GELOOF IN DE CRISIS
„En zeide tot Hem: zijt Gij Degene, Die komen zou, of verwachten wij een anderen? " (Mattheüs 11 : 3)
„Zalig is hij, die aan Mij niet geërgerd wordt", zei Jezus. Johannes de Doper nam nu echter juist wel aanstoot aan Christus, Wiens heraut hij was. Althans, met alles wat hij zelf ondervond èn met wat hij van Jezus, hoorde, zat hij vreselijk in de knoop. Zó vreselijk dat zijn geloof bij wijze van spreken op instorten stond. Hij wist niet meer wat hij moest denken, wat hij kon geloven. In de vraag, die hij door twee van zijn discipelen aan de Heere liet overbrengen, klonk dan ook een grote nood door. Ze was als een schreeuw om hulp. De vader van de maanzieke knaap, die eens met zijn kind bij de Heere Jezus kwam, bad: „Ik geloof, Heere, kom mijn ongeloof te hulp". De vraag van Johannes drukte als het ware het tegenovergestelde uit: „Ik ben ongelovig aan het worden, Heere, kom mijn geloof te hulp".
Ja, en wie had ooit kunnen denken dat het zover nog eens met Johannes zou komen? Hij was immers altijd een onvervaard kampioen geweest voor het nabijgekomen Koninkrijk Gods? Steeds had hij zich onverschrokken van zijn herautentaak gekweten; in zijn prediking had hij nooit iemand ontzien! Hij was werkelijk een krachtfiguur. Dat bleek ook uit zijn houding tegenover Christus. Zonder op zichzelf te letten had hij b.v. zijn discipelen op Jezus gewezen: „Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt". En later, toen de Heere steeds meer volgelingen kreeg: „Hij moet wassen, ik minder worden". Welk een sterk geloof bleek daaruit! De vraag: “Hoe is het mogelijk dat Johannes zover kwam?”, valt dan ook moeilijk te onderdrukken.
Sommige uitleggers hebben een oplossing voor dit probleem gezocht in de veronderstelling dat niet Johannes zelf zou hebben getwijfeld, maar zijn discipelen en dat hij deze met hun eigen twijfel naar Jezus zou hebben gestuurd. Wie de geschiedenis echter onbevangen leest, zal moeten toegeven dat daar niets van in de tekst staat. Bovendien: het antwoord was zeer persoonlijk gericht: „.Boodschapt Johannes weder hetgeen gij hoort en ziet". We kunnen er dus niet onderuit te zeggen dat Johannes getwijfeld heeft. Maar laten we er tegelijk dankbaar voor zijn dat deze geschiedenis ons is overgeleverd, Zó is ze immers leerzaam en troostvol voor ons in onze twijfel. Wat een bange vragen leven er vaak ook niet in ons hart. Ook nu kan het gebeuren dat het geloof van een mens als op instorten komt te staan. Of hebt u daar nooit last mee gehad? Dan zou ik u bijna „een gelukkig mens" noemen. Ik mag het echter niet zonder meer doen, want u bent alleen dan maar een gelukkig mens, als die geestelijke rust niet de rust is van de dood. Dat kan n.l. ook.
In dit verband is het leerzaam elkaar te wijzen op een woord van Luther: „Wie nog nooit getwijfeld heeft, heeft ook nog nooit geloofd". Deze krasse uitspraak bevat veel waarheid, want echt geloof wordt bestreden. De boze probeert altijd weer degenen, die als verlorenen in zichzelf op Christus als hun Zaligmaker leerden hopen, aan het wankelen te brengen. Waar onze geestelijke stand echter niet meer is dan een houding, niet meer dan een verstandelijke overtuiging, daar laat hij ons maar al te graag met rust. Hij wacht er zich wel voor slapende honden wakker te maken! Daarom is zelfonderzoek dringend geboden. We hebben daarbij echter wel te bedenken dat niet alle twijfel gelijk is. Om dit met een voorbeeld te verduidelijken: als we een krantenbericht lezen over iets vreemds dat in Amerika gebeurd is, kunnen we er aan twijfelen of het wel waar is; maar, als we ziek zijn, kunnen we er ook aan twijfelen of we nog wel weer beter zullen worden. De laatste twijfel is natuurlijk veel ernstiger: die raakt ons zelf, ons léven.
Zo raakt echte geestelijke twijfel ons bestaan voor God; daarbij is onze zaligheid in het geding. Anders gezegd: onze enige troost in leven en sterven.
Door een dergelijke twijfel werd, zoals uit onze tekst blijkt, Johannes de Doper overvallen, toen hij door Herodes in de gevangenis was gezet, neen niet omdat hij een misdaad begaan had, maar omdat hij zijn plicht had gedaan ook tegenover de koning. Door die gevangenneming was hij in eens uitgeschakeld. Hij was nu wel heel erg „minder" geworden! Van zijn discipelen hoorde hij ondertussen hoe Jezus werkte; hoe Hij predikte en wonderen deed. En dit werd door de duivel uitgebuit om hem aan te wankelen te brengen: dat kunnen we rustig aannemen. Wat zal hij gestookt hebben: „'t is wat moois: jij de wegbereider van de Messias in de gevangenis". En zo werd zijn geloof geschokt, zodat steeds dringender de vraag ging branden: Heb ik me niet vergist? Is Jezus wel werkelijk Degene, die komen, zou?
Nog altijd gaat de vorst der duisternis zo te werk. Steeds weet hij onze omstandigheden uit te buiten. Zeker, we kunnen ook overvallen worden door twijfel zonder dat er sprake is van beproeving; vooral als ons geloof nog pril is. Wie b.v. zijn zonde en schuld leerde kennen, zal hij proberen wijs te maken, dat die veel te groot zijn om nog vergeven te kunnen worden. En wie pas laat acht leert geven op Gods Woord, zal hij willen doen geloven, dat God nu natuurlijk niets meer met hem te maken wil hebben, omdat hij Hem veel te lang Het wachten. Dat neemt echter niet weg dat de boze vooral gebruik maakt van allerlei tegenspoed om een mens geestelijk ten val te brengen. Als het anders loopt in ons leven dan wij hadden gedacht en gehoopt, houdt hij ons al gauw voor: „Zie je wel dat je van je geloof niet beter wordt. Van je God moet je 't maar hebben! Want waaruit blijkt nu Zijn liefde? " En dan raken we maar al te vaak in verwarring, zodat we met Psalm 42 moeten zeggen: „‘k Heb mijn tranen, onder 't klagen, tot mijn spijze dag en nacht; , daar mij spotters durven vragen: Waar is God, Dien gij verwacht?" Zo wordt het geloof ondermijnd en komt het op instorten te staan. Wat een nood, want: wat nu? Is er nog een weg om uit dit moeras te ontkomen?
Ja, er is een weg: de weg, die Johannes bewandelde. Hij zond in zijn nood twee discipelen naar Christus om Hem alles voor te leggen: „Heere, ik weet het niet meer, ik kan er niet meer tegenop: ik ben ongelovig aan het worden, kom mijn geloof te hulp". Daarin hebben wij in onze bestrijding en twijfel Johannes na te volgen. Ook voor ons is de weg, alles aan de Heere te klagen; want ook hier geldt: „Bid en u zal gegeven worden". Maar wij moeten tegelijk ook letten op het antwoord, dat God ons geeft. Johannes werd met zijn twijfel verwezen naar het Woord. De Heere gaf hem niet een bijzonder teken om daardoor zijn twijfel te genezen, maar herinnerde hem eenvoudig aan wat er geschreven stond in de profetieën: kijk, dit is bezig te gebeuren en dat staat geschreven en nu moet u zelf maar uitmaken of Ik Degene ben. Die overeenkomstig de Schriften zou komen. Datzelfde Woord Gods alleen kan ook ons weer houvast en uitzicht geven, als we door aanvechting en twijfel alles dreigen te verliezen. En dat Woord is zo ontzettend rijk. Het verkondigt dat er genade is zelfs voor de grootste der zondaren; dat wie tot de Heere komt, geenszins uitgeworpen zal worden en dat „Hoe donker ook ooit Gods weg moog' wezen. Hij toch in gunst neerziet op die Hem vrezen".
Wie daar dan oog voor krijgt, vat weer moed, vooral ook omdat de Heere Zijn Woord houdt en Zijn beloften vervult om der willé van Hem, Die onze zonde - ook die van ongeloof en twijfel - door Zijn zoenbloed bedekt heeft. Met deze vaste grond onder de voeten, leren-we dan in de strijd tegen satan dat Woord ook meer en meer hanteren als het zwaard des Geestes, opdat hij ons niet opnieuw onze troost zal ontroven. Maar na de bange nood en de bittere klacht zullen we dan ook, een lofzang aanheffen tot Gods eer:
„Ik roem in God; ik prijs 't onfeilbaar woord;
Ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord;
'k Vertrouw op God, door gene vrees gestoord;
Wat sterv'ling zou mij schenden? "
Ridderkerk-Slikkerveer. J. Noltes
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1968
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1968
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's