UIT DE PERS
Rondom de 31ste oktober wordt er in de kerkelijke pers nogal wat aandacht gegeven aan de verhouding Rome-Reformatie. Ditmaal was er wel een zeer speciale aanleiding omdat wij immers herdacht hebben hoe Luther 450 jaar geleden door de publicatie van zijn 95 stellingen de Reformatie van de kerk heeft ingeluid, We willen in dit persoverzicht een aantal stemmen die zich lieten horen aan het woord laten.
Oecumene en dialoog.
Met deze woorden kenschetst Prof. Dr. A.J. Bronkhorst in Hervormd Nederland (van 28 okt.) de verhouding tot de R.K. Kerk. Er is sinds Vaticanum II een nieuwe aanpak van het vraagstuk van de godsdienstvrijheid, er zijn z.i. met name in Nederland verblijdende tekenen van een — elkaar — willen ontmoeten. Er is bij het Nederlands episcopaat de wens zich te vernieuwen.
Wij mogen daar — aldus Bronkhorst — niet pessimistisch tegenover staan. Hoezeer gewezen kan worden op de onveranderlijkheid van de r.k. kerkleer, toch is er genoeg aan het veranderen. En wij zullen daarbij de macht van het Woord en de Geest van God hebben te bedenken. Daarom wijst Bronkhorst dit pessimisme af, o.m. om de volgende redenen:
Ten tweede omdat de Reformatie 450 jaar lang haar geloof beleden heeft in de vernieuwde macht van Gods Woord. Dat geldt ook, als dat Woord gelezen en onderzocht wordt binnen de R.K. Kerk. Rome heeft niet uit misverstand eeuwenlang de bijbel teruggedrongen. Als Rome zichzelf wilde blijven moest de bijbel dicht. Maar in onze eeuw is de bijbel op geheel nieuwe wijze weer opengegaan. In de 19e eeuw werden de Bijbelgenootschappen door de pausen verdoemd; in onze dagen werken het Ned. Bijbelgenootschap en de Katholieke Bijbelstichting eensgezind aan een oecumenische Bijbelvertaling. Als dat doorwerkte is ook het omgekeerde waar: als de bijbel opengaat, kan Rome niet zichzelf blijven.
Ten derde omdat de kerk weet heeft van de leiding van Gods Geest in de geschiedenis. En reeds Augustinus heeft ons gesproken van het onwederstandelijke karakter van de werking van die Geest. Onwederstandelijk, ook als het om kerkmensen, ja zelfs als het om kerkleiders gaat. Vanuit Ezechiël 37 heeft Gravemeyer ons in de laatste wereldoorlog keer op keer tot geloof opgeroepen. Datzelfde Ezechiël 37, diezelfde Geest, kunnen ook de R.K. Kerk tot wezenlijke vernieuwing leiden. Niet zonder reden heeft Earl Barth ons al gewaarschuwd: kerken der Reformatie, pas op, straks is Rome op de weg der vernieuwing verder dan gij.
Wij kunnen er ten volle mee instemmen dat Gods Geest door het Woord op een niet te weerstane wijze werkt. Dat kan ook bij Rome tot vernieuwing leiden. Daar mogen wij naar uitzien. Of dit echter nu al een reden is om zo optimistisch te spreken over de dialoog als vrucht van een bijbelse heroriëntering? We wagen het te betwijfelen.
De Schriftbeschouwing.
De grote vraag is steeds weer: Hoe wordt de Schrift gezien? En waar leidt dit vernieuwde bijbelonderzoek toe? Wie nagaat hoe in de r.k. Bijbelwetenschap, die inderdaad op hoog peil staat, de historische kritiek in al zijn vormen verdisconteerd wordt, is er niet gerust op dat de heroriëntering zich beweegt in de richting van het Reformatorische: „De Schrift alleen, Christus alleen!”
Daar komt nog bij de verhouding van Schrift en Kerk. Ook hier zijn vele vragen. In het blad „De Wekker" wijdt Prof. Dr. W. H. Velema enkele artikelen aan het boek „Uit tweeën een" (Onder redactie van de hoogleraren Kuitert en Fiolet).
De verhouding Rome-Reformatie, die hier nogal optimistisch getekend wordt, staat tegen de achtergrond van een zéér bepaalde Schriftbeschouwing. Velema schrijft o.m.:
Met deze beschouwing over de Schrift gaat gepaard een zeer bepaalde visie op het gebruik van de Schrift, op haar functie in het midden van de gemeente. Tevoren werd reeds gesteld dat er tussen de uit de geloofsgemeenschap geïsoleerde paus en de uit de geloofsgemeenschap geïsoleerde Schrift (in reformatorische kringen) niet zo’n groot verschil is. Men vraagt zich dan direct af wat dat betekent: een uit de geloofsgemeenschap geïsoleerde Schrift. Daarmee kan toch niet bedoeld zijn een zeer individualistisch Bijbelgebruik? Dat is zeker niet kenmerkend voor de Reformatie! Men denke slechts aan de belijdenisgeschriften van de Reformatie, die toch zeker geen vrucht van uit de geloofsgemeenschap geisoleerd Schriftgebruik zijn.
Neen, het gaat de schrijver om iets anders. Samengeroepen rond dit woord van God zal de in Christus gelovige gemeenschap zijn eigentijds levensantwoord moeten geven op het heilsgebeuren van de Godsontmoeting in Christus, hier en nu. De Schrift blijft steeds de norm, het instrument van het goddelijk heilshandelen. Edoch niet de Schrift als een dood boek, doch als het door de gehele geloofsgemeenschap beleefde woord van God, hier en nu" (20/1).
Rome en de Reformatie moeten de Schrift dus veel meer gaan zien als de verkondigde Schrift. Gebeurt dat, dan is er de kans dat de breuk geheeld wordt. Anders gezegd: Men mag dus niet over de Schrift zonder meer spreken. De Schrift als het verkondigde Woord van God staat niet los van de beleving van de heilswerkelijkheid, het antwoord van de kerk. Er is dus geen beroep op de Schrift als zodanig mogelijk. Steeds moet daar in meespreken het antwoord van de gehele geloofsgemeenschap.
Het wil ons voorkomen dat op deze wijze de Reformatorische belijdenis m.b.t. de Schrift is losgeslagen. De Schrift staat op deze wijze niet meer boven de Kerk. Geen wonder dat er dan een weg vrijkomt om als kerken elkaar te vinden. Maar het is in wezen het pad van de R.K. Kerk: De Schrift en onze verklaring wordt dan de norm en daarmee toch weer: Schrift en traditie. Wie zo de breuk wil helen, schept een kloof t.o.v. de bedoelingen van de Reformatie. Want de kerkelijke verkondiging gaat dan toch bepalen wat de Schrift mag gaan zeggen.
Een r.k. stem over het gebeuren van 1517.
Hoe ziet Rome zelf de Reformatie? Het antwoord daarop is niet zo gemakkelijk te geven omdat er binnen de roomse kerk verschillend over gedacht wordt. In het Evang. Luth. Weekblad (van 28 okt.) wordt ook het woord gegeven aan de hierboven genoemde r.k. theoloog. Dr. H. A. M. Fiolet.
Fiolet spreekt in dit artikel over de Luther-tragiek. De r.k. kerk heeft z.i. de onheilsvolle verdeeldheid eenzijdig uitgespeeld tegenover de kerken van de Reformatie. Hij spreekt over de „heilshistorische betekenis van de charismatische man van Wittenberg, over diens profetische bewogenheid”.
Nu de Katholieke Kerk door de Bijbelse vernieuwing van het Vaticaans Concilie het Kerkzijn van de reformatorische geloofsgemeenschappen heeft ontdekt en in een bevrijde schuldbekentenis heeft durven te erkennen dat zij door de verdeeldheid ook zelf in het volle Kerk-zijn van Jezus Christus is aangetast, wordt de vraag hoogst actueel: wie heeft zich eigenlijk afgescheiden van wie? In een eenzijdig juridisch-hiërarchische benadering kan deze vraag niet worden opgelost. De Katholieke Kerk kan niet langer haar traditioneel-apologetische visie handhaven, dat in de 11e en 16e eeuw weliswaar grote geloofsgemeenschappen zich van haar hebben afgescheiden, maar dat zijzelf de enig ware Kerk is gebleven. De tragiek is dat Rome en Reformatie beiden deze breuk in geweten hebben moeten voltrekken in beroep op hun trouw aan Christus, in wie zij altijd één zijn. Omdat de Kerk van Jezus Christus krachtens Zijn ongebroken trouw één is, is elke geloofsgemeenschap op een of andere wijze — zij het alle op verschillende wijze — Kerk van Jezus Christus.
Deze Bijbelse visie werpt een geheel nieuw Echt op de persoon en de hervormingsarbeid van Luther. Niet alleen zal de Katholieke Kerk Luther moeten rehabiliteren, omdat zij het hem onmogelijk heeft gemaakt zijn profetische roeping in de Kerk van Christus te volbrengen.
Zij heeft hem de eerlijke kans van een dialoog geweigerd. Daardoor heeft zij hem de mogelijkheid ontnomen haar te reformeren en is zij zelf verarmd in het Kerk-zijn van Christus. Maar voor alles is niet zonder meer de vraag te beantwoorden aan welke kant de ongehoorzaamheid aan Christus lag. Heeft Luther, hebben de Kerken van de Reformatie zich van de Katholieke Kerk afgescheiden of heeft de Katholieke Kerk de Reformatie van de Kerk van Christus losgelaten? In de traditionele visie van de exclusieve identificatie van de Katholieke Kerk met de Kerk van Jezus Christus lag hier geen vraag. Doch de oecumenische stroomversnelling waarin wij in onze tijd mogen leven, dwingt ons volkomen ernst te maken met deze vraag.
Ook hier is dus sprake van een oecumenische dialoog. Wij mogen niet volharden in het isolement van eigen verdeelde kerk. Wij mogen niet leven van elkaars eenzijdigheden.
Hoewel alle geloofsgemeenschappen ten gevolge van het schisma op verschillende wijze Kerk van Christus zijn en verlammende nivellering terwille van de groeiende één-wording principieel moet worden afgewezen, toch liggen zij alle in de heilsgroep van het verlossingswerk van Christus. Hoewel deze Kerken in het ghetto van de angstige mijding van de andere geloofsgemeenschap pen in de lange geschiedenis van de verdeeldheid alle eenzijdig zijn vergroeid, toch zijn in de afzonderlijke Kerken vele Bijbelse waarden in de expliciete geloofsaandacht bewaard gebleven. In het isolement zijn deze Bijbelse waarden weliswaar bevroren kapitaal, goederen in de dode hand geworden, die slechts Kerk-scheidend hebben kunnen werken. Doch in de oecumenische ontmoeting van deze tijd zijn de Kerken bezig hun verdeeldheid operationeel te maken door elkaar in een overdracht van deze Bijbelse waarden te verrijken en te corrigeren. En, in de vervulling van deze oecumenische opdracht zal de nog verdeelde Kerk van Jezus Christus steeds meer worden een dienstbaar instrument van Gods heilshandelen aan onze weréld-in-snelle ontwikkeling.
Wij mogen dankbaar zijn voor de bewogen en warme wijze waarop hier gesproken wordt over de betekenis van Luther. Toch rijzen er verschillende vragen. Gaat Fiolet niet te gemakkelijk uit van de empirische gestalten van de Kerken? Kan men zo zonder meer zeggen: Elke geloofsgemeenschap is op zijn wijze Kerk van Christus? Waar is hier de norm? Staat de Christus der Schriften niet richtend boven Zijn Kerk?
Wij hebben voorts de indruk dat Fiolet de oplossing toch weer op de een of andere wijze zoekt in de integratie die invoeging van de reformatorische (deel)waarheden in het geheel van de Kerk. De Bijbelse waarden moeten overgedragen worden aan elkaar. We menen dat ook hier de diepste bedoelingen van de Reformatie niet gepeild zijn. Het gaat hierin maar niet om enkele correcties, maar om de bekering tot Christus Jezus, om de gehoorzaamheid des geloof s aan het Woord. Dat is èn voor Rome èn voor de Reformatie allesbepalend. En dat is toch nog wat anders dan de stelling dat men alleen in het prijsgeven van het isolement, samen met de kerk van Rome, in volheid kerk van Jezus Christus kan zijn.
De 95 stellingen van Luther nu.
We willen in dit overzicht tenslotte het woord geven aan Prof. Dr. G. P. v. Itterzon die in het Hervormd Weekblad „De Gereformeerde kerk" van 26 okt. schrijft over de actualiteit van de 95 stellingen vandaag. Zal het komen, zo vraagt hij, tot een eerherstel van Luther in de roomse kerk? En wat zijn dan de gevolgen?
Voor wie de gang van zaken nauwlettend volgt, is het duidelijk, dat een eerherstel van Luther en zijn leer vergaande consequentie» met zich zou meebrengen. Trente kwam niet verder dan tot afschaffing van de aflaathandel. Zo kwam wel aan de handel een einde, maar niet aan de aflaat zelf. Luthers verzet lag dieper. Zelfs dieper dan hij er zich op dat ogenblik ten volle van bewust was. Hij had immers nog als 'n paard de „oogkleppen" vóór?
Want de vragen hopen zich op: De Nederlandse Nieuwe Katechismus der bisschoppen laat inzake aflaat en vagevuur een nieuw geluid horen. Als hier gesproken wordt van „verouderde gebruiken", is dit stellig een nieuwe lente. Bijzonder hoopvol, als een en ander zich over de gehele linie gaat doorzetten. Want dan rijzen weer nieuwe vragen als deze: Zullen aflaat en vagevuur, waarover Potters nog zo uitvoerig schreef, bij Rome verdwijnen? Houdt de kerkelijke macht, voor zover die bijbels kan worden verantwoord, dan ook op bij de dood? Hoe moet het dan met de zielmissen voor de zielenrust der overledenen? Vervalt dan de requiemmis? En de pauselijke of kerkelijke schat der goede werken? Worden we dan weer alleen op het kruis en de verdienste van Christus teruggeworpen? Vervalt dan de verdienste der goede werken en hiermede de satisfactie (voldoening), die in de biecht aan de boeteling wordt opgelegd? En, mocht de aflaat metterdaad verdwijnen en het vagevuur als een onbijbels en verouderd gebruik worden afgeschaft, hoe gaat het dan over enige tijd met de jubileumaflaten in het heilig jaar, dat in 1950 nog zo luisterrijk werd gevierd? Met een Mariadogma erbij? Kan dit alles straks in 1975 nog doorgaan, als de aflaten en vagevuurritten zouden worden afgeschaft? En komen nu reeds, voorlopig in Nederland, op de sterfdag van een dierbare overledene, de van jaar tot jaar gebruikelijke zielmissen als verouderd in onbruik?
Men mene niet, dat wij overvragen. Reeds in Luthers dagen is gebleken, dat als men één steen van het gebouw loswrikt, alles in beweging komt. De monnik van Wittenberg, die bij het begin zijn kritiek op één punt richtte, heeft toen niet vermoed, hoe de zaken zich zouden ontwikkelen. Daarom volgen we de nieuwe stromingen in de Rooms-Katholiéke kerk met zoveel aandacht, omdat we bij het zetten van de eerste schreden op een nieuwe weg (en daarmee is paus Johannes XXIII toch kennelijk begonnen!) meer dan verlangend zijn te weten, waarheen deze weg op den duur zal moeten leiden. Bij Luther was de uitkomst duidelijk: Genade alleen. De Schrift alleen. Christus alleen. Het kruis alleen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 1967
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's