De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Meditatie

7 minuten leestijd

„God, opgewekt hebbende Zijn Kind Jezus, heeft Denzelven eerst tot u gezonden, dat Hij ulieden zegenen zou, daarin dat Hij een iegelijk van u afkere van uwe boosheden" Hand. 3 : 26.

Deze woorden bevatten het besluit van Petrus' toespraak tot het volk in de tempel. Hij wijst daarin allereerst nogmaals op de opstanding van Jezus Christus. Dat is het, wat God gedaan heeft met Hem, zijn Zoon. Hij heeft Hem opgewekt. Hij heeft het recht van de dood voor nietig verklaard en de macht van de dood geveld en Hem, Jezus Christus, gesteld in de volle genieting van het leven.

Deze gezegende daad van God kan nooit genoeg genoemd worden. Het is een daad van liefde en recht ten aanzien van Jezus Christus. En in Hem een daad van genade ten aanzien van allen, die in Christus begrepen zijn. Hem stellend in de volle genieting van het leven als de Christus heeft God in Hem het leven gesteld van al zijn volk. Daarom is deze Godsdaad zo belangrijk en zegenrijk. Onze daden moeten genoemd worden, aan de orde komen, bij de bekering van ons hart. Maar het is gelukkig, als daar niet slechts onze daden zijn in ons leven. Ook, als wij over die niet alleen hoeven te spreken of te zwijgen. In onze daden — zelfs de beste — zit niet zoveel inhoud en we kunnen er evenmin van zeggen, dat wij genade — 't geluk — bewerken. Hoe geheel anders zijn daartegenover de daden Gods. Met name die van de opwekking van Zijn Zoon Jezus Christus. Hebben wij, door Christus te verloochenen de dood gekozen boven het leven. God heeft in zijn herrijzenis het leven van zijn Kerk gekozen boven hun dood. Zo is dit de les, dat wij ons leven zoeken en bezitten in Jezus, die neerlag in Jozefs graf vanwege onze zonden, maar die opgericht werd om de Vorst des Levens te zijn.

In zijn toespraak heeft Petrus verscheidene „oudvaders" genoemd. Zo Mozes en Samuel en Abraham. Als laatste noemt hij hier Jezus. Hij noemt Hem — met betrekking tot God — „Zijn Kind Jezus". In deze woorden onderstreept de apostel ten slotte, wie Jezus van Nazareth is, in welke verhouding Hij tot God staat en daarom ook wat het gewicht is van de daad Gods aan Hem verricht. Jezus is Gods Kind. Zijn eigen, enige Zoon. „God uit God, Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God, geboren, niet gemaakt". Deze Jezus heeft zich in zijn vernedering vrijwillig laten binden door de banden van de dood, zelfs tot in de diepten van de hel is Hij afgedaald. En dat alles uit gehoorzaamheid aan de wil van zijn Goddelijke Vader. Een gehoorzaamheid, welke in liefde gefundeerd is. Tegen de achtergrond van dit alles is het duidelijk, dat daar sprake is van een welgevallen aan de zijde van God de Vader om zijn Kind Jezus op te wekken. Zo is inderdaad de dag van Pasen „de roem der dagen, die Israëls God geheiligd heeft”.

Zo moge deze dag, welke in de wekelijkse zondagsviering aan ons gegeven wordt, voor ons groot en heilig zijn. De zondag is heilig om Christus en al zijn gaven. Staan wij er dan naar deze dag te heiligen. Dat wil zeggen tot eer van God en in gehoorzaamheid aan zijn wil door te brengen. En dat om Christus' wil.

„God — zegt Petrus — opgewekt hebbende Zijn Kind Jezus, heeft Denzelven eerst tot u gezonden". In deze woorden werpt de apostel een bijzonder licht op de bediening van het Woord, gelijk het van oude tijden af plaats gevonden heeft. Wat God gedaan heeft en nog doet, is de zending van zijn Zoon. Eerst door de dienst van profeten en priesters, naderhand door zijn geboorte uit de maagd Maria en ten slotte door de dienst van apostelen en andere dienaren van het Goddelijke Woord. Het volk, vergaderd in Salomo's voorhof, moge vreemd tegen Petrus en Johannes opkijken en verbaasd zijn over hun optreden, in het bijzonder wat de genezing betreft van de kreupelgeborene. Zij moge weten, dat in de zending van deze mannen die van Christus volbracht wordt.

„Heeft Denzelven eerst tot u gezonden". Dit is een wonderlijk woord. God houdt niet op zijn Zoon te zenden. En dat op velerlei wijzen. Opdat er uit de vele geslachten der aarde één volk en natie zal groeien, die deze Zoon als Here en Christus belijdt en dient. Welk een bemoeienis van de Here God jegens ons spreekt uit dit alles. Welk een gadeloze ontferming ook. Christus werd toch maar weer tot het volk der Joden gezonden, na alles wat gepasseerd was. En zo komt Hij gedurig weer tot ons. Terwijl wij Hem mogelijk nog nooit ons hart gegeven hebben. Hij brengt zelfs in zijn komen een zekere voorkeur tot uitdrukking: eerst tot de gemeente Gods, het volk der Joden, de kerk van het Nieuwe Testament. Zo zijn wij bevoorrechte mensen. Verkorenen, maar om verkoren te willen zijn, zich te laten zaligen. Het zal ons duur te staan komen, als wij deze bevoorrechting als onnodig en niet gewild van de hand wijzen. Sodom en Gomorra zal het in de dag van het oordeel verdragelijker zijn.

„Eerst tot U gezonden". In de beide eenvoudige mannen, komt Christus tot het volk. Als de Heiland. In de bediening van het ambt komt Christus tot ons. Over deze nederige gestalte behoeven we ons niet te verwonderen. Daaraan is Jezus Christus steeds te herkennen geweest, aan zijn nederigheid en hoogheid beide. Zo wij ons van eenvoudige mannen laten bedienen, zo worden wij van een rijk en groot Zaligmaker gezegend. Hij is ook de Zegenende. Waar Hij komt, daar wordt zegen ervaren. „Dat Hij ulieden zegenen zou", zegt de apostel. Dit is niet minder merkwaardig. Verwacht kon worden, dat Petrus zeggen zou: dat Hij u kastijden zou. Hadden zij het daarnaar niet gemaakt? Zo heeft de bediening van het Evangelie, de dienst van Christuswege een verheven zin. Niet een om te verdelgen, maar om te behouden. Om ons verloren en doemwaardige leven — zo mogen we het toch wel stellen — te vervullen met zijn weldaden. Dat is het dan ook, wat aan de bediening van het Evangelie een rijke zin geeft. Daarin spreekt en handelt Gods zoon, in dienstknechtgestalte. Zo zijn wij gelukkig te prijzen, zo wij door de dienaren van het Woord, Christus zelf ontmoeten en in Hem geloven.

De apostel heeft gesproken van zegen. Hij merkt daarvan ten slotte op: „daarin dat Hij een iegelijk van u afkere van uwe boosheden”.

In deze woorden onderstreept de apostel nogmaals wat het oogmerk Gods in Christus is. Of anders wat de zending van Christus inhoudt, n.l. dat door Hem het volk zich afkere van hun boosheden. Het is dan ook in dit licht, dat heel Christus' optreden verstaan moet worden. Hij is de Heiland tot bekering, tot de oprechte dienst van God. Een andere Heiland is Hij niet.

Van Christus wordt ons gesproken in het Woord, in de prediking van het Woord in allerlei gestalten. Zo hebben wij als mensen, die bij het Woord leven, veel Van Hem mogen horen. Ook de kracht en heerlijkheid van zijn woorden en werken mogen aanschouwen in wonderlijke genezingen en krachtdadige veranderingen. De vraag mag ons voorgelegd worden, wat wij nu van Jezus Christus begeren. Welke zegen wij bij Hem zoeken. En wij dienen te weten, dat als ons antwoord zou zijn: zilver of goud, voorspoed of bewaring, rust of het eeuwige leven, dat wij dan het eigenlijke antwoord nog niet gegeven hebben. En dus een blijk ervan geven, dat wij nog niet het rechte zicht op Christus hebben noch op onszelf. Wat dunkt u van de Christus, wat zoekt u bij Hem, dat is de vraag. Het antwoord moge luiden: de bekering van onze zonden. Dit, dat wij door Hem geholpen en bekwaam gemaakt. God de Here dienen in gehoorzaamheid en liefde.

Het gaat immers om God, om de eer van die God. En dat is het, waaraan wij door onze zonden afbreuk doen. Dat is het eveneens, waarom wij van nature geen gelukkig leven leiden.

Zo wil Jezus Christus van ons gezocht en gekend en geëerd worden als de Heiland. Wat wij zelf niet vermogen of willen, dat kan en wil Hij volgaarne. Komt Hij in ons leven, zo breken wij met de zonde. Heerst Hij in ons hart, zo keren wij ons meer tot de dienst van de enige en waarachtige God. Wonderen van herstel vinden er plaats door zijn Naam.

Barneveld, P.M. Breugem

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 september 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 september 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's