De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Op een hoge berg

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Op een hoge berg

7 minuten leestijd

„En na zes dagen nam Jezus met Zich Petrus en Jakobus en Johannes, zijn broeder, en bracht hen op een hoge berg alleen. En Hij werd voor hen veranderd van gedaante; en Zijn aangezicht blonk gelijk de zon en Zijn klederen werden wit, gelijk het licht. Matth. 17 vs 1 en 2.

Hoe kort is het nog maar geleden, dat Simon Petrus openlijk de Heere Jezus had beleden. Christus lokte hem uit zijn tent met de dringende vraag: Wie zegt gij, dat Ik, de Zoon des mensen ben? Petrus kon het niet voor zich houden: Gij 'zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods. Hij sprong haast verder, dan zijn stok lang was, maar hij kwam op de stevige grond der waarheid terecht: Gij zijt. Toen had Jezus gezegd: Vlees en bloed hebben u dat niet geopenbaard. Nu, dat blijkt wel. Vlees en bloed laten zich weldra weer gelden; Spreekt Christus over het Kruis, dan zet Petrus Hem de voet dwars: Dat zal U geenszins geschieden. En toch moet het geschieden. De Heere Jezus slaat welbewust de weg naar het Kruis in. Hij laat Zich ook door Petrus niet tegenhouden: Ga achter mij satan.

Het is zes dagen later. Daar gaat de meester met Zijn leerlingen, drie van Zijn leerlingen. Hij zoekt de eenzaamheid en neemt hen mee. Zij behoren alle drie bij de eerste discipelen, die Hij riep en vertegenwoordigen heel de kring der twaalven. Zij treden als getuigen op, ooggetuigen, zodat ze later eenparig zullen verklaren: zo is het gebeurd. Het is een rijk voorrecht met Christus mee te mogen. Ze moeten er eens uit, om thans Zijn getuigen te kunnen zijn.

Hij brengt hen op een hoge berg. Meerdere malen lezen wij in het evangelie, dat Jezus een berg beklimt, wanneer Hij zich wil onttrekken aan het gewoel der mensen, en de gemeenschap met Zijn Vader in het gebed zoekt. Deze keer is het een hoge berg. Het is niet met zekerheid te stellen welke berg hier bedoeld wordt. Meestal neemt men aan, dat het de Thabor was, maar om allerlei redenen is dit niet waarschijnlijk. Het kan veel eerder de Hermon geweest zijn; dat is tenminste een hoge berg, waarvan de toppen met sneeuw bedekt zijn. Op een van de uitlopers van dit gebergte grijpt dan plaats, wat hier verhaald wordt. Laten wij hem maar de berg der verheerlijking noemen. Kijk, ze gaan achter Christus aan, de hoogte in.

Na zes dagen. In die zes dagen moesten ze veel verwerken. Die sterke belijdenis van Petrus, en daarna die harde bestraffing van Christus. Eerlijk gezegd zitten zij allen met die moeilijkheid: Hoe kan men de heerlijkheid rijmen met het kruis? Nadrukkelijk had Jezus zijn lijden aangekondigd, maar hoe kon de Christus lijden? Maakte de dood geen einde aan Zijn heerlijkheid? Het verband tussen vernederd en verhoogd worden, ligt niet zo eenvoudig. Toch zal het ook in hun eigen leven van kracht worden: Sterven om te leven; uit verlies winst; door lijden tot heerlijkheid. Een volgorde, waar vlees en bloed niet aan willen geloven. De aanvankelijke belijdenis van Christus dreigt schipbreuk te lijden op deze klip. Hun meester weet dat wel; Hij zal hen onderwijzen in de weg die Hij gaan zal, en waarin zij Hem later mogen volgen. Zij leren niet alles in eens; Hij neemt er de tijd voor, na zes dagen.

Want op die hoge berg zullen zij zijn heerlijkheid aanschouwen. Dat zal een onuitwisbare indruk op hen maken. Vlak voor de poort van het lijden, deze overweldigende openbaring van Zijn heerlijkheid. Om nooit te vergeten, om later van te getuigen: Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader, schrijft Johannes. En Petrus roept het opgetogen uit: Wij zijn aanschouwers geweest van Zijn majesteit, toen wij met Hem op de heilige berg waren. De hoge berg wordt de heilige berg, waar de heerlijkheid, de goddelijke heerlijkheid, in al haar luister schittert. Daarheen brengt de Heere Jezus hen, en dat bedoelt Hij er mee. Zij zullen van Zijn heerlijkheid overtuigd worden, voordat zij het van nabij moeten zien: Geen gedaante, geen heerlijkheid, in de lijdende knecht. Ondanks deze ontluistering, die Hem van alle heerlijkheid zal beroven, is Hij toch de Zoon van de levende God. Dat staat vast, al wordt het weldra verduisterd. De heerlijkheid gaat aan het kruis te gronde, maar wordt nooit ongedaan gemaakt.

Het loopt tegen de avond, de nacht valt vrij plotseling. Boven hen de sterren, rondom de stilte. Jezus laat de discipelen ergens achter, om zelf nog wat verderop te gaan. Hij wilde hier, op de berg, alleen zijn. De discipelen wikkelen zich in hun mantels en vallen al spoedig in slaap. Christus bidt. Hij worstelt voor het aangezicht van Zijn Vader met het vraagstuk dat Zijn discipelen bezig hield: Zijn heerlijkheid, nu het kruis Hem wacht. Vader, zo bidt hij, verheerlijk Uw Zoon, opdat ook Uw Zoon U verheerlijke. Opdat Mijn discipelen verstaan, dat Ik toch de Zoon ben!

Aan het eind van de gebedsnacht wordt Christus verheerlijkt. Petrus en die met hem zijn, worden wakker uit hun zware slaap en wat zien ze? En Hij werd voor hen veranderd van gedaante. Nieuwe, innerlijke kracht is Hem toegestroomd, maar ook uiterlijke heerlijkheid. Zijn aangezicht blonk gelijk de zon, en Zijn klederen werden wit, gelijk het licht. Een gelaat stralend in bovenaardse gloed, als de zon. Klederen, die glinsteren, witter nog dan de sneeuw, wit als het licht. Wat een aanblik, bijna verblindend. De heerlijkheid van de schepping, vindt haar brandpunt, hier op de berg, hier bij Hem. Het is alsof de zon met al haar licht, alleen maar deze mens beschijnt, deze mens Gods, deze laatste Adam. Hij baadt Zich in dat licht. Hij wordt ervan overgoten. Zie daar de mens Gods. Zie daar de Zoon Gods; het is immers niets minder dan goddelijke heerlijkheid die zich hier aan Christus meedeelt.

Het is, zo trachten wij te omschrijven — beschrijven is niet mogelijk — een teken van Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid. De heerlijkheid die Hij bij den Vader had, eer de wereld was. Zijn oorspronkelijke heerlijkheid, die omsluierd werd tijdens Zijn leven. Zijn lijden. Zijn sterven. Dat wordt gaandeweg erger, het licht wordt geblust, de zon gaat overdag onder. Hij zal als de Knecht des Heeren een donkere weg gaan, donkerheid zal Hem bedekken, de nacht zal over Hem vallen. Zijn gelaat, een donkere vlek. Zijn gewaad, een donkere plek. Vergissen wij ons niet! Hij is toch de Heere uit de hemel. De nevels, die zwaar en zwart om Hem heen zullen hangen, trekken hier plotseling op. Wat een licht is er in Hem.

Deze opklaring grijpt tevens vooruit op de heerlijkheid, die Hem is voorgesteld. Zijn toekomstige, de Hem toekomende heerlijkheid, wanneer Hij alle gerechtigheid zou hebben volbracht. Hij wordt erdoor versterkt, om het kruis te verachten, en de schande te verdragen. Daar gaat het naar toe; dat zal Hem niet ontgaan. Al wordt Hij met de misdadigers gerekend, al wordt het aardedonker: Dan zullen de rechtvaardigen blinken gelijk de zon in het Koninkrijk hun Vaders. Deze rechtvaardige vooraan.

Johannes zal Hem nog een keer zo zien: En Zijn aangezicht was, gelijk de, zon schijnt in haar kracht. Door zijn kennis zal Mijn knecht, de rechtvaardige, velen rechtvaardig maken. Ook die velen ziet Johannes: En haar — de bruid van Christus — is gegeven, dat zij bekleed wordt met fijn en blinkend lijnwaad; dat zijn de rechtvaardigmakingen der heiligen. Die Hij gerechtvaardigd heeft, tekent Paulus aan, dezen heeft Hij ook verheerlijkt. Zijn heerlijkheid, die Hij door lijden en dood heen verworven heeft en bewaard, wordt de heerlijkheid van allen, die Hem mogen kennen.

Dé zon, hét licht. Dat aanschouwen we hier vol verwondering. Deze heerlijke Christus wordt ons voorgesteld. Wie is Hem gelijk? De wereld kent Hem niet, zij kent Hem geen enkele heerlijkheid toe. Maar de Heilige Geest zal Christus verheerlijken, zal Hem vertonen, aan al Zijn leerlingen, die Hem leerden volgen, waar Hij ook heengaat. Naar het kruis, in de heerlijkheid. Dan vertoeven wij boven op de berg, wanneer wij, naar het woord van de apostel Jezus zien, met eer en heerlijkheid gekroond. De laatste Adam, in Wie de nieuwe mensheid, haar heerlijkheid terug krijgt en hoe! Wordt het ons geopenbaard, dan mogen wij er iets van weerspiegelen. Christus houdt deze heerlijkheid niet voor zichzelf. Hij geeft die aan Zijn gemeente. Die wordt ook van gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van-des Heren Geest, verklaart Paulus. Dat is hoog, maar vergeet het begin niet: Jezus nam hen met Zich, en bracht hen op een hoge berg. De top van die berg boort zich tot in de eeuwige heerlijkheid. Met Hem komen we uit de nacht in de dag, komen we er bovenuit. Met hem alleen.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1968

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Op een hoge berg

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1968

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's