Het grote gebod
HET EERSTE GEBOD
HET EERSTE GEBOD
Het unieke van het eerste gebod.
In de Tien Geboden valt de nadruk op het eerste deel van de Wet en wel in het bijzonder op het eerste gebod. Dit is als het ware de grondwet van het verbond, dat God met Israël heeft opgericht, de grondwet van het verbond der genade. In geen enkele heidense godsdienst vinden we de regel die het fundament van Israëls religie vormt: Gij zult geen andere goden dan mij vereren. Het veelgodendom vindt naast de vereerde goden doorgaans wel plaats voor nog een god. In Israël is er naast de Ene geen ruimte voor een tweede.
Geen godin.
Het Hebreeuws, de taal waarin het Oude Testament en dus ook de wet der Tien Geboden is geschreven, bezit geen woord voor godin. Dit is opvallend omdat Israël midden tussen volken woonde, die vele goden en godinnen dienden. De Joden die reeds sinds de zevende eeuw voor Christus in Egypte woonden, kenden wel een vrouwelijke tegenhanger van Jahwe, maar in Palestina kwam haar naam niet voor.
Wij vinden het vanzelfsprekend, dat er naast de Here geen godin bestaat, mede omdat het beeld dat wij ons van God vormen, vaak erg abstract is. Voor de Israëlieten sprak het evenwel niet vanzelf. Zij beseften vaak beter dan wij, dat God een persoon is. Zo heeft de God van Israël ook moederlijke trekken: zoals een moeder iemand troost, zal Ik u troosten 1).
Staats-en privégodsdienst.
Op nog een ingrijpend verschil tussen Israëls godsdienst en het heidendom moeten we letten. In Israël bestond er geen onderscheid tussen de godsdienst van de staat en die van de enkeling. Dit is van grote betekenis. Want daardoor gold de uitsluitende verering van de ene God, Jahwe (Jehova), niet slechts voor énkele hooggeplaatsten, maar voor alle Israëlieten. Andere volken behandelden de vereerders van privé-goden met toegevendheid wanneer zij maar respect koesterden voor de staatsgod. Israëls godsdienst wijkt daarin wezenlijk af van de religies van de omringende volken.
Gewicht van het eerste gebod.
Het eerste gebod raakt de kern van Israëls godsdienst: de dienst van de éne God. De Heidelbergse Catechismus heeft het grote belang ervan begrepen. In antw. 94 wordt het gebod verklaard en op de dienst van de ene God aangedrongen met de woorden: „Dat ik zo lief mij mijner zaligheid is alle afgoderij mijd en vlied". Eenzelfde geluid had Luther in zijn Grote Catechismus laten horen: „Daar hebt ge nu, wat de rechte ere-en godsdienst is, die God behaagt, die Hij ook gebiedt, op straffe van zijn eeuwige toorn.....”.
Dit gebod belooft het leven aan wie door genade leert gehoorzamen en dreigt wie door eigen schuld ongehoorzaam blijft met het verderf. Laten we erop letten dat er twee wegen zijn met verschillend einde: met de éne God behouden of zonder de éne God verloren. Uit reactie tegen een verslapt „christendom", dat spreekt alsof er alleen maar een weg naar de hemel is, moeten we erop toezien niet in een ander uiterste te vervallen. Toch zal de kerk in haar prediking moeten getuigen van de ernst van het eeuwige leven en het verderf. De Schrift is hierover duidelijk genoeg: Geen afgodendienaar beërft het rijk van God 3).
De éne God is de Here, die het volk heeft bevrijd uit Egypte. Deze verlossende God zond in de volheid des tijds zijn Zoon tot een verzoening voor de zonden. Geen andere goden hebben, houdt ook in: naast Hem geen Bevrijder, geen Redder kennen. Het gaat er in dit gebod om aan de éne Verlosser genoeg te hebben 4).
Voor mijn aangezicht.
Wat de uitdrukking „voor mijn aangezicht" in het eerste gebod betekent, is minder duidelijk dan men uit het zwijgen van de Heidelbergse Catechismus over deze term zou opmaken.
De meeste geleerden vatten de woorden „voor mijn aangezicht" op als „tegenover Mij" De Here spreekt dan misschien door deze toevoeging aan het verbod uit dat het een belediging voor Hem is, wanneer er van een ander wordt aangenomen dat hij god is. Anderen denken bij „tegenover Mij" aan de tegenwoordigheid van God in de tempel: in de gehele eredienst mochten er geen andere goden voorkomen. In de decaloog wordt er in geen geval met het vereren van andere godheden in de cultus (= openbare verering van de godheid) rekening gehouden. Daarom houdt de term daar in, dat er voor Israël in het geheel geen andere goden mogen bestaan.
Deze moderne benadering van de woorden „voor mijn aangezicht" lijkt op die uit het gereformeerd-protestantisme. Zo verklaart b.v. de Westminster Catechismus de vermelding van Gods aangezicht als een beweegreden om ons te vermanen, dat wij al wat wij in zijn dienst doen, als in zijn tegenwoordigheid doen 8).
Gods alwetendheid.
Calvijn wijdt in de Geneefse Catechismus één van de zeven vragen over het eerste gebod aan de betekenis van de term „voor mijn aangezicht". Hij maakt er twee opmerkingen over.
Hij verklaart deze woorden door in de eerste plaats te zeggen: Hij ziet en weet alles, zelfs onze geheime gedachten.
In de tweede plaats: Hij wil niet alleen door een uiterlijke belijdenis als God erkend worden, maar ook in zuivere waarheid en genegenheid van het hart 9).
Men kan inderdaad meer dan één betekenis hechten aan de besproken uitdrukking. De meest voor de hand liggende verklaring lijkt mij die welke haar op het naderen voor God in de eredienst betrekt. Daarbij kan dan de gedachte aan het „zien" van de Here tot in het mensenhart aansluiten.
Geloofsgehoorzaamheid.
De christelijke gemeente weet, dat de God die zich aan Israël openbaarde in de verlossing uit Egypte en voor Zich alleenverering opeiste, de Vader is van onze Here Jezus Christus. De éne God die Israël diende, verbindt dit volk met de gemeente van het nieuwe verbond. De éne God is Hij, die zijn Zoon heeft gezonden. Door Christus hebben wij de éne God beter leren kennen dan de gelovigen uit het Oude Testament Hem kenden. De genadige bedoelingen van die God verstaan wij door Jezus Christus, die sprak: „Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien”.
De mens kan God alleen kennen door het geloof. Wie tot God komt, moet geloven dat Hij er is en een Beloner is van wie Hem zoeken. Voor ons in de nieuwtestamentische tijd geldt: wij kennen God op de rechte wijze alleen door het geloof in Christus. Ook het eerste gebod wordt alleen vervuld door wie in Jezus geloven. Hij heeft geheel en uitsluitend op God vertrouwd, ook in de verzoekingen. „De Here uw God zult ge aanbidden en Hem alleen dienen", wierp Hij de satan tegen. Alleen in gemeenschap met de Heiland kunnen we met vertrouwen tot God naderen en Hem aanbidden. De Westminster Catechismus wijst terecht op deze zijde van dit gebod in de omschrijving: „te kennen en te erkennen dat God de enige, ware God en onze God is”.
Samenvatting.
1. Het eerste gebod van de decaloog is een unieke regel in Israël; in andere godsdiensten wordt het niet gevonden.
2. Het Hebreeuws bezit geen woord voor „godin”.
3. In Israël mocht er geen verschil bestaan tussen de godsdienst van de staat en die van de enkeling.
4. Het eerste gebod is het fundament van het gehele Oude Testament en daarmee ook van de christelijke religie.
5. De uitdrukking „voor mijn aangezicht" zal wel aan de eredienst ontleend zijn; er mogen voor Israël geen andere goden bestaan.
6. De éne God van het eerste gebod is de Vader van Jezus Christus; wij leren die God kennen door Zijn Zoon.
H. Goedhart.
Correspondentie.
De heer K. te A. Inderdaad verandert men de schrijfwijze van eigennamen niet, al wordt de spelling in het algemeen gewijzigd. Zo zou men het schrijven van Heere kunnen verdedigen als Heere een eigennaam was. Dit is echter zelfs niet het geval in de vertaling van Jehova (Jahwe), maar b.v. nog veel minder als er sprake is van de Here Jezus. In het algemeen dit: Enerzijds mag men iemand slechts van oneerbiedigheid jegens God beschuldigen om de wijze waarop hij over God spreekt en zich tegenover Hem gedraagt, niet om de manier, waarop hij diens naam spelt. Anderzijds moet men eerbied voor God in iemand waarderen, ook al zou die zich uiten in het schrijven van zijn naam op een wijze die men niet juist acht.
G.
Reacties van jong en oud worden weer gaarne ingewacht; adres : Mathenesserlaan 244c, Rotterdam.
1) Jes. 66 : 13. J. L. Koole, De Tien Geboden, Baarn, z.j. blz. 34 wijst erop dat wij oog moeten hebben voor het moederlijke in God, omdat wij anders geen verweer hebben tegen de Mariaverering.
2) W. Eichrodt, Theologie des Alten Testaments 5, Stuttgart, 1964, I, S. 143. Zie ook C. Westermann. Das Verhaltnis des Jahweglaubens zu den auszerisraëlitischen Religionen, in: Forschung am Alten Testament, München, 1964, S. 199ff.
3) 1 Cor. 6 : 10; zie ook 1 Cor. 10 : 7—10, waar Ex. 32 : 6 geciteerd wordt.
4) W. Lüthi, Die Zehn Gebote Gottes, Basel, 1950, S. 17.
5) G. von Baxi, Theologie I, 203 komt tot de vertaling „mir zum Nachteil", (tot mijn nadeel), maar terecht merkt J. Schreiner, Die Zehn Gebote, München, 1966, S. 69 op, dat dit de indruk wekt alsof Jahwe er nadeel van ondervindt, als er andere goden worden vereerd.
6) De Hebreeuwse woorden cal panaj hebben doorgaans een vijandige Betekenis Gen. 16 : 12, Nah. 2 : 1, Ps. 21 : 13, Deut. 21 : 16).
7) Zo M. Noth, Das zweite Buch Mose, Göttingen, 1965, S. 130.
8) Vraag 106.
9) Catechismus van Geneve vraag 142. Ursinus zegt op dezelfde wijze in zijn Summa Theologiae, antw. 162 „opdat wij alle afgoderij niet slechts voor de ogen van de mensen, maar ook in onze harten vlieden, daar alle dingen voor de ogen van God open liggen”.
10) Hebr. 11 : 6.
11) Matth. 4 : 10.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's