Wat zegt de Heilige Schrift over zichzelf (II)
En God sprak
EN GOD SPRAK.
In het eerste artikel zagen wij, dat wij de Heilige Schrift niet met aan haar inhoud vreemde maatstaven mogen benaderen. Wij zijn wat dat betreft geheel aangewezen op het zelfgetuigenis van de Schrift.
In de diepste ootmoed en de grootste verwondering mogen wij luisteren naar Gods stem.
Wanneer wij de eerste bladzijde van de bijbel lezen treft ons in Gen. 1 : 3 de uitdrukking: n God sprak: daar zij licht! en daar werd licht. Talloos vele malen lezen wij: en God sprak! Dit gaat door tot de laatste bladzijden van het boek der Openbaring aan Johannes. In Openb. 21 : 3 lezen wij: n ik hoorde een grote stem uit de hemel: ie, de tabernakel Gods is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen en zij zullen Zijn volk zijn en God Zelf zal bij hen zijn en hun God zijn.
Terecht rekent Klare Wijn dit spreken Gods tot één van de sleutels om de geheimen van het Woord Gods te verstaan.
Dit spreken van God is een groot wonder. Want de mogelijkheid voor schepselen om zichzelf te uiten in de taal is reeds verbazingwekkend. Wij spreken van mensentaal, dierentaal, vissentaal. De taal is een systeem van tekens, dat mensen, dieren, vissen gebruiken als middel voor onderlinge gemeenschap. Daarvoor gebruikt de mens de stem, ook de dieren veelal.
Natuurlijk is er een groot verschil in het taalgebruik van de mensen enerzijds en de dieren en de vissen anderzijds. Zij bestrijken verschillende taalvelden, waarin de geleerden zich verdiepen en waaruit zij u zeer interessante dingen kunnen vertellen. Dit middel tot gemeenschap is door God geschapen.
Wij kunnen alleen maar spreken in de taal, die God ons, mensen heeft gegeven en alleen maar luisteren in deze mensentaal naar de woorden Gods. Want, dat God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest weer in eigen taal met elkander spreken, doet de Schrift ons vermoeden, omdat God niet alleen de mens, maar ook Zichzelf toespreekt. Stukken van deze gesprekken staan soms in de bijbel (Gen. 1 : 26, Ps. 110 e.a. plaatsen).
In Gen. 1 : 3 gaat het over het scheppend spreken van God. Daarbij was niemand tegenwoordig. Dat het desniettemin in de bijbel staat, is het gevolg van een nadere mededeling van God aan Zijn vrienden (Mozes, e.a.).
God spreekt! De God van de bijbel is niet stom, maar spreekt. Daarin onderscheidt Hij Zich van alle afgoden, die een mond hebben, maar zij spreken niet. Zij hébben ogen, maar zij zien niet, oren hebben zij, maar horen niet (Ps. 115).
God is een sprekende God. Niemand verleende Hem dit vermogen. Hij bezat het Zelf en brengt door dit spreken de schepping voort, spreekt de schepping en de mens aan.
In dit spreken van God met de mens zit: zelfopenbaring, mededeling en gemeenschap. Wanneer God Zichzelf niet had geopenbaard o.a. in het spreken, wat hadden wij dan van Hem gekend en geweten? Niets. Het heeft God behaagd Zichzelf door dit spreken te openbaren. Hij treedt in en door dit spreken uit Zijn verborgenheid en zegt: Hier ben Ik, en: zo ben Ik!
Op dit openbarend spreken zijn wij volstrekt aangewezen. Buiten deze zelfopenbaring van God tasten wij als blinden langs de wand en weten niet, dat wij zelf uit dit spreken Gods zijn voortgekomen en door dit spreken alleen verklaard worden.
Daarom deelt God Zichzelf in dit spreken ook mee aan de mens, aan wie Hij Zich openbaart. De aard en de diepte van deze mededeling van Zichzelf laten wij nu nog in het midden. Maar zij is er. Daarmee is ook gegeven de gemeenschap, die Hij sticht met de mens. In die gemeenschap met Zijn kinderen is er een heen en weer, een woord en een antwoord of, als ge wilt een dialoog (tweespraak). Dat het spreken van God niet uitsluitend gevat kan worden in een dialoog, is duidelijk uit Gen. 1 : 3, waar Gods stem het licht tot aanzijn roept, dat er niet was èn uit het spreken Gods tot alle mensen (Rom. 1 en 2.) die grotendeels dit spreken Gods verdringen of verkeerd beantwoorden.
Het eerste woord sprak God, toen er niemand bij tegenwoordig was. Het laatste woord weerklinkt, wanneer alle mensen zijn uitgepraat (Openb.). Dit spreken Gods is soeverein, oppermachtig, almachtig, daadkrachtig, richt zich tot de schepping en de mensen.
Net zo min als Gods woorden door enig mensenwoord zijn te vatten en uit te putten, net zo min is 't spreken Gods uitsluitend te vatten in de tweespraak van God en mens. Daarom gaat het niet aan om Gods eerste woorden in Gen. 1 te vatten als een stuk geloofsbezinning uit een bepaalde periode van Israëls volksbestaan in de confrontatie met de (af)goden der volkeren. Hoe ook het ontstaan van Gen. 1 enz. geweest is, wie het spreken Gods in Gen 1. laat opkomen uit de zeef van het menselijk nadenken over het ontstaan van de wereld en de oppermacht Gods daarin, brengt aan het soeverein, onafhankelijk, almachtig en daadkrachtig spreken Gods een beslissende slag toe.
Dan willen wij het spreken Gods toch op de een of andere wijze ver-'klaren uit de confrontatie met de (af)goden der volkeren. Op zichzelf genomen is de confrontatie met de goden der volkeren een aangelegen zaak in de bijbel, mits wij maar niet afdoen van de vrijmacht, de soevereiniteit, de onafhankelijkheid en de daadkracht Gods.
Het spreken Gods is woord en daad in een. Hij spreekt en het is er. Hij gebiedt en het staat er (Ps. 33). Wij leven in een tijd, waarin een sterke waardevermindering van het woord plaats vindt. Vele woorden zijn cliché's geworden. Zij zijn even leeg als een lekke fietsband. De devaluatie van het woord hangt samen met onze zondige, gebroken werkelijkheid.
Wat wordt de gave van het woord in deze verleugende wereld misbruikt! Het toppunt is wel de uitdrukking, dat woorden alleen maar dienen om de gedachten te verbergen. Eveneens, wanneer duizenden Nederlanders bij een voetbalwedstrijd schreeuwen: Geen woorden, maar daden! Dit is de ernstigste schending van het woord in de Bijbelse zin, die maar denkbaar is.
Bij God is woord en daad één. Zijn woord loopt zeer snel.
Laten wij ons intussen verwonderen en ons verbazen over deze sprekende God. Laten wij de gave van de taal in Zijn lichtkring stellen en onze onwaarachtigheid en leugenachtigheid daarin gewaar worden.
Deze gave Gods dient gebruikt te worden voor de gemeenschap met God en de naaste.
Onze stem kan in de toon, het geluid en de buiging enz. vertolken wat er in ons hart omgaat. Wij kunnen in onze stem de teerste liefde en de ziedende toom leggen, met al wat daartussen ligt.
Dat gebeurt ook in de bijbel. De stem van God kan niet alleen dreunen als een donderslag, zo dat wij ineenkrimpen, maar ook de innigste en teerste taal van de liefde spreken, zodat wij ons vol vertrouwden aan Hem overgeven. Deze stem van God schept de afstand èn de intimiteit, kan bulderen als de storm èn suizen in een zachte stilte.
Maar hoe ook gemoduleerd, onze God heeft een stem. Hij spreekt en 't is er; Hij gebiedt en het staat er.
Met die stem sprak Hij tot de aartsvaders en profeten. Daarover een volgende keer.
Katwijk aan Zee G. Boer
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 1968
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 1968
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's