UIT DE PERS
Bejaardenzorg in vroeger tijden.
Bejaardenzorg in vroeger tijden.
De historie van het diaconaat is een boeiende zaak. Dat blijkt ook weer uit een boekwerk dat is uitgegeven ter gelegenheid van de opening van het Maarten Lutherhuis, het moderne verzorgingshuis voor bejaarden in Amsterdam. In dit gedenkboek wordt een terugblik geworpen op 105 jaar bejaardenzorg zoals deze zich ontwikkeld heef t in het „Lutherse diaconiehuis" onder auspiciën van de lutherse diaconie.
De schrijver Dr. J. M. Fuchs heeft uit notulen en registers een boeiend beeld ontworpen over het leven van de bewoners van dit bejaardentehuis in de 18e en 19e eeuw.
In het Evangelisch-Luthers Weekblad van 24 februari vertelt mevr. N. W. Johannes v. d. Brink ons het een en ander uit dit gedenkboek, dat we hier graag overnemen.
De bewoners droegen gestichtskleding. „De kleeding, zoo der oude mannen, als der jongens, bestaat uit een bruinen rok, kamizool en broek, van bruin grof laken, met gladde bruine beenen knoopen. De oude vrouwen en meisjes dragen jak en rok van bruin sersje". In de loop der tijd veranderde er wel het een en ander aan deze klederdracht. Tot de eerste wereldoorlog droegen de mannen een lange broek van bruin karsaai, dat is grof gekeperd laken met bruin benen knopen en een ronde hoed; voordien droegen de mannen een korte broek en hun hoofddeksel was een punthoed. De oude vrouwen kregen nu een rok van gemêleerd bruin karsaai, een jas van dun gekeperd zwart laken en een witte muts met daarbij in de winter katoenen schoudermantels. Die kleding verschilde niet veel van die van de bewoners van het hervormde diaconiehuis, „hoewel die der luthersen door zindelijkheid en netheid de andere overtreft".
Uitslapen was er voor de bewoners kennelijk niet bij. Zij begaven zich „na sig behoorlijk gewassen en gerijnigd te hebben" naar de eetzaal voor het ontbijt „twelk des zoomers ten half zeven uuren, doch in den Winter een half uur later wordt gebruikt".
Het bestaat uit „een stuk brood met boter en kaas, nevens een glas bier, voor ieder, zo wel de kinderen als de oude lieden. Die koffy of thee begeert, moet zulks uit eigen beurs bekostigen; doch ontvangt, daar toe, het gekookt water van het huis om niet".
De maaltijden zijn voor iedere dag van de week vastgelegd, waarbij opvalt een blijkbaar zondagse traktatie „wittebrood". De drank bij het avondbrood bestaat afwisselend uit zoetemelk, karnemelk en bier.
Bier blijkt trouwens een wel zeer geliefde drank te zijn geweest en werd ook bij alle feestmaaltijden rijkelijk geschonken. Toen in 1831 bezuinigingen moesten worden ingevoerd bleek het mogelijk een besparing te verkrijgen op de kosten van boter, brandstoffen en brood, maar, zo wordt vermeld, „de hoeveelheid bier laat geen verandering toe".
Na het ontbijt woonde men het morgengebed bij en hoorde Gods woord voorlezen; wie in staat was om hierbij aanwezig te zijn, maar verzuimde, werd de eerste keer gestraft met inhouding van het ontbijt en werd vervolgens „na verdienst swaarder gestraft". Tot twaalf uur werd er werk verricht zoals dat door regenten en regentessen aan ieder werd opgedragen, „en het selve met allen stilte verrigten, sonder dat den een den ander hinderlijk zal zijn."
Tussen middagmaal en avondmaaltijd werd ook weer het nodige werk verricht en de dag werd besloten met een avondgebed, waarna een psalm of avondgezang gezongen werd.
Eens in de week moesten alle oude lieden in een zaal een „cathegisatie" bijwonen.
De bewoners konden elke dinsdag bezoek ontvangen van familieleden en goede vrienden. Buiten die dag werd niemand toegelaten „tensij een stuiver te geeven".
Prof. Dr. H. A. Oberman over Zwingli.
In Woord en Dienst" van 24 februari treffen we een interview aan van Drs. G. Puchinger met de kerkhistoricus Prof. Oberman, eerst hoogleraar in Harvard (USA), thans in Tübingen. In dat gesprek vertelt deze jonge Nederlandse hoogleraar het een en ander over zijn colleges. Tegen het advies van de faculteit in was hij begonnen college te geven over Zwingli. Zwingli is de minst bekende van de drie reformatoren. Doordat zijn naam later verbonden is aan de linksvrijzinnige Zwinglibond wekt dit bij velen heel verkeerde verwachtingen, als zouden humanistische gedachten bij hem de strikt reformatorische inzichten overwoekeren.
Ook in Duitsland wordt de geschiedenis van de kerkhervorming toch nog wel erg eenzijdig gezien vanuit Luther. Het is daarom belangwekkend het oordeel van deze kerkhistoricus te vernemen over deze wat onbekende reformator. We citeren uit dit interview:
Ik wilde met de studenten over Zwingli spreken, zonder hem voortdurend aan Luther af te meten."
En wat is, globaal genomen, uw oordeel over Zwingli?
„Nou, heel globaal genomen . . . Zwingli is onafhankelijk. Hij is anders dan Calvijn, geen leerling van Luther. Calvijn is een zeer zelfstandige leerling van Luther geweest, maar Zwingli heeft een geheel eigen weg tot de Reformatie gevonden, die in de destijds culturele en politieke constellatie van Europa in vele opzichten van méér beslissende betekenis is geweest dan die van Luther.
Luther heeft toch altijd iets van een Fürstenknecht gehouden. Luther heeft, vooral in politiek opzicht, de Reformatie vanuit de Middeleeuwen beleefd; Zwingli was eigenlijk veel meer een zestiende-eeuwer."
Is Zwingli u sympathiek?
„Zwingli is geen hartenwarmer, zoals Luther, omdat hij zijn hart niet zo op de tong heeft. Zwingli is ook verfijnder dan Luther; hij is en blijft daarbij een gesloten Zwitser. Luther is in vele opzichten een ongezouten boer. Luther reageert altijd onmiddellijk en ongeremd. Zwingli overpeinst, en denkt eerst na.
Zwingli is in zekere mate een voorbereider van Calvijn en diens gereformeerde traditie, zoals de bekende prior Von Staupitz het voor Luther is geweest.
Zwingli is in Nederland wat onderschat, trouwens ook daarbuiten. Jammer dat velen Zwingli's naam eigenlijk alléén maar kennen van de Zwingli-Bond.
Het wordt hoog tijd dat er in Nederland weer eens een goede dissertatie aan Zwingli wordt gewijd. Het werk van de Bernse hoogleraar, Gottfried W. Locher (een halve Hollander, want zijn moeder was Nederlandse), die veel over Zwingli schreef, mag in Nederland wel wat meer weerklank krijgen.
Ik verwijs overigens in dit verband even naar het slot van H. Bavincks dissertatie, die aan de Ethiek van Zwingli is gewijd, en waarin wordt opgemerkt: „Geen der Hervormers is onze tijd zo na verwant als Ulrich Zwingli. De humane toon, de vermijding van al die onkiese beelden, waarin wordt opgemerkt:
„Geen der Hervormers is onze tijd zo na verwant als Ulrich Zwingli. De humane toon, de vermijding van al die onkiese beelden, waarin de eeuw der Reformatie smaak en welgevallen vond, het gemis van scholastische redeneringen, de eerbiediging van anderer overtuiging, de ruime, ver ziende blik, de historische zin, bovenal de ethische beschouwing zijn zovele trekken, die van onmiskenbare verwantschap met onze tijd getuigen . ..
Zwingli is groot genoeg, om naast de andere Hervormers een eigen eervolle plaats in te nemen, indien men hem maar toelaat, zichzelf te zijn, en iedere afwijking van Luther en Calvijn niet aanstonds op de rekening zijner minderheid plaatst." (pag. 179).
Wat treft u in Zwingli?
„Ik noem één ding, dat velen vandaag sterk zal toespreken: Zwingli had al in zijn dagen vooral oog voor de sociale verantwoordelijkheid van de kerk. Denk maar aan zijn protest tegen het feit dat Zwitserland zijn soldaten verkocht aan de meest biedende, aan Frankrijk of aan de Paus. Zwitserland leefde in zijn dagen op oorlog-voeren.
Door het gehalte van zijn sociale theologie verwacht ik dat we aan de vooravond staan, van een Zwingli-renaissance.
Dat hij de derde is in de trits Luther-Calvijn-Zwingli, acht ik overigens terecht. Hij is baanbreker geweest, in de zin van voorloper. En het is geen toeval geweest dat Calvijn de gereformeerde traditie meer richting gaf, want Calvijn zag héél Europa, en Zwingli bleef meer binnen de Alpen."
Wapenfeiten in steen.
In het Geref. Weekblad (Uitgave Kok, Kampen) van 23 februari troffen we nog een bijzonder interessant stukje geschiedenis aan. Het is van de hand van Dr. H. Mulder, docent aan de theol. opleidingsschool in Beiroet, en benoemd als wetenschappelijk hoofdmedewerker aan de VU. Hij vertelt in zijn artikel hoe in een nauwe pas van de Libanon, ongeveer 15 km ten noorden van Beiroet —gevormd door steil oprijzende heuvels aan de ene zijde en door het water van de Middellandse zee aan de andere kant — allerlei militaire inscripties zijn aangebracht in de loop der eeuwen. Deze pas was n.l. voor optrekkende legers één van de moeilijkste barrières op hun weg.
Het behoeft niet te verwonderen dat de vreugde van de optrekkende veldheren en hun legers groot was als ze erin geslaagd waren deze natuurlijke barrière te veroveren. De weg naar het noorden lag dan voor hen open. Verschillende vorsten en generaals hebben hun overwinningen in steen in de rotsen langs de zee en langs de Hondsrivier laten uithouwen. Terwijl het leger langs de rivier kampeerde en uitrustte van de vermoeienissen van de veldtocht kregen steenhouwers de opdracht inscripties in de rotsen aan te brengen. Sommige koningen hebben met alleen bevel gegeven melding te maken van de superioriteit van hun leger en van hun eigen geniale strategie, maar hebben ook hun beeld levensgroot in de flanken van de berghellingen laten uithouwen.
Ofschoon de meeste van deze inscripties in de loop der eeuwen voor het grootste deel onleesbaar zijn geworden, en in vele gevallen nog slechts de flauwe omtrekken van de afbeeldingen zichtbaar zijn, vormt het geheel een indrukwekkende verzameling van wapenfeiten. Koningen die in het Oude Testament genoemd worden staan in steen vlak naast de namen van generaals die na de eerste en tijdens de tweede wereldoorlog door deze pas trokken. De oudste inscriptie is die van farao Ramses de Grote, uit de dertiende eeuw vóór Christus; de jongste is die van een Australisch legerkorps, dat in 1941 door deze pas trok en daarmee voor Syrië en Libanon de bevrijding bracht. Daartussen vindt men de namen van Sanherib, Salmaneser, Tiglath-Pilezer, Essarhaddon en Assurbanipal uit oudtestamentische tijden en dan weer de namen van Britse legerkorpsen en Franse detachementen uit de twintigste eeuw.
De Engelse journalist William T. Ellis die in 1927 in gezelschap van zijn vrouw een reis maakte door de Bijbelse landen en daarvan een omvangrijke reportage maakte, constateerde in zijn boek „Bible lands to-day", dat op geen enkele plek op aarde uit zoveel eeuwen militaire inscripties zijn samengebracht als bij de Hondsrivier en dat blijkbaar nergens zo dikwijls oorlog is gevoerd als in en om de Bijbelse landen. Hij schreef een aantal jaren na afloop van de eerste wereldoorlog. Sindsdien zijn nieuwe gedenkplaten aan de. toen reeds bestaande inscripties toegevoegd.
Maar dit artikel is meer dan alleen maar een historisch curiosum. Het nabije-oosten is nog altijd een gebied vol gisting. Sinds 1928 zijn er vele revoluties, opstanden en oorlogen geweest. Dr. Mulder betrekt daarom ook de actuele situatie in zijn bijdrage.
Wie de inscripties langs de Hondsrivier en de Middellandse Zee met elkaar in verband brengt kan opmerken, dat de tussenruimten historisch gezien steeds korter worden. Tussen de eerste gedenkstenen liggen eeuwen, tussen de laatste wapenfeiten slechte enkele tientallen jaren, soms nog minder. Daaraan gemeten gaat de geschiedenis ook in het nabije oosten in versneld en vervaarlijk tempo voort. De betrekkelijke rust die er in Bijbelse tijden was en die ook de middeleeuwen kenmerkte, schijnt voorgoed voorbij te zijn. Er is een voortdurende wisseling van machthebbers en de spanningen zijn niet van de lucht.
Een andere gedachte dringt zich ook op. Tot op dit ogenblik ontbreekt Rusland in de lijst van landen die hun relaties met dit gebied op gedenkstenen hebben vermeld. Frankrijk, Engeland, Australië en andere landen van overzee hebben zich met de pacificatie en de ontwikkeling van deze landen intensief bezig gehouden. Over het resultaat van hun bemoeiingen wordt zeer verschillend gedacht.
Om nog eenmaal een indruk van iets van veertig jaar geleden weer te geven: hoewel Engeland en Frankrijk aan het einde van de eerste wereldoorlog de Turken verdreven en aan hun macht in dit stuk van de wereld een einde maakten, riepen de mensen na enige jaren Frans en Engels bewind om strijd om de terugkeer van de Turken. Van de bevrijding van deze gebieden was niet dat gekomen, wat men in de eerste opwelling en geestdrift ervan verwachtte!
Wie zich nu van de inscripties naar de dagbladen keert wordt getroffen door het feit, dat geen enkele grote mogendheid zo vaak wordt genoemd, anno 1968, als Rusland. De Arabische landen zijn druk doende hun positie te bepalen tegenover deze machtige staat in het noorden. In hoever zal Rusland in de gefrustreerde Arabische gemeenschap invloed kunnen uitoefenen? De Egyptische president Nasser die in deze situatie een sleutelpositie inneemt heeft jarenlang geprobeerd de Arabische wereld tussen Amerika en Rusland een zelfstandige plaats te laten innemen. Het heeft er alle schijn van, dat Amerika de Arabieren meer dan voorheen heeft losgelaten en dat als gevolg daarvan de kansen van Rusland op toenemende invloed groter worden. Zal binnen afzienbare tijd naast de inscripties in hiërogliefen, in spijkerschrift, in Griekse en Arabische lettertekens, een inscriptie met Cyrillische (Eussische) letters bij de Hondsrivier te bezichtigen zijn?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1968
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1968
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's