DE DIENST
„en de dienst, welke ik van de Heere Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie der genade Gods". Handelingen 20 vs. 24.
De mensen zijn nog wel eens nieuwsgierig naar de levensloop en naar de loopbaan van een predikant. Soms is het verleidelijk, daar wat van te vertellen, zeker bij gelegenheden als deze. Mij dunkt, dat mag ook wel, mits de Heere er de eer van krijgt, als het tot zegen van mijn broeder of zuster kan zijn. Anders liever maar niet.
Waar ik u wel wat over ga vertellen, is over de dienst. De dienst, welke ik van de Heere Jezus ontvangen heb. Paulus werd rechtstreeks door de Heere Jezus tot deze dienst geroepen. Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt; dat bracht een grote ommekeer teweeg in zijn leven. Toen zwaaide hij om: van wetsleraar werd hij evangeliedienaar. Dat was Paulus. En het gaat niet aan, deze roeping als maatstaf te gebruiken; men zou het geheel enige daarin miskennen, en de onwaarachtigheid in de hand werken. Dat neemt niet weg: Wanneer we deze dienst in de gemeente van Christus waarnemen, moeten we daartoe geroepen zijn. Die roeping is geen punt op ons program, maar op het program van deze dienst: Hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden. Roeping en zending, zijn aan de orde, waar over de dienst wordt gesproken. De Heere Jezus roept en zendt. De meester neemt in dienst. Hij doet dat op zijn wijze en langs zijn weg. Wie zal Hem die voorschrijven? Wie zou zijn wijsheid niet bewonderen: met deze handelt Hij zus, met gene zo. Hij is er soms al vroeg mee bezig, en soms neemt Hij het later ter hand. Bij de een wordt het plotseling duidelijk, bij de ander breekt het licht daarover langzamerhand door.
Meestal doet Hij het door middel van mensen. Paulus hoorde trouwens ook van Ananias wat hij doen moest. Zo verging het mij, het werd mij gezegd, van Christuswege gezegd. Het wordt gezegd in de dienst des Woords; de dienaren worden onder en door het Woord geroepen, en hoe heeft mijn vader deze zaak van de roeping altijd in het midden der gemeente aan de Heere opgedragen! In het midden van de gemeente worden wij bevestigd, de eerste maal met handoplegging, een zinvol teken van het overdragen, dat in het ontvangen meedoet. Leiding is ook roeping.
En vorming — dankbaar denk ik aan enkele dienaren des Woords, die mij mede gevormd hebben — is ook roeping. De roeping wil echter bevestigd worden als roeping van de Heere Jezus. Hij wint er ons voor in. Ontvangen zegt de tekst. Zij weet ons wel in het nauw te drijven: Wie ben ik? Kan ik het? Mag ik het? Van ons willen en kunnen leert Hij ons over schakelen naar Zijn denken. Hoe zouden wij het durven aannemen, als Hij het niet overhandigde. Als het niet werd ontvangen, voortdurend nog werd ontvangen, als een gave; als een opgave tevens. En als het uit de vruchten niet bevestigd werd, ook dat. Christus hecht aan deze dienst de zegelen van Zijn waarheid en Zijn trouw.
De dienst volbrengen is Hem bedoelen, bij Hem, in Hem blijven. Wij ontvangen de dienst niet, buiten Christus om; wij ontvangen haar niet buiten de Heilige Geest om, die door gewone en buitengewone verzekeringen, de ontvangst van de dienst bevestigt. Wat maken wij ervan? Alles! Wie zou dat durven beweren. Daarom volbrengen wij de dienst alleen, wanneer we die ter verzoening voordragen aan de Knecht des Heeren bij uitnemendheid. Heere, reinig en heilig de dienst, door uw bloed en uw Geest. Laten liefde en ijver niet verflauwen, en geef dat wij de dienst mogen uitoefenen zoals we haar ontvangen: Als onwaardige, onbruikbare onbekwame mensen. Opdat de uitnemendheid van de kracht uit God zij en niet uit ons.
Welke dienst bedoelt de apostel? De dienst des woords, de dienst der verzoening. Hier zegt hij: om te betuigen het evangelie der genade Gods. Hoort u: het evangelie. De blijde boodschap, het goede nieuws. Is er nog nieuws? Nieuws van Gód! Daar haalt menig mens de schouders over op. Van God, die is sinds lang uit onze gezichtskring verdwenen. Maar, mijn lieve mensen, verwacht u dan echt nieuws, uit de nieuwsberichten van deze wereld? Daaruit hoort u altijd weer het oude liedje, zoals het met mij steeds weer het oude liedje is. Nieuws komt van Hem, Die alle dingen nieuw maakt. Die de daad bij het woord voegt. Maar, zegt een ander, hoe kan nieuws van God, nu goed nieuws zijn. Van God verwacht ik slecht nieuws. Een God, Die ten allen dage toornt. Wat is het evangelie dan een verrassing. Even onverwacht als onverdacht. Wat schept het een vreugde over het heil dat in het evangelie ligt te schitteren.
Het evangelie van de genade Gods. Bent u ooit geraakt, gepakt door dat: de genade Gods? Er moet pakkend gepreekt worden, nietwaar. Nu, de dienaar van dit evangelie moet er zelf door gepakt, door gegrepen zijn, wil hij het pakkend verkondigen. De genade Gods, daar zit alles in. Laat het lioht er eens over vallen. Genade. Onverdiende goedheid. Genade Gods. Gods hart klopt in die genade, Gods hand strekt zich in die genade uit naar verloren zondaren. Genade Gods. Daar wordt het kruis van Christus ons in getekend, dat ruwhouten kruis, dat vloekhout, dat onze enige hoop werd; de ankerplaats van ons leven, dat overal elders schipbreuk lijdt.
De genade. Zij wil als genade ontvangen worden. Het evangelie wil als evangelie der genade vernomen worden. Dat is, door mensen, die een veroordeling achter de rug en de voltrekking van dat vonnis voor de boeg hebben! Wij houden dan geen verontschuldigingen, geen verzachtende omstandigheden over. Wij verdedigen ons niet meer, en we kunnen niet in hoger beroep: Het is Gods oordeel, dat rechtvaardig is. Zo zit het werk van de Heilige Geest, in dat: de genade. Hij maakt genade tot wat zij is. En door zijn werk wordt ze aan zondaren bewezen. Niet alleen genade voor anderen, maar ook voor mij.
De genade Gods. Des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes. De Heere is genadig. Hij doet ons niet naar onze zonden. O, indien wel! Genade moet overmachtige genade zijn. Zij moet het opnemen tegen alles wat ons in de dood en in de hel werpt. Almachtige genade. Dat is de genade Gods. Vrijmachtig, overmachtig, almachtig. Geen van Gods deugden worden een haar gekrenkt als Hij genadig is. Daar staat de genade Gods, in Christus, door de Heilige Geest borg voor. Al zijn deugden worden in die genade verheerlijkt. Dat is het evangelie der genade Gods.
En dat is de dienst: Om te betuigen het evangelie der genade Gods. Getuigen, maar dan nog indringender. Getuigen van, wordt getuigen aan. Wij betogen niets, wij betuigen. O, die dorre betogen die geen geweld plegen op de harten; hoe lijden de preken aan dit euvel, hoe lijden de gemeenten er onder. Heeft het evangelie der genade de liefde van ons hart, dan zal die liefde ons dringen om te betuigen. Zonder die liefde gaat het zo stroef. Heb Jezus lief, zo vermaant ons bevestigingsformulier. Liefde tot God, liefde tot allen die het horen. Wij zijn niet beter dan zij; de voornaamsten der zondaren, kunnen de zondaren het dichtste benaderen. Zij roepen hen niet iets uit de verte toe, zij houden hen niets vrijblijvend voor. Wordt het evangelie van de genade Gods betuigd, dan wordt er gebedeld, ja gebeden: Laat u met God verzoenen, want! Dan leg ik u dit evangelie na aan de schenen, als een vuur dat uw weerstand wegschroeit. De nood is mij opgelegd, zij weegt mij zwaar op het hart. En wee mij, indien ik zou zwijgen, dit zou verzwijgen. Ik vaar net als een parlevinker tussen de schepen door, ik neem iedere kans waar, om u met dit evangelie, en zijn inhoud, de genade Gods, aan boord te komen. Dan houdt menigeen de boot liever af! Ook menige rechtzinnige die de waarheid „liefheeft", maar genade verfoeit. Alsof de waarheid niet de waarheid van het evangelie der genade Gods was. Goddank, dat de Geest in dit betuigen, zich een Geest der genade betoond.
Is dat nu het nieuws? Dat horen we van overlang en overal. Vergis u niet. Wij leven in een tijd waarin dit evangelie schaars geworden is. U hoort de menselijke goedheid, als diepere in de mens, breed uitmeten door rooms en protestant! De mens, en nog eens de mens. De wet! De wet die de mens terugwerpt op wat hij is, op wat hij kan, op wat hij moet. Het wordt in de prediking — voorzover men dit nog prediking kan noemen — schandelijk verdonkeremaand, en de mens van deze eeuw, wordt voor de mal gehouden, met wat deugd en wat plicht. Het evangelie der genade Gods is de schat van de kerk, dat te betuigen is 'de rijkdom der prediking. Dat heet eerst recht: hervormde prediking. Hoe is het goud verdonkerd, hoe zal de moedwillige armoede, tot het faillissement der gemeente voeren, als God het niet verhoedt. Wat een taak voor de dienaren des Woords: om te betuigen, dwars tegen 4e gangbare meningen en stromingen in, het evangelie van de genade Gods.
Weet u dat wel? U weet niet wat genade is, als u niet veroordeeld werd! Genade wordt aan ter dood veroordeelden bewezen. Vrijheid voor gevangenen! Het evangelie der genade Gods betuigen, is tegelijk betuigen de bekering tot God en het geloof in onze Heere Jezus Christus - vs 21. Het grijpt diep in, uit genade en van genade te leven. Hem ter eer, die ons uit zo grote nood en dood verlost heeft en nog verlost, op Wie wij hopen, dat Hij ons ook nog verlossen zal. Genade is geen goedkope genade. Het kostte Christus zijn leven, en het kost ons ons leven. De vrome mens, de brave mens, de wettische mens, zij zijn ten dode opgeschreven, opdat het evangelie van de genade Gods voortaan over ons heerschappij voere. Dan is de genade Gods geen post op onze begroting —o zeker er is nog genade Gods — een post pro memorie, die men althans voorlopig ook kan schrappen. Dan is het een streep door onze rekening. Door de rekening van onze verdiensten! Door de rekening van onze schulden, dat ook.
Vindt u het te mooi om waar te zijn? Kunt u het niet geloven, omdat u niet voor het heil in de termen valt? Mag ik het u 'dan ook nu betuigen: Het heil is de genade Gods. Dit betuigen krijgt in prediking en zielszorg, in zielszorgelijke prediking, een persoonlijke spits. Als genade, genade Gods is, rijk en vrij, zoudt u daar met uw voorwaarden aan willen tornen? Genade Gods. Laten we daar toch niet vlak over spreken, zij is zo diep als de hel en zo hoog als de hemel. Helwaardigen worden hemelbewoners, uit genade. Laten wij er ook niet krap over spreken! Het kan ruimer, daarin moet de 'dienst toenemen. Ruimer omdat het genade Gods is.
Preekt u nog net als vroeger? Men moet bewegelijk blijven, om de mensen aan boord te komen met het evangelie, dat wel. Een parlevinker gaat niet voor anker! Maar het evangelie der genade Gods betuigen, dat is nog net als aan dat biddende begin van mijn dienst: Heere, open mijn lippen, zo zal mijn mond uw lof verkondigen! Laat ik het niet mompelen, met krampachtig opeengeklemde kaken — er is een rechtzinnigheid, die door deze krampachtigheid gekenmerkt wordt — laat ik het verkondigen, zolang het u behaagt. Opdat ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen, en de dienst, welke ik van de Heere Jezus ontvangen heb om te betuigen het Evangelie der genade Gods.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's