De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

NAAR AANLEIDING VAN EEN KERSTNUMMER.

11 minuten leestijd

NAAR AANLEIDING VAN EEN KERSTNUMMER.

In het kerstnummer van het evangelisatieblad „De Open Deur" heeft dit jaar een r.k. bijdrage gestaan van Mgr. J. Bluyssen. Onder meer wordt door deze bisschop geschreven dat Christus gekomen is „om ons aan te spreken in onze beste gevoelens".

Deze zinsnede is aanleiding voor Ds. A. Groot ('s Gravenhage) om in het Herv. Weekblad „De Geref. Kerk" (van 18 jan.) te protesteren tegen deze r.k. inbreng. Ds. Groot schrijft onder meer:

In de lente en zomer van 1967 gaven prof. dr. H. A. Obermann en de bekende r.k. theoloog Küng in Tubingen samen een werkcollege over de rechtvaardigingsleer bij Luther en bij het concilie van Trente. Het ging om de vraag of de rechtvaardigingsleer nog steeds het centrale geschilpunt is, of dat het al lang overleefd is. Wat was het resultaat? „Dat ons bleek dat die vraag in het oppervlakkige oecumenische jargon gesteld-wordt, namelijk dat de rechtvaardigingsleer als geschilpunt een overwonnen standpunt zou zijn, toch werkelijk onjuist is. Want bij de rechtvaardigingsleer komen allerlei grote lijnen samen, die ook in het post Johanneïsche en post-conciliaire tijdperk beslissend zijn tussen rooms en onrooms. Tegenwoordig zien .we duidelijker nog dan voorheen, dat ook in de rechtvaardigingsleer de gehele kerkleer en mariologie meespelen. Vroeger isoleerde men die leerstukken" wel eens van elkaar; maar wij zien nu dat dat niet meer mogelijk is." Zo sprak prof. Obermann in een vraaggesprek met drs. G. Puchinger.

Waarom ik dit hier weergeef? Voor mij ligt het kerstnummer '67 van De Open Deur. Het kerstnummer van '66 is berucht geworden door zijn mythe van de maagdelijke geboorte. Daartegen werd toen ver voor het kerstfeest reeds geprotesteerd. Een groot deel van de oplaag met deze „mythe" werd toen teruggenomen. Maar: was het laatste kerstnummer beter? Is wat mgr. J. Bluyssen daarin schreef niet doordrenkt van de roomse leer? Is Christus gekomen om ons aan te spreken in „onze beste gevoelen"? Zijn roomse kerk moge dit belijden, en hij dus ook. Maar niet de kerk die naar Gods Woord hervormd is. Dus zal een orgaan van de hervormde kerk dat ook niet belijden. Ooit heeft in onze kerk het apostolaat (art. 8) de belijdenis (art. 10) reeds zó sterk op de achtergrond gedrongen, dat over vragen die met de belijdenis nauw samenhangen niet meer gedacht wordt bij de samenstelling van een colportageblad als de Open Deur? „Onze beste gevoelens." Met een goed woord daarover moet men nodig gaan colporteren! In mijn werk als ziekenhuispredikant ontmoet ik minstens 80% buitenkerkelijken. Waarover spreken zij? Over „onze beste gevoelens"? Probeert men te vertolken wat er staat b.v. in Rom. 7, dan doet veler verweer denken aan een woord van Achab die van Micha zei: Ik haat hem, omdat hij over mij nooit iets goeds, maar alleen onheil profeteert" (1 Kon. 22 : 8). Ik bemerk het dagelijks: r is een ontstellende geestelijke onkunde, kennis van Schrift en belijdenis is uitermate schaars. Maar wij mogen van de redactie van een orgaan van het apostolaat onzer kerk verwachten dat zij niet meepraat in het oppervlakkige oecumenische jargon". Maar dat zij in het apostolaat Schrift en belijdenis uitdraagt, hervormd en niet rooms. Had de redactie van gewraakt kerstnummer aan de rechtvaardigingsleer de betekenis toegekend, gelijk Obermann-Küng dat doen, dan was de samenstelling van dit nummer ongetwijfeld anders geweest.

We stemmen met dit protest van harte in. Inderdaad rijst de vraag: Hoe is het mogelijk dat dit gebeurt in een toch min of meer officieel kerkelijk orgaan van een kerk die dan toch nog altijd in haar Kerkorde heeft staan: De Kerk weert wat haar belijden weerspreekt.

Zeker, die zelfde kerkorde biedt allerlei mogelijkheden tot oecumenische contacten, maar juist dit kerstnummer laat nog weer eens zien hoe men met 'n dergelijke oecumeniciteit in de mist geraakt.

De vraag rijst: Wordt dit alles maar stilzwijgend getolereerd door de leiding van onze kerk? Men krijgt de indruk dat de redactie van de „Open Deur", die door de kwestie van het artikel over de maagdelijke geboorte in het kerstnummer van 1966 toch wel gewaarschuwd is, zich van deze waarschuwing totaal niets aantrekt, maar rustig voortgaat op een weg die steeds verder van het belijden van de kerk afvoert. Een triest voorbeeld van de gang van zaken in onze kerk: Men doet maar en stoort zich niet aan het groeiend onbehagen van vele kerkleden.

Op deze manier holt men het apostolaat uit. Wie in een blad voor buitenkerkelijken een beroep doet op „onze beste gevoelens" tast het wezen van het Evangelie aan. Men kan dit van het humanistisch verbond verwachten, maar dat een kerk die de rechtvaardiging van de goddeloze belijdt, verantwoordelijkheid wil dragen voor een dergelijk geluid, is een uitermate verdrietige, om niet te zeggen onthutsende zaak.

DE GEREF. KERKEN EN DE SCHRIFTKRITIEK.

Dat niet iedereen even gelukkig is met de uitspraak van de synode van Lunteren, waarin de uitspraak van Assen uit 1926 wordt opgegeven, blijkt uit een artikel van Dr. Praamsma in „Calvinist Contact", overgenomen in „Waarheid en Eenheid" van 26 januari.

Wat de Gereformeerde kerken aangaat, wijs ik op de brochure van dr. Arntzen: De crisis in de Gereformeerde kerken, waarin onderscheiden nieuwere Schriftopvattingen de revue passeren. Wat de belijdende kerk in Duitsland aangaat, wijs ik op de woorden van een bekend Duits theoloog: „Bultmann is een zegetocht begonnen, die zijn weerga niet heeft. Zo is er een toestand onze kerkwereld binnengetreden, die ons met de grootste zorg moet vervullen. Als men let op de leerinhoud van de belijdenis der vaderen, dan is de belijdende kerk niet nagekomen wat zij aanvankelijk beloofde. Het is moeilijk te zeggen of de crisis die hierdoor ontstaat niet ernstiger is dan die welke indertijd (bedoeld is 1933) over ons losbarstte." En de eminente Amerikaans-Lutherse hoogleraar John Warwick Montgomery, die in nov. 1967 op een voortreffelijke manier de onfeil­baarheid van de H. Schrift handhaafde tegenover bisschop Pike (in een publiek debat op de campus van de McMaster University in Hamilton, Ont.) schreef een boek over de situatie in zijn kerk, de Lutherse kerk van de Missouri Synod (altijd bekend om haar onwrikbaar pal staan voor de orthodoxe Lutherse belijdenis) onder de titel „Crisis in Lutheran theology".

Van welke aard is deze crisis? Terwijl in de dagen van Assen 1926 de Bijbelkritiek zich speciaal bezig hield met de vergelijking van Israël’s godsdienst met die van andere godsdiensten (een gezichtspunt dat trouwens ook vandaag nog de geesten in sterke mate boeit), heeft sinds die tijd de z.g. vormhistorische methode van Schriftanalyse een eerste plaats veroverd. Volgens die vormhistorische methode zijn de evangeliën, en ook andere Bijbelgedeelten, opgebouwd uit kleinere losse eenheden. Deze eenheden zijn, volgens deze methode, overgeleverd in bepaalde vormen. Uit die vormen zou zijn op te maken uit welke overlevering de bijbelschrijvers geput hebben; wat de evangeliën betreft zou deze overlevering vooral bepaald zijn door de behoefte van de eerste gemeenten in haar prediking, onderwijzing, eredienst en polemiek. Over deze methode schrijft dr. Bergmann in zijn genoemde werk 't volgende: „Het historisch-kritisch onderzoek verlaat de vaste bodem van serieuze wetenschappelijkheid en ernstig te nemen Bijbelonderzoek, wanneer ze gissingen, die ten aanzien van de voorgeschiedenis van het Nieuwe Testament verre van algemeen aanvaard zijn, siert met het purper van de wetenschap. Uit louter vermoedens bouwt het zeer snel zekerheden. Daartoe hebben de vertegenwoordigers van de moderne theologie echter weinig reden. En wel te minder, aangezien ze het onder elkaar eens zijn. Hoe weinig reden we hebben om de resultaten van de historisch-kritische methode in handen van de moderne theologen te overschatten, moge uit volgend voorbeeld blijken. Twee theologen, prof. Martin Dibelius en prof. R. Bultmann vertegenwoordigen deze richting. Martin Dibelius brengt na moeitevolle arbeid achttien gelijkenissen uit de eerste drie evangeliën bijeen, die volgens hem werkelijk echt zijn. Maar nu komt Bultmann en die wijst van deze achttien vijftien af. Bultmann is niet slechts oneens met het aantal, ook ten aanzien van de plaats waar de verhalen zich afspelen bestrijdt hij Dibelius. Op zijn beurt stelt Bultmann een lijst samen van andere „echt waar" gebeurde feiten uit de Evangeliën. Prompt klimt weer Dibelius in de pen en er mengt zich bovendien nog een derde in de strijd, idie zowel Bultmann als Dibelius tegenspreekt. Zo gaat het muggenziften van de blinde leidslieden eindeloos verder. Dit twisten zou ons koud laten, ware het niet dat hierdoor het Woord van God in duizend stukken gescheurd wordt en er duizenden leden van de Gemeente zijn, die in navolging van de „godgeleerden" allerlei gedeelten uit hun Bijbel verwijderen." (a.w. bK 32).

Nu zou iemand kunnen zeggen: wat heeft dat alles met Lunteren 1967 te maken, op die Synode is immers het begrip „geschiedenis" nadrukkelijk gehandhaafd? Ja, maar werd niet meteen gezegd, dat dit begrip voor de een massiever is dan voor de ander? En hoe massief is het voor sommigen? Prof. Koole van Kampen gaf een uitvoerige analyse van de eenheden, waaruit naar zijn mening de historische gedeelten - van het O.T. moeten zijn opgebouwd, en op grond van deze analyse, en beïnvloed door archeologische vondsten, gaf hij in overweging de geschiedenis van Jericho's verovering in Jozua 6 als een symbolisch verhaal te beschouwen. En drs. Baarda van de Vrije Universiteit gaf een analyse van de eenheden, waaruit de evangeliën zijn opgebouwd, en hij kwam tot de conclusie: „Van historische betrouwbaarheid in de onder ons gangbare zin is geen sprake"; hij spreekt van „woorden, die door de gemeente in Jezus' mond gelegd zijn, maar die de rabbi van Nazareth nooit gesproken heeft", en (gewaagt van „verhalen in de evangeliën, die iets legendarisch over zich hebben, zo b.v. van de vervloeking en verdorring van de vijgeboom of meer nog, dat van de opstanding der doden bij het sterven van Jezus." En hij stelt de vraag: „Is het niet mogelijk, dat hier bepaalde woorden van Jezus in het gerucht, in de volksvertelling, gedramatiseerd zijn? "

Naar mijn overtuiging hebben, wij hier te maken met Schriftkritiek in optima forma, en dit is de situatie na Lunteren 1967.

Onzerzijds een paar kanttekeningen. We zullen om tot een eerlijke beoordeling te komen moeten onderscheiden tussen Lunteren en de situatie na Lunteren. Ter synode zijn met de opheffing van de uitspraak van Assen toch een aantal „zekeringen" aangebracht, waarin met nadruk uitgesproken wordt dat men beslist niet de kant op wil van hét loslaten van de historiciteit, de erkenning van de mythe en dus de weg van Bultmann en Dibelius.

Dat mogen we met dankbaarheid honoreren. Is het onbehagen van Dr. Praamsma dan uit de lucht gegrepen? Dat zouden we geenszins willen zeggen. Telkens weer komt de vraag boven: Waarom zijn velen zo blij met de opheffing van Assen? Is dit omdat een uitspraak die met name ook in zijn kerkrechtelijke consequenties te ver ging teruggenomen werd? Of is men verheugd dat men door de opheffing van Assen uit een zeker isolement verlost is en nu op dezelfde wijze als b.v. in de Herv. Kerk kan gaan spreken over het Schriftgezag. Nog niet zo lang geleden heeft Prof. Ridderbos het opgenomen voor het isolement van de Geref. Schriftbeschouwing, in die zin dat z.i. onverkort gehandhaafd diende te worden het verband van identiteit tussen de geschreven Bijbel en het Woord van God. Ridderbos wil dus bij alle erkenning van de zgn. menselijke factor (men vergeve me dit wat ongelukkige woord) ernst maken met het: De Bijbel is Gods Woord.

Wordt dit door Lunteren 1967 verzwakt? Velen antwoorden ontkennend. Wij hopen het van harte. Maar de door Dr. Praamsma geciteerde uitlatingen van Koole en Baarda — en ze zouden met velen te vermeerderen zijn — geven toch aanleiding tot onbehagen. Wij hebben in de Herv. Kerk niet zulke beste ervaringen met synodale uitspraken. Vaak vormden ze een invalspoort voor allerlei opvattingen die het reformatorisch belijden verzwakten.

Nu kan men zeggen: De Geref. Kerk is de hervormde niet — en dus is voor dit onbehagen, dit wantrouwen geen plaats. Nogmaals, wij hopen het van harte. Maar de koers die de Geref. kerken in vele opzichten varen, geven toch niet alleen aanleiding tot geruststelling. Leeruitspraken staan nooit op zichzelf. Daar wordt mee gewerkt. Laat men juist na Lunteren 1967 op zijn hoede zijn voor de consequenties. Consequenties die zouden gaan in de richting van de door Praamsma geschetste situatie.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 1968

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 1968

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's