De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Meditatie

8 minuten leestijd

„Betert u dan en bekeert u, opdat uwe zonden mogen uitgewist worden”. Handel. 3 vs. 19.

Door de 'hand' van de apostelen heeft de kreupelgeborene op een wonderbaarlijke wijze genezing ontvangen. Hij verstaat dat en getuigt daarvan in treffende bewoordingen. Het volk, in de tempel aanwezig, loopt te hoop bij het horen van zijn getuigenis. Men is verbaasd en ontzet, als blijkt, dat de bekende invalide bedelaar nu even goed kan lopen als zij allen. Hun verbaasdheid en ontzetting strekt zich ook uit over de twee apostelen. Het is toch kennelijk, dat zij veel te maken hebben met de genezing van de voorheen kreupele. Een en ander noopt Petrus er toe in de voorhof van Salomo zich tot het saamgestroomde volk te richten. Wij bezitten dus in zijn toespraak een voorbeeld van apostolische prediking. Petrus wijst er daarin allereerst op, dat het geheim van de genezing van deze man te zoeken is in de verheerlijking van Jezus Christus. In het bijzonder na diens sterven heeft God Hem met eer en heerlijkheid gekroond. Hem als de Messias uitgeroepen in hemel en op aarde. Vervolgens houdt de apostel het volk voor, wat zij met deze Messias gedaan hebben. Zij hebben Hem verloochend en gedood. En tenslotte, wat het geloof in deze Here vermag. Immers, door het geloof in Hem is deze man genezen geworden. Als Petrus dit alles genoemd heeft, met een ernst en een directheid in spreken, welke hen wel getroffen moet hebben, roept hij hen toe: „Betert u dan en bekeert u!" Hij wil zeggen: gaat anders over de dingen denken. Anders over wat u hier ziet, anders over Christus Jezus en over uzelf. Dit is het eerste wel, wat kenmerkend genoemd kan worden ten aanzien van de bekering: het is een verandering van gezindheid. Een vernieuwing - of beter een reiniging en heiliging - van ons denken en gevoelen en willen. De dingen komen anders te liggen in ons leven. Principieel anders. De dingen worden op God en zijn dienst gericht. Hij gaat als God heersen over ons leven en wij gaan Hem als God eerbiedigen.

Hiermee is nog niet alles gezegd over de bekering. Petrus roept het volk toe: „Betert u dan en bekeert u". Dat laatste wil zeggen: verandert uw leven. Wendt u van uw boosheden af tot de oprechte dienst van God. De ware bekering toch betreft hart en leven. De vernieuwing van de gezindheid breekt baan en vindt zijn voltooiing in de vernieuwing van het leven. Wij breken met de zonde en gaan ons stellen in de dienst van God. Een slaafse dienstbaarheid wordt opgezegd en een kinderlijk dienen wordt aangenomen. En dat met lust en liefde. En dit alles gaat gepaard met berouw, met vernedering ook en belijdenis van schuld. Als het de-Here behaagt door de kracht van zijn Woord en zijn Geest ons hart en leven te vernieuwen, het te stellen in het licht Gods, het licht van zijn heilige Wet, dan verstaan wij wel welke mensen wij zijn en wat wij gedaan hebben. Wij hebben gespot met alles wat heilig is. Gods Wet overtreden. Zijn Zoon verloochend. Het leven veracht. En dat, terwijl deze God recht heeft op ons en bovendien het goede met ons voor heeft. Dus gaat de bekering steeds gepaard met berouw over onze zonden. Ook met vernedering. We leren ons ootmoedig buigen voor de hoge en heilige God en schamen ons diep. En tenslotte met belijdenis. Want, wat verkeerd gedaan is, wil beleden worden. Opdat het weer goed worde tussen de Here en ons.

„Betert u dan en bekeert u". Aldus vermaant de apostel het volk. Nota bene het volk, de nakomelingen van Abraham en Izak en Jacob. Het volk van het verbond. Juist krachtens het verbond worden zij tot bekering opgeroepen. Is hun leven in zonde en in een schijnheilige godsdienst schuld jegens de God van het verbond. Zo komt in deze apostolische prediking dit vermaan evenzeer tot ons. En wij doen goed er gehoor aan te geven. Ons leven - gelijk het van nature is - deugt niet. Het is een bestrijding van God en zijn dienst. Dat is des te ernstiger, waar de Here in het verbond in een bijzondere verhouding tot ons heeft willen treden. Laten we daarom de oproep tot bekering niet naast ons neerleggen. Maar er ernst mee maken. En dat niet voor een dag of wat, maar heel ons leven.

„Betert u dan en bekeert u". De apostel wil zeggen, nu de Here ondanks en zelfs door uw boosheid aan Christus Jezus zulk een hoge plaats heeft gegeven, wordt u des te meer vermaand om uw leven te veranderen. Vanwege Hem is het nodig, daar Hij moest lijden en sterven om de zonden. Zijn verhoging is een veroordeling van alles wat leeft in de diepte van de zonde. Vanwege Hem is de bekering eveneens mogelijk. Christus' verhoging houdt mede in de belofte, dat God zondaren wil redden, hun leven vernieuwend en veranderend.

Dit is een woord om te onthouden en mee bezig te zijn. Het mag niet bestaan, dat wij onverdroten ons oude leven voortzetten. Het is een neen zeggen, wat als laatste tot onze vrede gesteld is. Het hoeft ook niet. De bekering is mogelijk. Niet vanwege de mensen die wij zijn, maar vanwege de genade, welke God aan zijn zoon Christus Jezus gegeven heeft. Zo is de bekering een mogelijkheid bij God en een noodzaak bij ons.

De bekering is een rijke weldaad Gods. In de eerste plaats wel, omdat wij daardoor het leven ontvangen. Wij mensen gaan leven, waar wij met God gaan leven. In de tweede plaats is de bekering een groot goed, omdat een andere gave daar nauw aan verbonden is. En wel de vergeving van onze zonden. „Opdat uwe zonden mogen uitgewist worden", zegt de apostel. Petrus heeft die zonden met name genoemd. Hij zegt hier, dat het volk, als gevolg daarvan, in het krijt staat bij God. Wanneer zij zich nu bekeren, zullen hun zonden uitgewist worden. Dat is een rijke belofte. Niet in het minst voor deze mensen. En verder voor ons allen, in het bijzonder wel, als het kwaad een werkelijkheid voor ons is. Van nature staan wij allen in het krijt bij God. En hoewel velen dat niet verstaan, toch is daar bij iedereen wel een besef, dat zijn leven niet geheel en al goed is.

Daar is een besef van kwaad, hetzij dat meer of minder bewust leeft. Zo is daar bij alle mensen een zekere mate

van gedruktheid te vinden. En dat met reden. Wij kunnen niet vrede bezitten of recht opgewekt zijn, als wij bij iemand een grote schuld hebben. Het is goed, dat deze dingen hier aan de orde komen, want er zijn er velen onder ons, die - ondanks een uitwendige welvaart - niet recht gelukkig zijn. Zo mogen zij weten, wat daarvan de oorzaak is: er is schuld bij God, welke weggenomen dient te worden.

„Opdat uwe zonden mogen uitgewist worden". Als het God behaagt ons hart en leven te veranderen, is het voor ons geen vraag meer, wat met die zonden bedoeld wordt. Die worden ons - bij de bekering - recht voor ogen gesteld. Zonden zijn zo maar geen verkeerde dingen, fouten, maar zaken, daden van dwaasheid en opstand en boosheid. De zonde is dan ook van een groot gewicht. We gevoelen de zwaarte van deze last en worden erdoor neergebogen. Daarom is het een rijk Evangelie, dat middels de apostelen tot ons komt. Daarin wordt ons bekering aangeboden - het leven - en vergeving van zonden - het leven met vrede. Het doen Gods is van een grote rijkdom. Het beoogt niet anders dan de zaligheid, het eeuwig en goddelijk geluk van ons - van nature ongelukkige - mensen. God wil om Christus zondaren maken tot Christenen. In de bekering van ons hart, werkt Hij het geloof in Jezus, die de Christus Gods en der mensen is. Onze enige Helper en Redder. En op het geloof in Hem - in zijn werk en verdiensten - wil Hij onze zonden vergeven, om niet.

„Uitgewist worden". Gods vergeven is even radicaal als zijn vernieuwen. Hij doet de schuld weg van voor zijn ogen. En anders, dan bij ons mensen, werpt Hij die - naar het profetisch getuigenis - „in een zee van eeuwige vergetelheid". Gewassen en geheiligd door het bloed van Jezus Christus, ziet God ons niet meer in onszelf aan, maar in Hem, die zich onberispelijk voor God in de liefde betoond heeft.

Zo is ons het goede leven met vrede voorgesteld. En wel, opdat wij daarnaar staan zouden in deze aardse bedeling. Er ook deel aan ontvangen zouden en straks in de eeuwige genieting ervan leven zouden. Het is een goed, dat in Christus „voorhanden" is en door God gegeven wordt. Om niet. En tot grootmaking van zijn Naam.

Barneveld. P.M. Breugem

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 augustus 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's