AANEMELIJKE VRAGEN!
Het bewaart, wanneer we bij alle actueel geroep van „moordenaar", gedwongen zijn ons er ook eens rekenschap van geven, dat we zondaar derhalve ook moordenaar zijn. Ik diep hier een, tweetal vragen op van twee kanten op me afgekomen. Ze laten zich als tweeling behandelen.
I. Hoe moet worden verstaan het afsterven van de oude mens en de opstanding van de nieuwe mens?
II. Betekenis zelfverloochening, wereld verlaten, oude natuur doden, godzalig leven wandelen, alles verlaten en u gevolgd zijn?
Wellicht begrijpt u waarom ik vraag 1 liet vooropgaan. Ik koos voor de orde Schrift en Belijdenis (formulier).
Ik dacht, hoe bekende klanken deze termen ook zijn, dat de vragers groot gelijk hebben om te informeren naar wat deze uitdrukkingen in de praktijk aanduiden. Het blijkt al te vaak, dat catechisanten en bepaald niet van het eerste uur, met alleen maar een gebit in hun mond staan, wanneer ze eenvoudige veelgebezigde terminologie moeten omschrijven. We horen veel verluiden, maar we weten niet waar het klepelt.
In Romeinen 6 ontmoeten we de oude mens, die met Christus is gekruisigd en met Hem is begraven door de doop in Zijn dood.
In Colossensen 3 wordt de gemeente opgewekt o.a. om niet te liegen, dewijl de oude mens is uitgedaan met zijn werken en de nieuwe is aangetogen, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld desgenen die hem geschapen heeft.
In Efeze 4 tenslotte lezen we een verwante vermaning om af te leggen aangaande de vorige wandeling, de oude mens, die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding en om vernieuwd te worden in de geest van het gemoed en de nieuwe mens aan te doen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid.
Ik ben me bewust dat ik brokjes gebroken heb uit een volledig betoog en daarom ben ik alvast begonnen om u alleen hoofdstukken en geen teksten te noemen om u ertoe te brengen het hele redebeleid te volgen.
Het woord oud heeft een diverse klank in Gods Woord. Als we lezen vol eerbied in de profetie van Daniël (hfdst. 7) van de Oude van dagen achten we het woord oud synoniem met eeuwig. Van eeuwigheid was Hij en in eeuwigheid zal Hij zijn. Soms ook betekent het woord verdwijnend, afgedaan, afgeschaft. Namelijk als het gebruikt is voor verbond, gebod en dergelijke. Iets van verkeerd, bedorven, zondig hoeft absoluut niet erin door te klinken. Paulus zou zeggen: Het ligt aan mij, niet aan de wet. De wet is heilig, en het gebod is heilig, rechtvaardig en goed. Het onprofijtelijke is een gevolg van de zonde, van het vlees dat krachteloos maakt, dat saboteert, dat het in zichzelf goede denatureert. Tenslotte inderdaad kan oud ook betekenen zondig, slecht, on rechtvaardig. Er is een diepe maar zeer effectieve samenhang met de zondeval, een overgave aan nood en dood, vergankelijkheid en ver zijn van God, de springader van het leven. De oude mens is de mens der zonde, die vitaal slechts is in het kwaad. In principe en beslissend heeft de oude mens afgedaan voor de bekeerde. Christus heeft hem meegenomen in het graf. De heerschappij van deze oude mens is gebroken, hij is verdreven uit de citadel van de inwendige mens, van de troon gestoten als Nowotny in Tsjechoslowakije om van de talloze vergelijkingsmogelijkheden de meest recente te kiezen. De Doop heeft dit heel begrijpelijk uitgebeeld.
Maar die oude mens spookt nog rond, als ik het populair mag zeggen. Hij steekt telkens de kop weer op; uit de citadel is hij verdreven, maar hij heeft zich in de leden stevig genesteld en ondergronds wroet en woelt hij voort. Tegen de zaliggeprezene kan Christus aanstonds zeggen: Ga weg achter Mij, satan. De in Christus gedode oude mens moet elke dag in de dood worden overgegeven. Dit is een dagelijkse oefening. Soms kunnen we er moedeloos onder zijn, omdat wel schijnt of die doding weinig vordert. In één enkel uur kan het werk van weken en jaren ongedaan lijken. Wie zal mij verlossen? Het is een strijd tot de laatste zucht met een leger van vijanden. Vaak hebben we de indruk dat we een guerrilla voeren. Colossensen noemt: gramschap, toornigheid, kwaadheid, lastering, vuil spreken uit onze mond, liegen. De slag is gewonnen, maar het duurt een leven lang om het gebied van vijanden te zuiveren. Davids en Petrus' leven toont aan hoezeer de zonde schijnbaar het hele terrein v/eer kan beheersen. Temeer is nauwgezette onderscheiding geboden, omdat volgens Mattheus 12 de versierde woning opnieuw kan betrokken worden door onreine geesten.
Wat het precies inhoudt de oude mens zijn dood te laten sterven en de nieuwe zijn opstanding en wasdom te gunnen lezen we mogelijk op zijn best in 1 Cor. 5 : 7. Zuivert de oude zuurdesem uit, opdat ge nieuw deeg moogt zijn. De zonde, met name de erfzonde werkt als een zuurdesem. We hebben daar, wanneer we door Gods genade bekeerd mogen zijn, de handen vol aan.
Nog enkele opmerkingen ter volledige informatie. De nieuwe mens bij uitstek is Christus Jezus. Opstanding van de nieuwe mens is door de Geest Hem laten leven in ons en Hem anderzijds navolgen in nederigheid, zachtmoedigheid enzovoort. De nieuwe mens is volgens Efeze 2 ook de totale gemeente van Jood en heiden. Opstanding van de nieuwe mens is dan ook opgaan in de gemeenschap van de heiligen, vereenzelviging met de ganse gemeente, die het éne lichaam is, waarvan Christus als het Hoofd optreedt. Tenslotte wanneer nieuwe hemel en aarde zullen ontstaan, zal de oude mens volkomen verdwenen zijn en zal de nieuwe mens tenvolle zichzelf zijn.
Van de eerste vraag naar de tweede is nauwelijks een stap. De gebezigde uitdrukkingen zijn ons vanuit het formulier van de Heilige Doop overbekend. Het is ons al gebleken uit de Schriftplaatsen, die kort ter sprake kwamen, dat de dood van de oude mens en de opstanding van de nieuwe het geheim zijn van de doop.
Het woord zelfverloochening wijst erop, dat we zo graag ons eigen ik en eigen leven wensen vast te houden en te dienen. Ook wanneer het zelf ontdaan is van het zondige is er reden om te distantiëren. Niet Mijn Wil, Uw Wil geschiede. We kunnen kwalijk onze Heere zonde ten laste leggen. Ten opzichte van God geldt de zelfverloochening absoluut. Ten aanzien van de naaste, speciaal ook van de gedrevene door boze begeerten en lusten, moeten we zeer kritisch en behoedzaam te werk gaan. Zelfverloochening mag niet betekenen dat we in feite de boze plaats geven. Integendeel het kan juist zelfverloochening zijn om stelling te nemen tegen onze naaste en tegen wat hij vraagt of eist.
De wereld verlaten houdt niet de verplichting in om — zo al mogelijk — uit deze wereld te treden. We moeten innerlijk afstand nemen. Ook plaatsen vermijden waar de zonde oppermachtig tiert; verder moeten we de schijn van het kwaad ontlopen.
Het doden van de oude natuur is inzonderheid de meedogenloze strijd met de zonde, de zondemens, die we zijn van nature. Het is de worsteling met boze lusten en kwade begeerten. Dit hoeft niet louter een negatief optreden te zijn. Niets doodt zo zeer de oude natuur als het opgaan in de dienst des Heeren en het zich verlustigen in de aangelegenheden van Gods Koninkrijk.
Onwillekeurig gaat het ene in het andere over en valt het eerste met het tweede samen. Want een godzalig leven is een benauwde dood voor de oude mens. Godzalig leven is niet uitsluitend een stipt en angstvallig leven volgens regels en regeltjes van de koninklijke wet. Godzalig leven is een leven in liefde tot de Drieënige, in innige gemeenschap en voortdurend contact met Hem en in liefde tot de naaste en wel heel in het bijzonder tot de huisgenoten in het geloof, die ons tot steun kunnen zijn en die wij op onze beurt tot een toeverlaat mogen dienen.
Alles verlaten en Christus volgen is waarmaken van de wedergeboorte, hoe langer hoe meer herschapen worden naar het beeld Gods. Niet in intellectualistische, moralistische, Griekse zin, maar wel in Bijbelse zin mogen we uitspreken dat kennis deugd is, voorzover het beeld Gods bestaat in kennis, gerechtigheid en heiligheid. Het is de oude Adam uitdoen en de alleroudste en nieuwe Adam aantrekken.
Ik vind het van groot belang om dit onderwerp aan de orde te hebben. We gaan er naar mijn overtuiging teveel vanuit, dat het geloof eenvoudig een vaststaand feit accepteert namelijk dat we gestorven zijn met Christus en dat we met Hem zijn opgestaan in een nieuw leven. Wanneer wij dat maar wat kunnen beethouden is de zaak gezond en gered. Het geloofsleven is een beoefening, een strijd, een procedure, een betreden van het strijdperk. Een beoefeningsleer is broodnodig. Wel loert levensgroot het gevaar, dat we via de tollenaarsbeleving een rasechte farizeeër gaan worden. i
Tegen Luthers „simul Justus, simul peccator" (tegelijk rechtvaardig, tegelijk zondaar) kijk ik altijd wat wantrouwend aan. De zondaar heeft toch wel een doodsteek gekregen, al blijft de zondige aard een leven lang parten spelen. Luther bedoelde het goed en daar heb ik begrip voor, maar men heeft met deze korte formule wel eens erg willen stabiliseren en daar ben ik beducht voor.
Liever zeg ik om te beginnen: „Simul peccator, simul Justus" om dan voor de bedoeling te rade te gaan bij de catechismus in zondag 23: „al is het dat... nochtans God zonder verdienste uit louter genade ..." En verder graag antw. 115. Daar kunnen de vragers hun hart ophalen. Die dood is, dat hij hoe langer hoe meer sterve en die leeft dat hij hoe langer hoe meer leve. Daarop houden we het.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1968
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 april 1968
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's