De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE KETELLAPPER VAN ELSTOW EN ZIJN BOEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE KETELLAPPER VAN ELSTOW EN ZIJN BOEK

(Enkele kanttekeningen bij „De Christenreis" van John Bunyan)

7 minuten leestijd

(Enkele kanttekeningen bij „De Christenreis" van John Bunyan)

II. Een allegorie. Een systeem?

„De Christenreis" van John Bunyan is een allegorie. In een Engelse uitgave van het boek, die bestaat uit honderdvijftig exemplaren en waarvan ik nummer elf bezit, vinden we op de titelpagina een tekst uit Hosea 12 : 11: Ik heb gelijkenissen gebruikt". Het beeld van de loopbaan stond Bunyan voor de aandacht, toen hij schrijven ging en zijn rijke geest verbond een overvloed van daarmee samenhangende beelden met deze hoofdlijn. In tegenstelling echter tot vele gelijkenissen uit het Nieuwe Testament, waarbij vaak niet alle trekken uit het verhaal geestelijk overgebracht moeten worden, treffen we in de Christenreis een breed uitgewerkte, levendige beschrijving aan, die voor de rechte lezer tot in alle bijzonderheden een wereld van geestelijke ervaringen oproept. De literaire vorm van de allegorie is dus met opzet door Bunyan gekozen.

Men zou de Christenreis slechts vanuit deze letterkundige gezichtshoek kunnen bezien om het daarna aan een kritische beoordeling te onderwerpen. Dat is al vaak geschied. We krijgen dan voor dit kunstwerk temeer waardering, als we bedenken, dat we in de schrijver te maken hebben met een man, die literair gesproken geen enkele scholing heeft gehad. Zijn boek is als zodanig hoogstaand en diepzinnig te noemen. „Een taalkundig meesterstuk" zegt J. H. Gunning in zijn „Blikken". „Als allegorist", zegt J. Haantjes in een artikel in „Kerkelijke Klassieken", „toont Bunyan zich op slag een meester". Het verhaal is levensecht. De figuren-tekeningen zijn psychologisch fijn en raak, al dreigen we zo nu en dan door de bomen (de veelheid van gestalten) het bos niet meer te zien. Bunyan geeft bovendien uitgebreide gesprekken tussen de wandelaars op de smalle weg weer, die overigens niet of bijna niet de gang van het verhaal storend breken. Bunyan was er één, die de ziel kende. Hij kende zichzelf.

Inmiddels kan men bij een zodanige benadering van het boek uiteraard danig van mening verschillen. Over smaak valt niet te redetwisten. Het is echter de vraag, of we er goed aan doen dit werk van de „meesterdromer" onder de letterkundige loep te leggen zonder te bedenken, dat de opzet van de schrijver toch wel heel anders van aard is geweest. Ik meen dat Bunyan voor ogen heeft gestaan, wat Paulus zegt in 1 Cor. 1 : 17: iet met wijsheid van woorden, opdat het kruis van Christus niet verijdeld worde". Betje Wolf en Aagje Deken hebben in ieder geval als hun oordeel uitgesproken, dat althans „De Christinnereis" door Paulus met alle overige „ijdele dingen" te Efeze zou zijn verbrand geworden. (Aldus J. Haantjes). Zij konden er maar weinig waardering voor opbrengen.

Er zijn andere maatstaven nodig om toegang tot Bunyans Christenreis te krijgen. Deze man heeft uit zijn hart geschreven. En het verrast keer op keer, als we zien, dat de gedachten, die in velerlei beelden uit zijn binnenste opkwamen, zo Bijbelgetrouw zijn. Bunyan heeft door genade geleerd met zijn hart uit het Woord te leven. En wat uit dat hart kwam, was daarom niet minder dan een hartstochtelijke oproep om de stad Verderf te verlaten en het hogerop te gaan zoeken. Met diepe ontroering schrijft hij over het machtige reisdoel van Gods pelgrims, de grote zaligheid.

Dat de allegorie-vorm het mogelijk maakt in sommige gevallen tot een totaal verschillende uitleg te komen, maant iedere verklaarder tot de nodige voorzichtigheid. Wat heeft Bunyan b.v. bedoeld, als hij sprak over de enge poort? Heeft hij bedoeld, wat J. H. Gunning ervan maakt: „Natuurlijk —dat voelt een ieder — deze poort is niet anders dan Christus"!? Of heeft Bunyan door deze tekening willen benadrukken, dat men nooit tot de zaligheid komt en tot de ruimte van Gods schuldvergevende liefde, als het met de mens niet gaat door de afbraak van zijn zondebestaan, door een weg van waarachtige bekering? En heeft Christus Zelf dat ook niet willen zeggen in de woorden, die over de enge poort spreken? Dezelfde Gunning, meent elders, dat het kruis vlak voor de enge poort had moeten staan. Evangelist, die de vluchteling uit stad Verderf opvangt bij het moeras der Vertwijfeling had beter op Christus kunnen wijzen in plaats van op het enge poortje. Aldus J. H. Gunning. Met alle achting, die ik heb voor dit standaardwerk van Gunnings hand over de Christenreis, meen ik toch, dat hier weinig begrip getoond wordt voor wat Bunyan bedoelde te zeggen. In de congenialiteit met hen, die door spanning en strijd heen leren gaan tot Christus, wordt hier door Bunyan (Evangelist) aan zulke zoekers de weg gewezen: de weg van het overboord gaan met zichzelf. Die weg leidt tot de ware vrede. Dat is een Bijbelse boodschap. En dat is bovendien pastoraal volkomen juist. Ik meen, dat veel onzekerheid in het geestelijk leven zijn grond vindt in het feit, dat men nog zo zeker is van zichzelf. Brak dat meer af dan brak het meer door. Ook wat dat betreft, kunnen we al te haastig iemand de handen opleggen.

Een andere vraag is hiermee echter ogenblikkelijk verbonden. Is de Christenreis toch niet teveel het boek, dat stations bouwt op de weg naar Sion, die iedere pelgrim moet aandoen en dan nog wel in de aangegeven volgorde? We zouden de verschillende stadia van het geestelijk leven in dit boek kunnen beschouwen als controleposten, waar nauwlettend toegezien wordt, of de „renner" er wel langs komt. En ... is elke systematisering van de weg Gods met de zondaar niet een levensgroot gevaar voor het rijke en veelkleurige leven des geloofs zelf? Misschien zou dan de Christenreis ook wel een „benauwd" boek kunnen zijn.

Toch is het persé niet de bedoeling van Bunyan, dat we zo met zijn geschrift omgaan. Hij geeft flitsen van de wandel op de smalle weg: dia's, die perspectief brengen in deze wandel en die stellig in een zekere ordening op het scherm komen. Heer „Onkunde", een opgeruimde jongeman uit het land Inbeelding is via een kronkelpaadje op de smalle weg gekomen. Hij vindt het enge poortje veel te ver. 't Kan ook anders immers? Hij houdt zich maar aan zijn godsdienst. Zo komt hij er ook. „Nee", zegt Bunyan dan. „Zo komt men er niet. Het is de weg van een ingebeelde zaligheid, die berust op een eigengemaakte godsdienst." Maar ... als Bunyan ons daarentegen vertelt van Getrouwe, die Christen op zijn weg ontmoet, is het verhaal anders dan wat we van Christen hebben gehoord. Getrouwe komt niet in het moeras der vertwijfeling, spreekt niet van het verlies van zijn zondepak op de kruisheuvel, gaat ongehinderd tussen twee leeuwen door, die Christen zo bang hadden gemaakt, wandelt onder een stralende hemel door het dal der schaduw des doods, waar Christen bijna bezweken was . . . ! Getrouwe kent vooral de geweldige worsteling met zijn verdorven hart. En ik heb de indruk, dat als eertijds bij Augustinus, het afbreken van de zondelusten hier samenvalt met de bevrijding, die Christen bij het kruis ervaart. De enge poort is er, de strijd van de smalle weg eveneens. Maar het licht van de schuldvergevende liefde Gods is hier door de worsteling heengeweven. Het schiet er telkens uit. Geleidelijk aan breekt het door.

Bunyan weet van de verschillende wegen, die God met elk van Zijn kinderen gaat. Maar van alle geldt: „De poort is eng en de weg is nauw, die tot het leven leidt ... "! Er is een weg Gods met de zondaar, deze weg. Ook Luther heeft daarvan geweten en er telkens van gesproken. En dat is nu eenmaal het thema van Bunyans boek. Daar wil hij licht over laten schijnen. Misschien vinden wij in de jacht van het leven amper tijd om daarmee tot onszelf in te keren. Eens ging er een expeditie door donker Afrika. Er moest worden gelopen, dagen en wekenlang. Enkele negers werden meegenomen om de bagage te dragen. En zij gingen de weg, die hun werd gewezen, nimmer moe, plichtsgetrouw. Maar op een dag gingen ze erbij zitten en weigerden om verder te gaan. Wat was er aan de hand? Stond hun iets niet aan? Smaakte 't voedsel niet? „Jawel", antwoordde een neger, „maar we hebben nu al zoveel dagen gelopen; nu blijven we deze dag hier wachten, totdat onze zielen ons weer hebben ingehaald."

Wij moeten niet zielloos, doelloos voort. „Rust een weinig." Dank u, Bunyan, voor uw boek.

Zeist.  C. den Boer

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1968

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

DE KETELLAPPER VAN ELSTOW EN ZIJN BOEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1968

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's