AANNEMELIJKE VRAGEN!
Wil Lukas 21 : 24 zeggen dat nu de „tijden der heidenen" vervuld zijn? Dit in verband met de verovering van Jeruzalem door Israël. Zo ja, wat voor consequenties heeft dat dan? (lett. VM).
Daar zit ik dan. Het is niet zo eenvoudig om op deze vragen van antwoord te dienen, maar „ondergetekende hoopt vurig, dat u..." staat in de brief. Voor jezelf formuleer je enkele voorlopige gedachten om dichter bij het bescheid te komen. Hoe langer hoe meer merk je wat daaraan vast zit. Tenslotte bereikte ik een ook alweer voorshandse conclusie, dat deze rubriek vooral bedoeld was voor geestelijke vragen. Behoort deze kwestie niet tot een andere categorie? Toen kwam er een en ander op me af, dat ik bijna geneigd was te zeggen: „Ik voel de winden Gods vandaag", als ik tenminste de taal van de dichter tot de mijne zou willen maken.
Ik wil om verschillende redenen niet heel diep ingaan op de problemen. Laat ik dat woord nu ook maar eens een keertje gebruiken. We gaan uit van twee heel sobere en voorzichtige overwegingen. We zijn de hondjes, die de kruimeltjes vinden. Wanneer we de Bijbel lezen krijgen we toch wel de indruk, dat de toekomst voor Israël iets gaat brengen. De apostelen zagen nóg een punt op de agenda, toen ze spraken: „Heere, zult Gij in deze tijd aan Israël het koninkrijk oprichten? " Niet hun gedachte ontmoette afkeuring bij Christus, maar wel hun verlangen het juiste tijdstip te weten.
Een andere hoogst gewichtvolle omstandigheid is, dat na zoveel eeuwen ballingschap nog immer het volk der Joden bestaat. Ze zijn opgegaan in de volkeren, als duidelijk kenbare etnografische grootheid leven ze voort tot op deze dag. Vele waren de pogingen om dit volk uit te delgen. Men moet toch wel denken, dat de Heere Zijn uitverkoren volk achter de hand houdt, temeer ook omdat zovele beloften aan Israël niet ten volle zijn gehonoreerd.
In de bedoelde tekst lezen we dat als gevolg van de inname van Jeruzalem velen zullen vallen en gevankelijk zullen worden weggevoerd onder alle volken. Jeruzalem zelf wordt vertreden door de heidenen. Dat heeft lang, zeer lang geduurd. Eindelijk zijn de Joden naar het land hunner vaderen weergekeerd, maar de stad Jeruzalem bleef op dezelfde manier als eertijds de burcht Jebus in handen van de heidenen. Althans het voornaamste deel, met name het oude stadsgedeelte.
Nu is sedert de jongste oorlog in het midden-oosten de staat Israël heer en meester over gans Jeruzalem. Men zou toch wel tot de slotsom komen, dat de tijden — let wel tijden — der heidenen geweest zijn. Zal er nu niet een nieuwe situatie intreden? Daarom wordt bok terecht gevraagd naar de consequenties. De kanttekening verwijst naar Romeinen 11 : 25: de verharding komt voor een deel over Israël, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn". Hier komen nog andere accenten naar voren, maar er zijn wel degelijk overeenkomsten.
Alvorens concreter in te gaan op de vraag nog een principiële opmerking. Vaak is gesteld, dat Israël niet zou terugkeren naar het land der vaderen, wanneer het zich niet eerst tot de Messias Jezus Christus zou hebben bekeerd. We moeten echter voorzichtig zijn om de Heere de methode voor te schrijven. Onnaspeurlijk zijn Gods wegen. Wij kunnen waarlijk niet als raadslieden des Heeren fungeren. Vanzelfsprekend zou ook een waarachtige bekering voorafgaand aan de repatriëring een volstrekte gave van vrije genade zijn, maar naar buiten zou de indruk kunnen ontstaan, en dat zou wel in een wettisch straatje passen, dat de wederkeer toch een klein beetje als een beloning de bekering zou bekronen. Nogmaals we zullen direct repliceren met de belijdenis, dat deze beloning is geschied uit genade en niet krachtens verdienste, maar de Heere, die er prijs op stelt, dat zijn dienaren goed staan aangeschreven bij degenen die buiten zijn, draagt er ook Zelve zorg voor in geëigende gevallen, dat de vijand niet smaden kan. Niettemin wordt er toch nog gemurmureerd. In elk geval moeten we vasthouden dat wij niet weten wijze en manier evenmin als tijden en gelegenheden.
Hieruit zou men gevoegelijk kunnen afleiden, dat ik dus wel geneigd ben de terugkeer van de Joden naar Palestina eventueel te bezien als een begin van de vervulling van betreffende beloften. De verovering van het oude stadsdeel en dus het feit, dat geheel Jeruzalem in de macht is van de Israëli zou men verder moeten waarderen als een nieuwe mijlpaal, waarbij inderdaad Lukas 21 : 24 in het gezicht komt.
Toch wil ik niet categorisch uitspreken, dat ik hier nu zonder meer van overtuigd ben. Laat ik een wedervraag opwerpen. Wanneer de Arabieren hun zin hadden gekregen en ze hadden de Joden de zee ingedreven, wat dan? Als ze eens opnieuw de oude erve in bezit hadden genomen? Wanneer de Heere in grote genade zijn beloftenissen waar maakt verloopt alles niet, gestroomlijnd. Menigmaal wordt de verwachting bij de wortel afgesneden. Ge zult wellicht me tegenwerpen, dat Israël reeds moeilijkheden in overvloed heeft moeten overwinnen voor en tijdens de vestiging. Tot vandaag toe. Wie echter kan bepalen, dat de maat in dezen vervuld is? Het is voor het vlees een geheel onaantrekkelijke en dodelijke weg, wanneer de verwachtenden gedrongen worden tot de ontzettende uitroep: Indien Hij mij doodde, zou ik niet hopen? Het dal van Achor blijft niet links of rechts liggen. Het gaat er dwars doorheen. Daarom is het uiterst moeilijk om precies te bepalen hoe ver we zijn.
Met deze overwegingen kom ik tot een laatste conclusie, waarop ik reeds doelde in de inleiding en daarmee krijgen de vraag en beantwoording toch zeer beslist het karakter van het soort vragen, dat in deze rubriek speciaal aan de orde moet komen.
Want bepaald is het fout om na alles wat te berde kwam over te gaan tot de agenda van de dag met de woorden: Afwachten maar, je kunt niets met zekerheid uitspreken.
De apostel wijst een betere weg. Petrus toch schrijft: „Onderzoekende op welken of hoedanige tijd de Geest van Christus, die in hen was beduidde en tevoren getuigde het lijden dat op Christus komen zou en de heerlijkheid daarna volgende."
Ook wanneer het gaat om vragen als deze is nauwgezet biddend onderzoek aan de hand van de Heilige Schrift nodig om te bepalen op welke en hoedanige tijd al deze dingen vervuld worden. We krijgen wel meermalen de indruk, dat de morgen gekomen is, doch ook dat het rondom zwarte nacht is. Daarom: „keert weder, komt". Wachten in de zin van gespannen uitzien. Zoals wachters naar de morgen dat plegen te doen.
Allereerst wil ik derhalve vaststellen, dat de dingen van de toekomst veel en veel te weinig de aandacht hebben en leven. Ook is er het andere uiterste, dat men zijn hele geloof samentrekt op de leer van de laatste dingen.
Voorts moeten we diep onder de indruk zijn van de noodzaak, dat de Geest van Christus in ons moet wonen en werken. De vraag of we de Heilige Geest hebben ontvangen komt alle voorrang toe. Talloze dingen zijn „in", tegenwoordig, maar ik vrees dat bij weinigen de Geest in hen is. Het Nieuwe Testament met name wijst ons herhaaldelijk op de activiteiten die de Heilige Geest ontwikkelt. De Geest getuigt, bidt, onderzoekt, zucht, heeft geen lust in nijdigheid enzovoort.
We willen niet zonder meer uitspreken, dat de Heere niet bij deze en gene het goede werk is begonnen. Dus zal Hij het ook voleinden. Doch de gelovigen persoonlijk en bovendien de ganse gemeente zou ermee gebaat zijn, wanneer men mocht bespeuren, dat de Geest echt de ruimte en de vrijheid krijgt om te doen en te laten.
Vaak is er wel uitvoerig sprake van hoe de gelovige met de Geest werkzaam is, maar minder duidelijk komt naar voren en tot ontwikkeling hoe de Geest met de gelovige werkzaam is. Geestelijk leven moet zijn het leven van de Geest. Dat geeft een bepaalde gemakkelijkheid en minder krampachtigheid.
Ge zult allicht er tegenin brengen, dat wij toch immers ook verantwoordelijk zijn. Dat spreekt vanzelf. Maar sommigen beroepen zich daar wel eens te veel en op een beetje verdachte wijze op.
Het moet toch wel heerlijk zijn, wanneer de eeuwige sabbat aanlicht. Die breekt aan, wanneer we de Geest laten werken. Dat is geen zorgeloos en goddeloos leven. Integendeel. De Geest is aanhoudend werkzaam. De Geest en de bruid weten het samen wel. Zij zeggen: Kom. Kom in tweeërlei opzicht. Ook: Kom Heere Jezus. En alles wat met de uiteindelijke komst samenhangt ontvangt volle aandacht. Ook de vraagstukken, die thans onze belangstelling hadden houden voortdurend bezig. „Wilt gij lieden vragen, vraagt; keert weder, komt."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1968
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1968
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's