arbeid, kan inderdaad met de huidige theologische studie niet uit de weg. Wie de dienst des Woords centraal stelt zal de vraag, die hierboven staat, beslist niet bevestigend beantwoorden. We kunnen ons dan ook geheel vinden in het antwoord van Prof. Dr. H. Ridderb              os in het Geref. Weekblad (uitgave Kok, Kampen) van 11 aug., in de rubriek „Van week tot week".

We signaleren met dankbaarheid dat Prof. Ridderbos de theologische studie nauw verbindt met de bediening van het Woord Gods, de prediking in de gemeente.

Intussen geloof ik niet, dat wij in onze tijd aan te veel theologie lijden en ik geloof helemaal niet, dat met name het domineesambt — en daar­ om gaat het hier — met minder theologie toe kan. Tenminste als tot het domineesambt zal blijven behoren de dienst des Woords. Ik weet in herhaling te vallen, maar een dominee, die aan het preken wil blijven, heeft, ongeacht hoge uitzonderingen, bijna altijd te kort aan grondige theologische kennis. Er is moeilijk een zwaardere opdracht te bedenken, dan iedere zondag twee of ook slechts eenmaal voor een zeer uiteenlopend gehoor het Woord Gods te moeten bedienen. Er is maar één mogelijkheid om het vol te houden, te zorgen, dat het „ergens over gaat". Daarvoor heeft men niet genoeg aan wat praktische zin of wat kennis van mensen en samenleving, daarvoor moet theologisch gezwoegd worden. Ook dan is een preek nog niet een preek. Maar er is voor ons doorsnee mensen geen betere kans dat het er een wordt dan deze. Er is ook geen zwaardere opdracht dan als luisteraar naar de kerk te blijven gaan, zonder dat de preek de duidelijke sporen van die worsteling vertoont. Dat mag gevergd worden. Ik zat in de vakantie vier maal in dezelfde kerk: onder drie verschillende dominees. Er waren telkens honderden mensen, veel vakantiegangers. Er was ook duidelijk aandacht en belangstelling. Op zijn minst tweemaal stelde de preek beslist niets voor. Er was geen onvertogen, nog veel minder ketters woord in, maar het waren praktische algemeenheden. Na 20 minuten was het absoluut „op".

Men gaat met diepe ergernis over zoveel gemiste kansen en met een kater voor de hele zondag de kerk uit. De (ditmaal jonge en sympathieke) dominee had hiervoor geen zes, geen vier, ook geen twee jaar theologie behoeven te studeren. Tenslotte - de vierde maal — kwam er een oude Duitse predikant. Zijn nationaliteit en verschijning boezemden a priori geen grote sympathie in. Hij was ons en wij waren hem wild vreemd. Maar hoe kwam het, dat hij na tien minuten de mensen „had" en het vijf en dertig minuten volhield? Omdat zijn verhaal op grondige studie van de Bijbel berustte en hij zich niet schaamde de gemeente in de Schriften in te leiden. Wat de mensen er precies mee moesten doen, zei hij niet terstond, maar toen de preek gedaan was, wist ieder het. Voor deze zakelijkheid is veel meer en veel grondiger studie nodig dan het schijnt. Maar de vrucht ervan is de blijdschap, waarmee men de kerk uitgaat. Het domineesambt is méér dan preken. En gemeente-zijn in de samenleving is meer dan als fijnproevers naar de kerk gaan. Als het niet in daden, ook in gemeente-daden omgezet wordt, is het alles tevergeefs. Daar heeft Eimert Pruim natuurlijk schoon gelijk in. Maar het Is de paarden achter de wagen spannen als men het ambacht van de dominee van zijn belangrijkste instrumentarium gaat beroven, of meent dat het met wat minder van deze instrumenten ook wel toekan. Het minste wat een kerk van een dominee kan vragen is, dat hij althans dit instrumentarium beheerst, gebruikt en aanvult. En het minste wat een dominee van zichzelf moet eisen is dat hij althans op dit terrein zich niet alleen 5 of 6 of 7 jaar voorbereidt, maar er ook op werkzaam blijft. Hier geldt ook: wie heeft die zal gegeven worden. En die niet heeft van hem zal genomen worden wat hij heeft.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's