De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

BIJ HET GRAF

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BIJ HET GRAF

8 minuten leestijd

„En Maria stond buiten bij het graf wenende. Als zij dan weende, bukte zij in het graf en zag twee engelen in witte klederen zitten, één aan het hoofd en één aan de voeten, waar het lichaam, van Jezus gelegen had. En die zeiden tot haar: rouw wat weent gij? Zij zeide tot hen: omdat zij mijn Heere weggenomen hebben en ik weet niet, waar zij Hem gelegd  hebben." Johannes 20 : 11-13. 

Wat moet dat een schone ochtend geweest zijn, de ochtend van een nieuwe dag. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest: De dag van Pasen. De hof van Jozef van Arimathea baadde in het licht. De zon scheen en wierp haar stralen in de spelonk, speelde met het domein van de duisternis. De steen is weggewenteld en het graf is leeg. Ieder mag er zich van overtuigen: In het graf is Hij niet. Hij overwon de dood, daarom verliet Hij haar kerker: niemand die het kon verhinderen. Goede morgen, mijn lezer, wat een mooie 'dag wordt het vandaag, alles ademt vreugde en vrede.

Goede morgen. Het mocht wat! Een mooie dag, och, het is nu reeds de derde dag: vrijdag, zaterdag, zondag. Helemaal geen mooie dagen, sombere dagen; deze derde dag zal wel weer zo'n zwarte dag worden. Denkt Maria erover na, dan vreest zij, dat er ook in het vervolg géén keer in de dagen komen zal. Rouwdagen zullen het worden, de een na de ander. Want...

Over welke Maria hebben wij het; meerderen dragen immers die naam. Het is Maria Magdalena. Zij is van zeven duivelen bezeten geweest, een triest lot. En omdat ze zo in de macht van de boze was, hadden ongerechtige dingen de overhand over haar, een grote schuld. Totdat zij Jezus ontmoette. Hij had de duivelen uitgedreven en haar was veel vergeven. Om nooit te vergeten. De doodsschaduw was voor haar veranderd in de ochtendstond. Haar vastgelopen leven viel open naar de toekomst. Zij heeft veel liefgehad, zij volgde Jezus, zij diende Hem van haar goederen. Hij had het leven haar weer terug gegeven. Hij was het leven van haar leven.

Vrijdagavond, even voor de rustdag aanbrak, was Hij gestorven, nog doorhuivert haar het verdriet. Wat bleef haar over? Zijn lichaam, meer niet. Daaraan zal ze haar zorgen wijden, en dan . .. Dan daalt de nacht over haar leven. Die morgen, ging ze met de vrouwen naar de hof; zodra zij de steen zag ging zij terug. Dat kon maar één ding betekenen: Zij hebben de Heere weggenomen, zo vertelt zij aan Petrus en Johannes. Die hebben zich op de hoogte gesteld en zijn weer huiswaarts gegaan. Zij niet. Wat moet zij thuis doen, de leegte gaapt haar aan: Hij is er niet. Nee, dan maar liever in de buurt van het graf blijven, zodoende treffen wij haar hier aan.

En Maria. Voor ik verder ga, mag ik u wel een vraag stellen. Is er iets tussen Jezus en u, zoals bij deze Maria? U behoeft het hele verhaal niet te vertellen, de liefde geeft toch wel antwoord. Werd zijn woord u het woord des levens, werd Hij het leven van uw leven? Werden er zonden verzoend en duivelen uitgedreven? Wanneer er niets tussen Jezus en ons is, dan laat het bericht van zijn opstanding ons koud. Dan nemen wij het misschien nog wel aan, maar slechts voor kennnisgeving. Of Jezus leeft, heeft dan voor ons geen levensbetekenis.

Toch wel? Dan is Maria geen vreemde voor ons. Dan zullen wij haar in de ziel zien en zeggen: dat is mij niet onbekend, die droefheid en die traagheid, dat wantrouwen, waardoor ik als een van het leven beroofde bij het graf van Jezus vertoef. Het evangelie heeft u wat te bieden, het is immers de blijde boodschap, dat Jezus leeft.

En Maria stond buiten bij het graf wenende. Het is met Maria enigszins anders als met de overige vrouwen, in het evangelie vermeld. Het is niet met ieder eender. Het eigenaardige bij Maria is, dat zij gebleven is, waar de andere heengingen. Zij kan het niet over haar hart verkrijgen, deze plaats te verlaten, zij kan het niet opgeven, naar Hem te zoeken. In de greep van de wanhoop, is de hoop nog niet gewurgd. De ijver van haar liefde is harder dan het graf; wat zij mist kan ze zo maar niet loslaten. Vindt u dat niet eigenaardig? Zij houdt aan Jezus vast, al zegt haar verstand en haar gevoel: Hij is weg.

Wenende. Haar tranen vloeien, omdat haar hart verbroken is. Maria weent. Eens waren het tranen van geluk, nu heeft het grote verdriet haar bevangen, nu is zij verbijsterd: Haar Heere is weg­ genomen. Ze is er niet onder verhard. Ze denkt niet: Hij kan mij nu gestolen worden, het is nooit iets tussen ons geweest. Hij bedroog mij. Wenende. Het gaat niet om die tranen, het gaat om dat hart. Het hart kent zijn eigen droefheid; herkent u de hare? Hem kan ik niet missen; ben ik Hem kwijt hoe kan ik dan verder leven. Huil maar eens uit Maria; uw tranen geven u Jezus niet terug, maar ze worden niet tevergeefs vergoten.

Als zij dan weende, bukte zij in het graf. Wij volgen het evangelie op de voet, wij worden, naar ik hoop, door het verhaal meegenomen. U merkt het, Maria zoekt Hem nog steeds; onwillekeurig bukt zij zich en kijkt in het graf. Daar lag Hij eergisteravond. Is het lichaam op een andere plaats gelegd? Hier is het niet. Teleurstellend, dat herhaalde „niet". Hij is er niet meer, zij zoekt ook op de verkeerde plaats; zij zoekt de Levende bij de doden. Daar is Hij wel geweest, doch daar moet ze Hem niet meer zoeken. Waar zoekt u Jezus? Misschien wel in uw verleden, niet in Zijn heden. Zij ontdekte bijna het wonder: Hij is hier niet. Toe, herinner u Zijn woord: ten derde dage zal Ik. Het ongeloof ziet een leeg graf, en meent: Christus is weg. Terwijl Hij onderweg is om haar te ontmoeten.

Wij weten beter. De Paasboodschap luidt: Jezus is opgestaan, daar houden wij het maar op. Weten en weten is echter twee. Weten wat, weten dat, weten wie. Wat baat het ons, te weten, wat het evangelie verhaalt, weten dat het waar is. Het gaat er om te weten Wie verrezen is en voor wie Hij verrezen is. Hij voor mij en ik met Hem. Dat is het nu net, klaagt iemand. Zolang dat vertrouwen ontbreekt is er een leeg graf, maar geen levende Meester. Brengen wij het niet verder dan Maria bij het graf. Wij hebben een opgestane Zaligmaker nodig, gestorven om onze zonden, opgewekt om onze rechtvaardiging. Die kunt u niet vinden, wanneer u zich bukt in het graf. Het is u toch niet om een dode Jezus te doen?

Wat ziet Maria daar? Twee engelen in witte klederen, één aan het hoofd en één aan de voeten, waar het lichaam van Jezus gelegen had. Twee hemelse gestalten. Waar engelen de wacht houden, kunnen mensen toch niets wegnemen. Zij zitten daar, als hadden ze hun taak volbracht, en tegelijk kijken ze uit, naar iemand die ze van dienst kunnen zijn. De rol die de engelen spelen in de opstandingsgeschiedenis, is een teken van de grote doorbraak; hemel en aarde verenigd tesaam. Christus wordt erin verheerlijkt en zijn gemeente is er goed mee.

Die zeiden tot haar: vrouw, wat weent gij. Luister nu goed Maria, hun toon is zo teer. Uw tranen worden gedroogd, met de doek van deze woorden. Zeg maar wat u zo kwelt, zeg het maar, dat je ziek bent van gemis en smart, het antwoord zal u genezen. Maria ziet de engelen als in een nevel; zo is ze in beslag genomen door haar verdriet, dat ze niet eens bang wordt. Eén ding vervult haar: Jezus is hier niet. Dat er engelen zijn dringt ternauwernood tot baar door. Vrouw, wat weent gij. Min of meer verdoofd geeft ze antwoord: Omdat zij mijn Heere weggenomen hebben en ik weet niet, waar zij Hem gelegd hebben.

Nu wordt het al te mal. Ziet ze de engelen er voor aan, dat ze de Heere lieten stelen! Er is een zee van licht, ziet ze toch niet dat de nieuwe dag is aangebroken? Het wordt bijna eentonig, want zij brengt het niet verder dan de eerste keer: zij hebben en ik weet niet. Of is er verschil? Eerst zei ze: de Heere. Nu, nu het nog onherroepelijker lijkt, belijdt ze: mijn Heere. Hoe nauw weet ze zich aan Hem verbonden. Het geloof heeft lief; de liefde gelooft. Maar hoe werward, en met hoeveel onverstand vermengd. Mijn Heere. Valt de klemtoon op dat laatste woord, dan zijn wij geneigd te glimlachen Heere, hoor ik u zeggen. Hij heeft dus macht. Hij heeft het over u te zeggen. Hij heeft het over de duivel te zeggen, daarvan getuigt uw levensgeschiedenis. Maar over de dood heeft Hij niets te zeggen? Hij werd een prooi van de dood? Maria dan toch: mijn Heere, dat houdt toch alles in.

Vindt u de inleiding wat breedvoerig. Verspert Maria de weg van Christus? Dat kan. Dat we met haar bezig raken. Wel verstaan, laat zij dat niet toe. Zij is met Jezus bezig. Zij is met Pasen bezig, ze kan er alleen geen vat aan krijgen. Het gaat haar om Jezus, daarin is zij ons tot een voorbeeld. Niet in haar onverstand. Wie is verstandig? Wie verstaat het, dat Jezus leeft? Wie is niet steeds met de dood in de weer, terwijl het leven wenkt? Het licht van Pasen breekt door al die wolken heen. Hoop op Hem, Hij zal u helpen. Hij steekt de hand reeds naar u uit. En die zeiden tot haar. Maria, dat is een bijzondere genade van Hem. Heeft ze er nog geen erg in, dan zal Hij haar nog dichter naderen. Want er is Jezus alles aan gelegen, dat de Zijnen het weten: Ik leef. Dat ook die vrouw bij het graf het te weten komt.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1968

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

BIJ HET GRAF

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 april 1968

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's