KLARE WIJN?
Naar aanleiding van KLARE WIJN, Rekenschap over geschiedenis, geheim en gezag van de Bijbel. Aangeboden door de Generale Synode der Ned. Herv. Kerk, 268 blz., f 5,90, Boekencentrum, 's-Gravenhage, 1967.
I.
Een kerkelijk geschrift.
De Generale Synode van onze kerk heeft dit boekwerk aangeboden als een handreiking voor het lezen van de Bijbel. Dr. Th. C. Frederikse schreef en herschreef het in nauw overleg met een in 1960 ingestelde commissie en in november 1966 werd het boek met algemene stemmen door de Generale Synode aanvaard. Het wordt grif verkocht, zodat al heel spoedig een nieuwe druk nodig bleek en dat vertalingen voor het buitenland worden voorbereid. Verscheidene oorzaken zijn voor deze belangstelling aan te wijzen. Ik denk aan het feit, dat dit boek zich met een zeker gezag aandient als een kerkelijk geschrift, het kreeg een ten geleide mede namens de Generale Synode; op een goede wijze zijn de moderne communicatiemiddelen ingeschakeld om de aandacht op deze publicatie te vestigen en dan — dat telt toch ook mee dacht ik — de prijs is ondanks de goede uitvoering niet hoog, waardoor aanschaffing in deze tijd geen bezwaar kan zijn. Maar vooral blijkt uit de belangstelling voor deze publicatie over geschiedenis, geheim en gezag van de Bijbel, dat men er meer van weten wil: Wat moet ik met de Bijbel; hoe moet ik die lezen? En dat is een verheugende zaak. Er is veel gesproken over de onuitputtelijke rijkdom van de Bijbel — terecht — maar er groeit een geslacht op, dat voor deze rijkdom geen oog heeft. „Het zegt mij niets." Zoals de blinde geen begrip heeft voor de schoonheid van de wereld der kleuren, zo heeft de mens geen oog voor de veelkleurige wijsheid Gods; de wereld van Gods koninkrijk is hem een verborgen wereld. Dat behoeft ons niet te verwonderen. De natuurlijke mens verstaat niet de dingen, die des Geestes Gods zijn. Meer dan eens spreekt de Schrift dan ook van de verlichting van het verstand om de verborgenheden van het Koninkrijk Gods te verstaan. De Bijbel verstaan EJS het Woord van God is een zaak niet van geboorte maar van wedergeboorte. De mens kan veel bedenken en veel uitvinden, maar het blijft alles aards gebonden.
Wij hebben inderdaad wel heel erg nodig kennis van de Schriften en een levende omgang met de Bijbel.
Waar het over gaat.
Het boek is verdeeld in de volgende hoofdstukken: De Bijbel in de christenheid; De Bijbel moet voor zichzelf spreken; De Bijbel en zijn sleutelgeheimen; De Bijbel nu. Dit laatste hoofdstuk is verdeeld in twee stukken: de Bijbel in gesprek met ons (over het gezag van de Bijbel) en Wij in gesprek met de Bijbel (samen lezen en luisteren, de hulp van de wetenschap; staan in de wereld) en tenslotte: Besluit en appèl. In negen bladzijden aantekeningen wordt o.a. literatuur gegeven (Het artikel in De Goddiensten der wereld van M. Buber is voltooid in de tweede druk van '48 en ook opgenomen in de derde druk van 1955/56).
Met veel eens.
Vele stukken zullen de hartelijke instemming hebben van de lezers. Uitdrukkelijk wordt gesteld, dat de Bijbel Gods Woord is. In de preek moet de Bijbel aan het woord komen. De schrijver wijst op de noodzakelijkheid van studie. Oordeel en gericht krijgen een plaats in de geschiedenis tussen God en zijn volk. De Kerk heeft de Heilige Schrift niet aanvaard, omdat een of andere gezagsinstantie verklaard heeft, dat deze boeken nu eenmaal de Schrift zijn, maar omdat de Bijbel zichzelf heeft doorgezet. In het kort — dat kon moeilijk anders — tekent de schrijver de Bijbel op zijn weg door de eeuwen. Het is wel nodig de mensen eraan te herinneren, dat ons geslacht niet het eerste is, dat zich met de Schrift bezighoudt: Wij staan in de lijn der geslachten. Ook in het verleden heeft men zich met de vragen rondom de Schrift bezig gehouden en kende men problemen! Die zijn niet nu eerst ontdekt, al waren zij van andere orde. In dit eerste hoofdstuk lezen wij over de inspiratieleer en de tijd van de orthodoxie en vooral ook over het historisch-kritisch onderzoek van de Bijbel.
Kritiek: formeel, maar vooral inhoudelijk. Waar uitgangspunt?
Dat wil niet zeggen, dat dit boek mij de wijn geeft, die het hart verheugt. Wat komt hier enorm veel aan de orde met al de bezwaren daaraan verbonden; die vele onderwerpen kunnen onmogelijk goed worden uitgewerkt. Ik vind de bestudering van dit werk daarom 'n vrij vermoeiende bezigheid. Wat de vorm betreft b.v.: meer dan eens vindt men: wij komen daarop terug. Waarom dan niet in een noot aangeduid, waar dit geschied is? De lezer moet dat maar zelf uitzoeken. Als algemeen bezwaar noem ik dat te weinig rechtstreeks en direct van de Bijbel wordt uitgegaan. Wat zegt de Schrift van zichzelf, dat kan alleen het uitgangspunt zijn. Ik meen, dat zo alleen voor de gemeente een rechte inleiding tot bijbels denken en spreken gegeven wordt.
De naam Oude Testament uit de tijd?
Aan de terminologie moest ik wat wennen. De schrijver spreekt van Thenach en Evangelie, niet van het Oude en Nieuwe Testament. Daar zit o.a. achter, dat „de naam Oude Testament veel bleker is en ten dele onjuist." Ik ben het daarmee niet eens. Men houde zich met de kerk, de eeuwen door, aan het Paulinische Oude Testament of Verbond uit 2 Cor. 3 : 14.
Meer dan eens rees bij mij de vraag: Waarom moeten eenvoudige dingen toch beslist moeilijk gezegd worden? Bij de toelichting van de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan komt zelfs het rollenspel eraan te pas. Waarom niet eenvoudig gesteld, dat men voor de verklaring van deze dikwijls moralistisch misverstane gelijkenis beginnen moet met de man, die op de weg was neergeslagen, de man in nood? „Zo ligt de spits, het accent van de gelijkenis niet meer in het welwillend en christelijk de ander in nood helpen, (hoewel dat er ook in ligt), maar in het nederig willen aanvaarden van de barmhartigheid en daarom ook wederliefde schenken uit dankbaarheid." Dat geloof ik niet — al ligt, om met de schrijver te spreken, dit er ook in. — Daarvoor is het woord des Heren: Ga heen en doe gij desgelijks te klemmend.
Soms te vlot over resultaten van het bijbels theologisch onderzoek geschreven.
Meer dan eens wordt in dit werk, dat voor de gemeente bestemd is, als vaststaand en door de wetenschap uitgemaakt voorgesteld, wat wel is verdedigd en door vélen soms verdedigd (men vergete niet, dat er ook in de wetenschap een „mode" is), maar waarvan toch geldt: hierover is echt het laatste woord niet gesproken: straks komt één wijzer, die het wegredeneert! Ik geef enige voorbeelden: schrijvende over Matth. 6 : 25 v.v. verdedigt de schrijver de opvatting van Bonhoeffer, die het woord merimnam — in het algemeen met bezorgd zijn vertaald — weergeeft met: zwaar werken, harde arbeid verrichten. Deze opvatting is wel heel erg betwistbaar; het is een uitzonderlijke en daarom als voorbeeld van het concrete van de geboden Gods niet wel bruikbaar.
Een ander voorbeeld: In het gedeelte over het historisch-kritisch bijbelonderzoek lezen wij het volgende: „Vooral bij het scheppingsverhaal uit Genesis 1, het verhaal van de slang in Genesis 3 en bij de zondvloed is er duidelijk verband met Babylonische scheppingsmythen en met het Gilgamesj-epos. De achtergrond van Genesis 1 is de toenmaals gangbare Babylonische voorstelling van de hemel als vaste koepel enz." Er is dus duidelijk verband maar dit duidelijke verband is niet onweersproken! Nog maar kort verscheen van de hand van prof. van Sehns een commentaar over Genesis. Hij schrijft:
„Ook in details vonden wij redenen te over niet veel invloed van Babel of Egypte te veronderstellen. Van de invloed van Enumelis op de scheppingsgeschiedenis bleef bij nader toezien niets over”.
Een ander voorbeeld: over de terafim van Rachel in de geschiedenis Gen. 31 : 19 v: Maar anders wordt het, wanneer wij weten, dat dit niet zozeer een godsdienstige kwestie was, als wel een juridische achtergrond had. Volgens het Babylonische recht, zo meent men te weten, had het bezit van de huisgoden ook het erfrecht tot gevolg. Ze hebben de waarde als bij een testament. Hoeveel begrijpelijker wordt ons nu Labans woede”.
Zo lezen we in De klare wijn. Meer dan één exegeet verdedigt deze gedachte. Maar meer dan één zet er bij: naar alle waarschijnlijkheid (zo b.v. de Fraine). Nu is mijn bezwaar, dat de schrijver hier poneert: hoeveel begrijpelijker wordt Labans woede. Ik verwijs graag weer naar het commentaar van Van Selms: „De naar aanleiding van teksten uit Nuzi opgekomen gedachte, dat het bezit van de terafim erfrechten kon verzekeren, moet men na Greenhill opgeven. Rachel was bijgelovig”.
Ik beweer niet, dat Greenhill en Van Selms hier het laatste woord hebben gesproken, maar ik accepteer niet, dat deze geschiedenis als een voorbeeld van „nieuw licht over de Bijbel door de wetenschap" aan de gemeente wordt voorgehouden.
Zo zijn er nog meer, b.v. die samenhangen met de kritische instelling van de schrijver. „Over de brieven Efeze en Colosse én de brieven Timotheus en Titus heerst nog steeds onzekerheid. Dat 2 Petrus niet van de hand van Petrus is, maar van een onbekende latere schrijver, is algemeen aanvaard." Als hier stond: is over het algemeen of in het algemeen aanvaard, dan moest ik dat beamen. Maar dat staat er niet; men schrijft: algemeen d.i. (volgens Koenen) zonder uitzondering aanvaard en dat is niet zo. Om van de Oude Kerk te zwijgen — Origenes en Hieronymus pleitten voor Petrus als auteur van de tweede brief — Bigg, Plimamer, Zahn, Spitta, Wohlenberg, van Leeuwen hielden vast aan Petrus als schrijver van de tweede brief.
Dat zijn er in verhouding niet veel, maar daar gaat het niet om. Zulke opmerkingen brengen de gemeenteleden er toe om te zeggen: zo is het, terwijl men met meningen te doen heeft van soms invloedrijke theologen, maar die niet vaststaan en die niet bewezen zijn.
(wordt vervolgd).
Utrecht H. Bout
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 september 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 september 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's