De belijdenis van Barmen
In het nummer van 23 maart van dit jaar publiceerden wij in de Waarheidsvriend een voorstel van ds. Spijkerboer van Amsterdam aan de kerkelijke vergaderingen. Dit voorstel is of wordt nu op de classicale vergaderingen behandeld en luidt in het kort als volgt: Aanvaard de belijdenis van Barmen en laten de overige belijdenissen — voor zover nodig — als historische documenten meefunctioneren.
Met het oog daarop werden wijzigingen van Art. 10 lid 2 en 3 en Art. 26, lid 1 ingediend. Het gezag van de belijdenis van Barmen moet dan door de kerk worden erkend. Misschien mogen wij het zo zeggen: de belijdenis van Barmen moet dan door de kerk worden erkend.
Misschien mogen wij het zo zeggen: de belijdenis van Barmen heeft het voornaamste gezag, terwijl de kerk in gemeenschap met de oecumenische belijdenissen (Apostolicum, Geloofsbelijdenis van Athanasius en het Nicaenum) en de reformatorische belijdenissen (Catechismus, Ned. Gel. Belijdenis, de Gel. Belijdenis van Calvijn en de Leerregels van Dordt) blijft leven.
Wat daarvan te zeggen?
Het onderwerp is waard, dat de historische achtergronden, het ontstaan en de inhoud van de belijdenis van Barmen breed worden behandeld. Daarvoor ontbreekt momenteel de gelegenheid.
Heel in 't kort mag gezegd worden, dat Barmen in de benauwde periode van het Nationaal-Socialisme (1934) een moedig getuigenis heeft afgelegd. Het keerde zich tegen de theoriën van ras, bloed en bodem als gelijkwaardige of meerwaardige openbaringen van God. Naast de bijbel hebben wij geen bronnen van openbaring. Met kracht wordt de natuurlijke theologie afgewezen.
Vooraf wordt met grote duidelijkheid Jezus Christus als het ene Woord van God beleden en de consequenties daaruit getrokken voor het gehele leven.
Hoezeer Barmen in die situatie te waarderen valt en hoezeer de Duitse Kerk daardoor gedeeltelijk bewaard is voor de dodelijke omklemming van het Nationaal-Socialisme, dit is nog geen aanleiding om het op te nemen onder de belijdenisgeschriften van onze kerk, zeker niet om het tot de voornaamste belijdenis van onze kerk te maken. Daarvoor is het te tijdgebonden, en te eenzijdig, vooral in de gereviseerde vorm van Ds. Spijkerboer in art. 5.
Het is bij sommigen gewoonte de drie reformatorische belijdenisgeschriften min of meer tijdgebonden te achten. Zij zijn ontstaan in de grote controversen met Rome, de Dopersen en de Remonstranten.
Nog afgezien van de vraag of deze controversen in de diepste grond nog niet aanwezig zijn, de drie formulieren van enigheid munten uit in klaarheid, evenwichtigheid en vooral in een door en door bijbels gehalte.
Wat het eerste betreft, zal Ds. Spijkerboer opmerken, dat de controverse van Barmen inzake de natuurlijke theologie in 1934 vandaag nog even acuut is. Dat is waar. Er is een dodelijke bedreiging in — wat sommigen noemen — de na-Barthiaanse periode vanuit de theologie van Bultmann. Maar de antwoorden van Barmen zijn te eenzijdig dan dat zij voldoen. Hierbij zijn de artikelen 2 en 36 van de Ned. Gel. Bel. in het geding.
In art. 2 wordt ons geleerd dat wij God kermen door twee middelen: de natuur en de Schriften. Na onderzoek van de historische context van Art. 2 en van de geschriften van Guido de Brés en Calvijn, kan moeilijk volgehouden worden, dat in art. 2 de natuur als een zelfstandige bron van de openbaring voorkomt, los van de Schrift.
Maar art. 2 doet wel recht aan de Heilige Schrift, wanneer deze spreekt over de kenbaarheid Gods voor alle mensen (Rom. 1 en 2). Paulus leert daar duidelijk, dat Gods eeuwige kracht en goddelijkheid vanuit de schepping door het schepsel wordt verstaan.
Deze kennis loopt weliswaar op niets uit, de waarheid wordt in ongerechtigheid ten onder gehouden. Maar — en daarop wijst de apostel met nadruk — door deze openbaring is niemand te verontschuldigen.
Twee dingen worden uit deze algemene openbaring duidelijk: God spreekt alle mensen aan, en: Niemand is te verontschuldigen. Dit mis ik in de belijdenis van Barmen. -
In art. 36 van de Ned. Gel. Bel. wordt veel indringender voor de plaats en de roeping van de overheid gesproken dan in Barmen gebéurt. Hoever de verduiveling en de demonisering van de overheid ook voortgeschreden is, de overheid is van oorsprong een goddelijke iristelling. Zij heeft een positieve roeping ten aanzien van het Koninkrijk Gods en de Kerk.
Art. 36 is en blijft een geloofsbelijdenis, die om concretisering vraagt ook in deze tijd.
Tenslotte zou ik willen wijzen op het christomonistisch karakter van de openbaring in de belijdenis van Barmen. Dit betekent, dat de Schrift niet alleen openbaring van Christus is, maar openbaring van de drieënige God, van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Dit heeft zijn consequenties voor de schepping, verzoening en verlossing. Dit alles vereist een veel bredere toelichting, waarop wij — zo nodig — later teruggekomen, maar gezien de vragen die daarover gesteld zijn, moest deze uiteenzetting nu in 't kort gepubliceerd worden.
Samenvattend is ons advies niet in te gaan op de wijzigingen van de Kerkorde, zoals die door Ds. Spijkerboer zijn voorgesteld.
Van veel groter belang is, dat de kerk leeft in de meest levende gemeenschap met de reformatorische belijdenissen. Dan is in de confrontatie met het heden ook zeker te luisteren naar het getuigenis van Barmen. Niet Barmen in de plaats van de belijdenis der Kerk.
Katwijk aan Zee G. Boer
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 1967
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 november 1967
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's