De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE KETELLAPPER VAN ELSTOW EN ZIJN BOEK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE KETELLAPPER VAN ELSTOW EN ZIJN BOEK

(Enkele kanttekeningen bij „De Christenreis" van John Bunyan)

9 minuten leestijd

(Enkele kanttekeningen bij „De Christenreis" van John Bunyan)

IV. Eenzaamheid. Scheurmakerij?

Bij de lezing van Bunyans boek over de reis van een christen naar de eeuwigheid treft ons telkens weer de enorme eenzaamheid, waarmee deze pelgrim zijn weg gaat. De gemeenschap met de bewoners van de stad Verderf is verbroken. En sedertdien tobt de man alleen voort. Hij voelt zich soms zelfs van God en alle mensen verlaten. De schimmige gestalten van de schijngelovigen, die hem soms even boven dit gevoel lijken uit te tillen, maken zijn eenzaamheid echter alleen maar groter, als straks blijkt, dat zij niet echt in zijn kommer en heimwee delen. Ze verlaten hem allen. En zijn metgezel op de smalle weg. Getrouwe? Een „goede bekende" uit het leven der zonde van eertijds, maar nu een vriendelijke medereiziger geworden! Helaas, hij wordt op de IJdelheidskermis terechtgesteld. En weer gaat Christen alleen verder. Slechts Hopende begeleidt hem tijdens het tweede deel van zijn tocht naar de hemelstad. Maar. .. dat is er dan ook maar één!

Behoort deze eenzaamheid niet mede tot de opzet van Bunyans boek? Kan een christenmens ooit wel anders zijn als een door en door eenzaam mens? Als dat zo is, dringt zich de vraag op, of dan niet een mens, die welbewust deze eenzaamheid zoekt, gevaar loopt een zonderling te worden. Het maakt toch een groot verschil, of men noodgedwongen aan de kant is komen te staan met al de protesten van een hart, dat op gemeenschap is afgestemd, of dat men zich met opzet ontdoet van de mensen rondom zich en aldoor maar alleen met zichzelf zoekt te zijn. Ieder ander dreigt dan een „lastpost" te zijn, die storend op onze weg komt. En dat is bepaald niet gezond, geestelijk gesproken.

Deze vragen klemmen temeer, als wij het geloofsartikel over de kerk en de gemeenschap der heiligen in onze overwegingen betrekken. De vorige maal hebben we gepoogd Bunyans visie op de wereld in het vizier te krijgen. Nu trekken we de cirkel nog wat enger en speuren naar de contacten, die een geplaagd en bedreigd mens als hij nog zouden kunnen overblijven: contacten met "lotgenoten" des geloofs, met medechristenen, met de kerk. Ja, de kerk en het verbond in de breedte van het Bijbels getuigenis, het grote voorrecht van 'n kind des verbonds te mogen zijn met alle daarbij behorende verplichtingen, de betekenis van de opvoeding, van de prediking: waar is dat alles bij Bunyan? Is zijn boek onwillekeurig en misschien onopzettelijk toch niet een ruggesteun voor allen, die spoedig, al te spoedig, ook in kerkelijk opzicht aan de kant gaan staan? En is dit individualisme niet altijd verbonden met sectarisme? Bunyan is een „onbeschaamde, kwaadwillige schismaticus" genoemd. Hij was en bleef, althans in het oog der hoogkerkelijken, de man van het gezelschap der vromen, ook al diende hij jarenlang als voorganger een gevestigde gemeente te Bedford.

Men zou op deze vragen kunnen ingaan door te wijzen op de omstandigheden, waarin Bunyan leven moest. De hoogkerkelijke atmosfeer van die dagen was er één van formalisme, gewetensdwang en strafrechtelijke vervolging. En niet alleen Bunyan, maar zeer velen in zijn tijd konden daarin niet ademen. Onder Karel II werden meer dan achtduizend dissenters in de gevangenis geworpen, meer dan zestigduizend werden op andere wijzen gestraft. Ook Bunyan (daarvan leggen de verslagen van zijn verhoor door de rechters getuigenis af) kon en mocht zich naar zijn diepste overtuiging niet laten dwingen als toehoorder naar de Staatskerk te gaan. Zijn hart lag bij die vromen, die onder het zwaard van de vervolger tegen elkaar aankropen. Bunyan wilde preken. De nood was hem opgelegd. Niettemin zou men kunnen vragen, of hij niet ernstig tekort is geschoten in zijn verplichtingen ten aanzien van die geïnstitueerde kerk, waarin hij het teken des verbonds ontvangen had en waar hij dan toch maar in zijn jonge jaren onder de prediking was geweest . . . niet zonder indrukken in zijn ziel. Het is echter wel duidelijk, wat er met hem zou zijn gebeurd, als hij door studie daartoe opgeleid de ordening in de kerk van Engeland zou hebben ontvangen. Een puritein als Richard Baxter (niet de eerste de beste) werd als een „schismatieke ellendeling" door de nietsontziende rechter Jeffries aan de kaak gesteld en bestraft. Men kan dus Bunyan ter verantwoording roepen aangaande zijn houding ten aanzien van de kerk van zijn dagen. Maar men kan met meer recht die kerk ter verantwoording roepen over haar handelwijze met één, ja ontelbaar vele dienaren van Christus, die het goede voor „Jeruzalem" zochten. En stellig heeft zij daarvan verantwoording moeten afleggen, voor niemand minder dan voor de hoogste Rechter Zelf.

Nog van een andere kant kunnen we het probleem van de eenzaamheid, zoals we dat signaleerden in Bunyans boek, benaderen. Het heil, het geloof worden in de gemeenschap van Gods kerk geschonken, ontvangen en genoten. Daarom zullen we hoge achting hebben voor de heilige instellingen Gods als de prediking, het samenkomen der gemeente rondom Woord en sacrament, het ambt. Dat doet echter niets af van het feit, dat God ook uit stenen Abraham kinderen kan verwekken en een vloekende ketellapper tot een instrument van Zijn genade heeft gemaakt, buiten de orde, waaraan de kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders van die dar gen meenden zelfs God te kunnen binden. Bunyan heeft geweten, dat wij met onze kerkelijke insignes geen entreebewijs voor de hemel in handen hebben. De gang naar het hemelse Sion door bekering en geloof is en blijft toch een hoogst persoonlijke zaak. Er zijn vragen en worstelingen aan verbonden, waarmee ieder kind van God telkens weer in de stilte voor God terechtkomt. Dan moeten wij van alle mensenmeningen worden afgebracht. En zo leert het geloof met God alleen te staan en te gaan. Daarop ligt in de Christenreis de volle nadruk. En deze stem behoeft vandaag wat mij betreft beslist niet te zwijgen. Luisterden wij daar meer naar, dan zou er minder kerkelijke hoogmoed bedreven worden en de dienaren van de kerk zouden de mensen wat meer hun vermeende godsdienstige en kerkelijke „gronden" afnemen. Dat zou dan ook aan de wezenlijke opbouw van Christus' gemeente zeer ten goede komen.

Er is echter nog iets. De Christen van Bunyan is misschien toch wel minder eenzaam dan wij op het eerste gezicht denken. Het is in ieder geval beslist onjuist Bunyan in de hoek te zetten van diegenen, die alle andere mensen en de gemeenschap met hen als een hindernis ondervinden. Als Christen op de heuvel Moeilijkheid is, gaat hij daar een huis binnen, dat Prachtpaleis heet. Daarbinnen beleeft hij onvergetelijke uren van gemeenschap met de bewo­ners, ervaringen worden uitgewisseld, het brood wordt gebroken ! Vroomheid, Voorzichtigheid en Liefde mogen hem voor zijn verdere reis zeer bemoedigen. Gunning ziet in dit paleis een symbool van „de zichtbare kerk op aarde, de gemeenschap der gelovigen, zoals zij zich inricht en organiseert naar het Woord des Heeren". Wel wandelt een man als Getrouwe rustig langs dit gebouw heen en gaat er niet in. Er zijn kennelijk volgens Bunyan ook zwervers, die minder opdoen van de gemeenschap in de zichtbare kerk op aarde en toch thuiskomen. Maar niemand kan met goed recht zeggen, dat Bunyan individualist was en dat hij geen oog heeft gehad voor anderen, voor de kerk. Ik herinner me een passage uit „Genade overvloeiende . . . ", waarin Bunyan, nog midden in zijn worsteling vertelt, dat hij op zekere dag in een soort visioen het arme volk van God te Bedford aan de zonzijde van een berg ziet zitten, zich verlustigend in de zonnestralen. En hij, John Bunyan daar ver vandaan, achter een hoge muur, huiverig, verkleumd van kou. Zijn hart haakt naar dat volk. Vol heimwee naar hun gemeenschap zoekt hij een weg, waarlangs hij tot hen komen kan. Tenslotte vindt hij in de muur een zeer nauwe doorgang, waar hij zich doorheen wringt. Dan bevindt hij zich onder hen, zeer tot zijn vreugde. De berg ziet Bunyan als de kerk van God, de zon als de vertroostende stralen van Gods genadig aangezicht, de muur als het Woord, dat scheiding maakt tussen Christenen en de wereld, de bres als de Heere Jezus Christus. Ziehier wat Bunyan over de gemeenschap met het volk des Heeren in de gemeente schreef.

En toch ontkomen we niet aan het gevoel, dat de Christen, in de Christenreis beschreven, een geweldig eenzaam mens is. Daarom tenslotte het volgende. Is eenzaamheid zo'n vreemd verschijnsel, juist onder hen, die zeer geijverd hebben voor Gods huis? Wie denkt niet aan Elia, de getuige Gods, die in en uit het hart van Gods verbond met Israël leefde. Hij ligt in de woestijn en wenst te sterven. En als God hem straks tegenkomt in een spelonk, huilt deze moedige strijder al zijn verdriet uit in de woorden: „Ik heb zeer geijverd voor de Heere, de God der heirscharen; want de kinderen Israëls hebben Uw verbond verlaten. Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood en ik alleen ben overgebleven en zij zoeken mijn ziel om die weg te nemen". Ik alleen, zegt Elia. Wie met God en de duivel goede vrienden blijven wil, ook in kerkelijk opzicht, mag zich waarschijnlijk verheugen in een groot aantal kameraden. Hij raakt echter God als Vriend kwijt. Maar wie voor de majesteit van God heeft gestaan en beefde, wie gezien heeft, hoe God Zijn bruid op aarde hebben wil en hoe zij in feite is, die gaat eraan lijden, die weet, wat eenzaamheid is. Ik alleen . . . !

En toch . . . juist dan moeten wij ervoor waken, dat we de zaak niet vertekenen. God had er altijd nog zevenduizend overgehouden alle knieën, die zich niet gebogen hadden voor Baal en alle mond, die hem niet gekust had. Elia wist wat de hofmeester Obadja gedaan had en dat deze honderd profeten des Heeren in een spelonk van onderhoud had voorzien. Wij kunnen blijkbaar maar moeilijk met de ogen van God kijken. Het is toch op de smalle weg minder eenzaam dan wij op het eerste gezicht denken. Ik geloof de gemeenschap der heiligen. Eens was er een Vreemdeling op de aarde. En nooit is iemand meer alleen geweest dan Hij. Hij zorgt voor vrienden onderweg. Hij waakt over Zijn gemeente. Jezus Christus.

Wees getroost. Het geloof in de zaligheid, die Hij verwierf, rijpt door de stormen van aanvechting en strijd heen. En het geloof in Zijn Kerk gaat al evenzeer door deze stormen heen. Daar zit nu eenmaal een heel stuk eenzaamheid in verweven. Maar Hij weet ervan. En daarom is het toch geen eenzaamheid meer.

Zeist  C. den Boer

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 februari 1968

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE KETELLAPPER VAN ELSTOW EN ZIJN BOEK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 februari 1968

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's