De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

12 minuten leestijd

Enkele maanden geleden gaven we wat informatie door van ds. J. v. d. Linden over de situatie in Indonesië, de spanningen in Makassar etc. Ook nu willen we enkele gedeelten overnemen uit een artikel van ds.v. d. Linden in het Amsterdamse Kerkblad van de Geref. Kerken. (Overgenomen in het Geref. Weekblad van 12 januari). Het gaat over de driejaarlijkse vergadering van de raad van Kerken in Indonesia. Deze vergadering werd dit keer in Makassar gehouden.

Rustig verloop.

Ds. v. d. Linden memoreert hoe de vergadering onder moeilijke omstandigheden bijeen moest komen. Het was immers zo kort na de onlusten in Makassar. De autoriteiten waren geschrokken van de felle uitbarsting van de Islam. Het leek onzeker of toestemming gegeven zou worden om in Makassar samen te komen.

Ook de kerken in Makassar zelf durfden het risico haast niet aan. 'n Nieuwe uitbarsting moest ten koste van alles worden voorkomen. In die explosieve-situatie, waarin zelfs de plaatselijke commandant geen verantwoordelijkheid voor de conferentie durfde nemen, greep de regering in Djakarta in. Zij begreep, dat hier een van de zuilen van de Indonesische republiek gevaar liep, als geen volledige vrijheid van godsdienst gewaarborgd kon worden. Na vele besprekingen op het hoogste niveau kwam, vier dagen voor de openingsdatum, de officiële toestemming af.

Het was voor de kerken een grote troost, dat er geregeerd werd in Djakarta en zij hebben deze beslissing dan ook als een uitkomst gezien in de gespannen situatie van de laatste tijd. Toen één keer de beslissing gevallen was en dat moet tot eer van de autoriteiten gezegd worden, hebben ze niets onbeproefd gelaten om de conferentie, zoveel van haar afhing, te doen slagen.

Er is geen wanklank gehoord. De islamitische wereld heeft zeer rustig gereageerd. In de prachtige gebouwen van de theologische hogeschool kon op de vastgestelde datum 19 oktober de conferentie worden geopend. Afgevaardigden van alle kerken in Indonesia waren aanwezig, daarnaast velen uit Amerika, Europa, het Midden-Oosten, Azië en Australië en Nieuw-Zeeland. Onder de gasten was ook de bisschop van Makassar, monseigneur Snijders.

Onze Nederlandse kerken waren vertegenwoordigd door dr. A. G. Honig. Hij zat toch nog net in Makassar voor zijn definitieve afreis naar Nederland. Hij heeft in zijn toespraak de Indonesische kerken nog eens opnieuw verzekerd van het meeleven van onze kerken, vooral in de gevaren, die hen bedreigen. Met name noemde hij de Chinese kerken, die in het hoekje zitten waar de slagen vallen. Met grote dankbaarheid memoreerde hij de nieuwe kansen voor de kerk, nu de ban van het syncretische tijdperk van Sukarno verbroken was. Tenslotte riep hij de kerken op met de Heer der kerken op weg te blijven, Die gezegd heeft: „In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar houdt goede moed. Ik heb de wereld overwonnen."

Het is met blijdschap dat we dit mogen doorgeven. Toen ik dit las moest ik onwillekeurig denken aan het woord uit Spr. 21 : 1: Des konings hart is in de hand des Heeren als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil."

Opmerkelijk was hoe de waarnemend president van Indonesia, generaal Soeharto, zelf een overtuigd Islamiet, in een toespraak tot de kerken, nadruk gelegd heeft op de daden van liefde jegens de medemens.

De verhouding tot de andere godsdiensten.

Gezien de gespannen verhouding tot de Islam kwam op de agenda speciaal het onderwerp voor: De verhouding tot de andere godsdiensten. Het is voor de kerken in Indonesië niet eenvoudig temidden van alle spanningen en conflicten hun weg te gaan en met wijsheid en toch vastberadenheid stand te houden. De geschiedenis kent naast vele voorbeelden, waarin een kerk in zulk een situatie trouw bleef, ook menig voorbeeld, waarin de kerken bezweken voor de druk en hun boodschap verzwakten terwille van de wereldopinie. Dankbaar mogen we zijn dat op deze conferentie in Makassar openlijk gezegd is dat het evangelie ook in de wereld van Indonesia een ergernis en een dwaasheid blijft.

Makassar zelf was het bewijs, hoe reëel de grote spanningen waren, die de laatste tijd aan het licht gekomen waren. Spanningen, die vooral door een deel van de pers bewust worden aangeblazen. Zo was er 28 oktober vlak voor de conferentie nog een bericht, dat de moskee in Menado van licht en water was afgesneden. Het bleek een canard, maar de tendens was doorzichtig genoeg: men wilde suggereren, dat de moslims in het christelijk Menado het zwaar te verduren hadden.

Welk antwoord hadden de kerken op deze en dergelijke aanvallen? Hoe moest hun houding zijn tegen hun zo vijandig optredende Indonesische medeburgers?

De kern van het conflict spitste zich vooral hierop toe: de moslim heeft er alle begrip voor, dat de zending het evangelie onder heidenen brengt. Maar prediking van het evangelie onder moslims, is iets dat ze hoe langer hoe minder kunnen dulden. Zij beschouwen hun godsdienst als de hoogste religie. Christenen moeten zich goed realiseren, dat hun aanwezigheid in specifiek-islamitische gebieden aanleiding geeft tot moeilijkheden en spanningen. Zo is in Atjeh een actie gevoerd om de kerkgebouwen te doen sluiten. Hier en daar herinnert men-aan de situatie zoals die in de koloniale tijd bestond, toen bepaalde gebieden, Atjeh, Bantam en Bah voor de prediking van het evangelie gesloten waren. Op dit punt willen nu vele islamieten wel terug naar die anders zo vervloekte koloniale tijd waarin n.b. de christelijke regering begrip had voor rust en orde in moslim-gebieden. U herinnert zich die beschamende episode in ons koloniaal beleid.

Aan dit probleem dus konden de kerken niet voorbij gaan. Het beheerste de geesten teveel dan dat men kon overgaan tot de orde van de dag.

Uit de verslagen van de conferentie blijkt tot onze grote vreugde, dat de kerken op die plaats zich goed bewust zijn geweest van hun roeping. Vanuit de bijbel wist men het ook, dat wij als christelijke kerken altijd geroepen blijven tot prediking. Het is de dienst van de kerk aan de wereld, ook aan de islam.

Dit betekent dan ook, dat de kerk geen genoegen kan nemen met het handhaven van de status-quo in de verhouding tussen de kerken en de niet-christelijke wereld. Zij zijn zich goed bewust, dat dit moeite met zich zal brengen en misschien wel gevaar. Het blijft overal waar, ook in de wereld van Indonesia, dat het evangelie voor deze een ergernis is en voor de ander een dwaasheid.

In Makassar heeft men goed gezien, dat het in de kcraiende tijd daarom zal gaan of de kerk haar roeping getrouw wil zijn of een gevaarlijk compromis wil sluiten met de wereld om haar heen.

Meer dan ooit zullen zij zich rekenschap moeten geven van de wijze, waarop ze de islam en de islamiet tegemoet treden. Daarvoor is diepgaande studie nodig. Want het gaat daarin, zoals men het graag stelt, in Indonesia om een existentiële dialoog. Maar daaraan zal de diaconia niet mogen ontbreken. Alleen in die dienst zullen de kerken dicht naderen de islamitische mens in zijn nood.

Geen compromis dus, maar met wijsheid in de weg van het evangelie gaan in dienst aan de ander, in dienst en gemeenschap en als het moet ook als getuige tot het laatste!

In de conferentie liep zo de bespreking van dit hachelijke punt uit op een duidelijke oriëntatie en koersbepaling van uit het evangelie.

In vergelijking met 1964 mag dankbaar geconstateerd, dat de kerken nu zeer duidelijk hun blijvende opdracht hebben zien liggen.

„Klare Wijn" en het Israëlitische denken. 

Wie het geschrift „Klare Wijn" over het geheim en het gezag van de Bijbel gelezen heeft, weet hoe er in hoofdstuk 3 nogal dikwijls gesproken wordt over het Israëlitische denken. De Bijbel is, zo lezen we in par. 1 van hoofdstuk 3 naar wezen en inhoud een Joods boek. Over dit joodse karakter, dit zgn. Israëlitische denken stelt ds. C. A. v. Harten een aantal vragen in zijn artikelen serie over „Klare Wijn" in het Herv. weekblad „De Gereformeerde Kerk". We citeren een artikel in het nummer van 11 januari:

Herhaaldelijk lessen we uitdrukkingen als: „de Jood ziet...", „voor de Jood is ...", „de Jood belijdt...". Als ik dat lees komt onwillekeurig de vraag bij mij op: Wat heb ik daar nu eigenlijk mee te maken, wat de Jood denkt en ziet en voelt. Dat is toch niet bepalend voor mijn geloof? Natuurlijk zullen we nooit mogen vergeten, dat Israël het uitverkoren volk is en blijft. Maar we zullen evenmin mogen vergeten, dat de Israëlieten niet uitverkoren zijn om hun positieve kwaliteiten, hun hoge religiositeit of om de verheven gedachten, die de besten van hen hebben gehad over God en mens en alle dingen.

Wat het Israëlitische denken op zichzelf waard is, zien we bij de Sinai, waar de Israëlieten er bij Aaron op aandringen, dat hij hun een God zal maken die voor hun aangezicht heen gaat; dat zien we wanneer ze aan Samuel vragen, dat hij hun een koning zal geven zoals alle volken hadden, een koning die hen zou aanvoeren in de strijd. Dat echt-Israëlitische denken ontmoeten we, wanneer men in de dagen van Amos hunkert naar de Dag des Heren, in de waan, dat de Here alsdan zijn heerlijkheid zal tonen door de vijanden te vernietigen en Israël groot te maken. Dat Israëlitische denken komen we ook tegen bij de Farizeeën, die van de door de dichter van Psalm 119 zo innig bezongen thora — het heilsbericht, waaruit we mogen leven — een serie wetten hebben gemaakt die met elkaar 'n ladder vormden, waarlangs de mens omhoog kon kruipen naar de hemel.

De Israëlieten waren en zijn van zichzelf — ook al zijn en blijven ze het uitverkoren volk — even heidens als alle heidenen; even leugenachtig als alle mensen. Daarom kan hun denken niet bepalend zijn voor mijn geloof.

Nu zal iemand me wellicht in de rede vallen en zeggen: „Dat wordt er ook helemaal niet mee bedoeld. Met Israëlitisch denken wordt natuurlijk bedoeld: bijbels denken, door de profeten gestempeld denken.

Als dat werkelijk zo is, vervallen mijn bezwaren. Dan komen we op een heel ander niveau. Op het niveau van de profetie, waarvan Petrus geschreven heeft, dat zij voortgebracht is niet door de wil van mensen (van religieuze genieën) maar gesproken is door heilige mannen, die door de Heilige Geest gedreven werden. Ik vraag me echter af, of dat werkelijk zo wordt bedoeld.

We menen dat ds. v. Harten met die laatste opmerking gelijk heeft. Het herhaalde spreken van „Klare Wijn" over het joodse denken heeft een nog wat andere bedoeling dan de bekende tekst uit 2 Petr. 1.

Dat blijkt ook uit de opmerking op blz. 220: „In het gesprek met de groten uit Israël zullen wij van hen veel kunnen leren over het eigenlijke geheim, de werkelijke Messiaanse dimensies in Wet en Profeten."

Ds. V. Harten blijft ook hier met een vraag zitten. Hij schrijft:

Is het werkelijk waar, dat de Israëlieten als zodanig — als mensen van hetzelfde vlees en bloed als Simon-bar-Jona — meer toegankelijk zijn voor het diepste geheimenis van Wet en Profeten dan wij geboren heidenen? Hebben de profeten dan ook niet altijd tegen de stroom op moeten roeien? Voor hun Boodschap vonden ze bij de Israëlieten, de groten en de kleinen, de edelen en de onedelen, even weinig gehoor en begrip als het evangelie bij de Grieken.

Natuurlijk zal de Kerk het gesprek met Israël moeten voeren. En evenzeer vanzelfsprekend zal zij dat in diepe ootmoed en met grote bescheidenheid moeten doen. Ook is het wel zeiker, dat de Kerk van dat gesprek ontzaglijk veel zal kunnen leren. Maar of we nu, met alle respect voor de groten van Israël, van hen veel zullen kunnen leren over het eigenlijke geheim, de werkelijke Messiaanse dimensies in Wet en Profeten, waag ik toch te betwijfelen. Dat zullen we niet bij Buber of bij Gamaliël moeten leren, maar bij Petrus en Paulus.

Mijn vraag is dus eigenlijk: Hoe staat het nu met dat Israëlitische denken? Wat wordt daar precies mee bedoeld? En... in hoeverre is nu dat „Joodse denken" bepalend voor ons christelijk geloof?

Het moge duidelijk zijn welke belangrijke vragen hier aan de orde komen, vragen die in een persoverzicht slechts gesignaleerd kunnen worden, maar diepere bestudering vragen. Daartoe moge de lezing van deze paragrafen van „Klare Wijn" ons stimuleren. Het zijn de vragen naar de verhouding van O.T. en N.T., de betekenis van het joodse denken voor de exegese van de Bijbel. Terecht wijst v. Harten op het gesprek met Israël. En ontegenzeggelijk hebben mensen als de grote joodse denker Martin Buber ons op aspecten van het bijbels getuigenis geattendeerd, waar we niet zo maar aan voorbij kunnen gaan. Maar geldt dat nu ook voor de Messiaanse dimensie? Of moeten we dan niet zeggen dat juist hier nog altijd de breuklijn loopt tussen Kerk en Jodendom?

Overigens is ds. v. Harten niet de enige die bezwaar maakt tegen de term „joods denken". In het julinummer van „Kerk en Theologie" had ook prof. dr. A. S. V. d. Woude, de Oud-testamenticus uit Groningen, bezwaren geuit tegen deze spreekwijze. Niet duidelijk is waarin nu het typische joodse bestaat in onderscheid van het oosters karakter van de Schrift en evenmin wordt z.i. genoegzaam onderscheid gemaakt tussen het specifiek bijbelse en het echt joodse. Met een citaat uit dit artikel van prof. v. d. Woude eindigen we ditmaal:

„Valt het „bijbelse" nu werkelijk met het „joodse" samen? Waarom dan die felle protesten van de profeten tegen hun joodse tijdgenoten, die („grieks") riepen: „Des Heren tempel, des Heren tempel, des Heren tempel zijn deze", en leefden uit een objectief verkiezingsgeloof? Paulus heeft de heidenen niet gevraagd „joods" te gaan denken, maar het evangelie te aanvaarden" (blz. 196).

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1968

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1968

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's