De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KLARE WIJN?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KLARE WIJN?

IV. Het woord waarheid.

7 minuten leestijd

Naar aanleiding van KLARE WIJN, Rekenschap over geschiedenis, geheim en gezag van de Bijbel. Aangeboden door de Generale Synode der Ned. Herv. Kerk, 268 blz-, f 5,90, Boekencentrum, 's-Gravenhage, 1967.

IV.

Het woord waarheid.

Neem de passage die de schrijver wijdt aan het woord waarheid: In de Bijbel betekent Gods waarheid, dat Hij getrouw is en blijft. Wij mogen de waarheid niet rationalistisch verstaan. De Schrift is geen algemeen reservoir voor goddelijke waarheden". Toch weet de schrijver dat waarheid soms al iets neigt naar het theoretisch neutrale. Waarom gaat hij daar niet op in? Hangt dat misschien samen met het feit, dat dit niet het minst in de Pastorale Brieven voorkomt, waarvan hij zeide, dat daarover onzekerheid is? Deze brieven wijzen verscheidene malen op de leer, de gezonde leer (2 Tim. 4:3). Staan blijven in het geloof betekent vasthouden aan de overgeleverde leer (2 Thess. 2 : 14, 15). Titus moet vasthouden aan het getrouwe woord, dat naar de leer is, opdat hij machtig zij beide om te vermanen door de gezonde leer en om de tegensprekers te weerleggen. (Titus 1 : 9). Daarom bestraf hen scherpelijk, opdat zij gezond mogen worden in het geloof en zich niet begeven tot joodse fabelen (mythen) en geboden der mensen, die zich van de waarheid afkeren. Timotheus moet het kostbare pand, de gezonde woorden, die hij van Paulus gehoord heeft, trouw bewaren (2 Tim. 1 : 14). Ridderbos wees er op welk een belangrijke plaats het kenniselement in het paulinische geloofsbegrip inneemt. Ik zou haast samenvatten wat Barr (Bibelexegese und moderne Semantik) over waarheid zegt, maar dat gaat nu niet, ik herinner er echter aan, dat op eenzijdige wijze hier over waarheid wordt geschreven, waarbij de schrijver niet de gehele Bijbel aan het woord laat komen.

Subjectieve religie geen uitgangspunt, geen criterium.

Het voornaamste bezwaar tegen heel de opzet en uitwerking van dit geschrift is, dat ik sterk de indruk heb, dat de norm voor Gods waarheid in de subjectieve religie ligt. Wat is toch de betekenis van de openbaring? Niet wat Israël leert en wat uit het collectieve denken van Israël opkomt is het eerste, maar wat God van Zichzelf bekend maakt.

Het zelfgetuigenis der Schrift.

Het getuigenis der Schrift zelf is duidelijk: de Schrift kan niet gebroken worden (Joh. 10 : 35). De Schrift van het Oude Testament is de bron der waarheid. (Matth. 22 : 39, Mare. 12 : 24, 27). Paulus gebruikt graag de uitdrukking: de Schrift zegt. De voorbeelden zijn voor het grijpen. Met Goddelijk gezag dient de Schrift zich aan en zo getuigen de apostelen en de profeten. De Here Jezus leerde als machthebbende; hij bezat autoriteit en volmacht, al werd dit niet door de geestelijke leidslieden van die tijd erkend.

„Het gezag van de Bijbel is niet wettisch, doch geestelijk". „De zaak is niet waar, omdat de Bijbel het zegt, maar het geschrevene in de Bijbel overtuigt". Deze redeneringen zijn mij onschriftuurlijk en een openbaring van de gezagscrisis die zich niet alleen op het gebied van de Kerk en de theologie openbaart.

De Schrift vraagt gehoorzaamheid en geloof, wij moeten ons laten gezeggen, Paulus dankt God zonder ophouden, „dat als gij het woord der prediking van ons ontvangen hebt, gij dat hebt aangenomen, niet als der mensen woord, maar gelijk het waarlijk is als Gods Woord, dat ook werkt in u die gelooft." (1 Thess. 2 : 13). Geen profetie der Schrift is van eigen uitleg d.w.z. zij laat geen eigenmachtige uitleg toe, omdat zij niet is voortgekomen uit menselijke aandrift, maar heilige godsmannen waren het, die spraken gedreven door de Heilige Geest (2 Petr. 1 : 21; de nieuwe vertaling heeft: van Godswege hebben zij gesproken). De Schrift is gesproken en geschreven woord Gods. Dat is het zelfgetuigenis van de Schrift. In 2 Tim. 3 : 16 wordt de Schrift getekend als het levende woord, dat uit de mond Gods is voortgekomen. Al wat in de Schrift staat is van God ingegeven. Daarmede is ook de tegenstelling tussen levend woord en dode letter — ten aanzien van de Schrift — opgeheven.

Daar ligt het uitgangspunt, waar de schrijver om heen loopt. Wel lezen wij vrij veel over de orthodoxe inspiratieleer, maar op een wijze, die niet kan worden aanvaard. Ziehier: e orthodoxe theologen bouwden om de Bijbel hun inspiratieleer, die een zekering moest aanbrengen voor het theologische beroep op de Schrift. En wanneer de orthodoxie deze leer uitwerkt, kan zij de canonieke boeken met Gods Woord identificeren op zulk een wijze, dat geen recht wordt gedaan aan het werk van de Geest, die het geschreven woord levend maakt en de harten verlicht." (Hier toch nog gesproken over verlichten, terwijl de noodzakelijkheid daarvan elders wordt ontkend). Hier wil de schrijver van de oude Joodse theologen niet leren. Ik dacht, dat het niet juist is, als hij stelt, dat een eigenlijke inspiratieleer in het Jodendom niet wordt gevonden (met het woord eigenlijk kan ik hier niets beginnen, zoals meer). In de rabbijnse literatuur zijn voorzeker teksten te vinden, die de beïnvloeding van de hagiograaf door God als een soort dictaat schijnen op te vatten. Wanneer de auteur van 2 Petr. 1 : 20  schriftinspiratie en profetische inspiratie op één lijn stelt, dan staat hij in de traditie van het jodendom rond het begin van onze tijdrekening (Haag; J. Bonsirven, Le judaïsme palestinien au temps de Jésüs-Christ).

Ik verwijs nog naar Qumran (b.v. O. Betz, Offenbarung und Schriftforschung in der Qumransekte, Tubingen, 1960) en naar Brunner, die in Die Christliche Lehre von Gott, 1946 S. 113 f. schrijft: De leer van de verbale inspiratie is reeds bij het voor-christelijke jodendom bekend en is wel ook door Paulus en de andere apostelen overgenomen.

Bultmann?

Meerdere malen werd ik herinnerd aan Bultmanniaanse ideeën, die tot een reductie leiden van het Evangelie. Zijn opvatting over openbaring geeft op de volgende wijze: Wat is er dus geopenbaard? Helemaal niets, in zover de vraag naar een openbaring vraagt naar leringen; naar leringen wellicht, waar niemand achter had kunnen komen, naar mysteries, die als ze maar worden meegedeeld eens en voor altijd worden geweten. Alles echter, in zover bij de mens de ogen geopend zijn aangaande zichzelf en hij wederom kan begrijpen.”

Vandaar, dat ik op het „begrip" waarheid inging, dat ik op de eenzijdigheid van „De Bijbel is een gebeuren" wees. Vandaar, dat ik met bijzondere aandacht kennis nam van het gedeelte, dat spreekt over de opstanding des Heren. Proefde ik daar terecht in de Bultmanniaanse idee, waarbij de inhoudelijke uitspraak op zijn best op de tweede plaats komt? Wat te zeggen van opmerkingen als: „De Heer brengt hen (de Emmaüsgangers) er niet toe te geloven in een wonder, als wel daartoe, het lijden van de Messias te gaan verstaan". „Het gaat erom, dat de historische lijn van het heil zichtbaar wordt”.

Ik ben dus niet zo enthousiast over dit boek. Ik vind de wijn maar troebel. Maar dit vermoeiende, tweeslachtige werk spoort ons wel aan ernst te maken met het onderzoek van de studie van de Heilige Schrift. Zij getuigt van Christus en er is geen andere Christus dan dé Christus der Schriften. Daarbij zal uitkomen wat de Here gezegd heeft: indien iemand Zijn wil doen wil, die zal van deze leer bekennen of zij uit God is. Joh. 7 : 17.

Ik eindig met een aanhaling van Augustinus (Gunning, Blikken in de Openbaring I, blz. 181): Laat Uw Schrift mij een heilige wellust zijn; laat mij uit haar noch zelf misleid worden noch anderen misleiden. Laat onze overdenkingen doordringen tot de geheimenissen Uwer wet en sluit de deur niet, waar wij aankloppen. Want niet tevergeefs toch hebt gij gewild, dat zo diepe geheimenissen zouden beschreven worden. Of hebben ook deze wouden hun herten niet, die zich daarin veilig verkwikken, weiden, wandelen en nederliggen?

H. Bout

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

KLARE WIJN?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1967

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's