SOCIOLOGIE EEN BOOSDOENER?
3 kanttekeningen bij „Moet de kerk veranderd worden? "
- Drs. Exalto kent aan de sociologie een enorme macht toe, als hij schrijft „De sociologie (tegenwoordig een zeer zelfbewuste wetenschap) nam een geweldige vlucht: zij beschrijft de maatschappij, maar schrijft haar ook normen voor. Zij kreeg een heersende en beheersende positie. En wordt nu ook op het terrein van de kerk binnengehaald (onder 't motto deskundigheid). Apostolaat en sociologie worden gaandeweg meer aan elkaar gekoppeld. De theologie — soms krijgt men de indruk dat zij de gesmade wordt, voor wie de theologen zelf zich wat genéren — mag niet meer zeggen hoe kerk en apostolaat er behoren uit te zien, men vraagt dat aan de sociologie." Tot zover drs. Exalto.
Afgezien van het feit dat de sociologie — als wetenschap — geen normen voorschrijft aan de maatschappij, is het de vraag of zij in onze kerk de monopoliepositie van de theologie ondergraaft.
Het merendeel van de vrijgestelden op landelijk en provinciaal niveau is immers theoloog en het sociologisch instituut van onze kerk, dat vroeger 5 sociologen in dienst had, is met instemming van de generale synode ingekrompen tot één functionaris.
Voorts werd zonder consultatie van een socioloog: — in de kerkorde de „streekgemeente" opgenomen en aan de PKV-moderamina een bepaalde (formele) macht op dit gebied toegekend;
— een reclamecampagne voor theologie-studie gevoerd, in plaats van een onderzoek naar de achtergronden van het predikantenverloop;
— de aktie 66-2000 opgezet en gestart;
— in diverse gemeenten, onder begeleiding van de Raad v. d. Herderlijke Zorg gestart met een „schoonmaak-aktie" onder niet-meelevende leden;
— enz. enz.
- Het is de vraag of de theologie — als wetenschap — en niet de hele gemeente aan de hand van de bijbel moet zeggen hoe kerk en apostolaat er behoren uit te zien.
Was de „Open Brief" een werkstuk van theologen, ook de discussies over nieuwe gemeentevormen zijn hoofdzakelijk een zaak van theologen. Waarbij de gemeente vrijwel buitenspel wordt gezet c.q. gelaten. De negatie van de gemeente is in onze kerk een ernstig probleem, waardoor alle spreken van kerkelijke zijde over democratisering een lachertje wordt.
Het zou geen kwaad kunnen als onze kerk eens 'n „pastoraal concilie" hield!
- In de theologie heeft men vaak moeite met het juiste verstaan van andere vakwetenschappen. Niet alleen wordt hier vaak gewerkt met verouderde natuurwetenschappelijke inzichten, ook de sociologie is vaak het slachtoffer van misverstanden.
Drs. H. D. de Loor heeft in „Hoekendijk en verder..." uitvoerig aangetoond welke misvattingen van sociologisch denken voorkomen bij prof. dr. Hoekendijk.
Deze staat in dit opzicht niet alleen. Bij diverse theologen kan men een onkritisch en ondeskundig gebruik van sociologische gegevens vaststellen. En een tekortschieten in theologische bezinning op uitkomsten van de sociologie.
Men vlucht dan in pragmatisme en laat de vragen uit de kerkelijke sociologie onbeantwoord.
Daarom wekt het geen verwondering, dat sommige beoefenaren van de kerkelijke sociologie in hun spreken over kerk en gemeente de grenzen van hun vakwetenschap overschrijden en in feite ook theologisch bezig zijn.
Deze grensoverschrijdingen keren we niet met klachten over de groeiende betekenis van de sociologie.
Is dit niet pas mogelijk als de theologen hun mannetje weer gaan staan door theologische antwoorden te geven op vragen rondom de positie van de kerk in de samenleving?
Waddinxveen.
- J. Bos.
Nabeschouwing.
Op mijn stuk dat in De Waarheidsvriend van15 februari werd opgenomen onder de titel: Moet de kerk veranderd worden? kwamen (zoals wel te verwachten was) een paar reacties binnen, sommigen bij mij persoonlijk, andere bij de redactie. Er waren er die met het stuk instemden en mij dat lieten weten, er waren er ook die mij kritische vragen stelden, zoals drs. Bos in het bovenstaande stuk: Sociologie een boosdoener? of bedenkingen opperden. Vandaar dat ik (op verzoek) nog even op een paar dingen terugkom.
Degenen die bedenkingen opperden spraken de vrees uit dat ik de verstarring die zij bij de Gereformeerde Bond of in de „Bondsgemeenten" blijkbaar constateren in de hand zou hebben gewerkt. Ik wil daar op antwoorden dat het stuk inderdaad wat scherp naar één kant was gericht. Ik meen echter dat dat nodig was. Wil een pijl doel treffen dan moet men er één tegelijk afschieten en niet tien tegelijk. Dat er ook op eigen gemeenten wel wat aan te merken zou zijn, .weet ik maar al te goed. En ook is me niet onbekend dat de beweging van de geschiedenis van de kerk niet in de 16e of 17e eeuw is opgehouden. Er kan een zweren bij oude vormen zijn dat de voortgang van het Evangelie in de weg staat. Maar het is óók waar, dat er momenten in de geschiedenis der kerk zich kunnen voordoen dat men eens even op de plaats halt moet maken en achterom moet zien of de erfenis der eeuwen wel meekomt. Want bij alles wat roept om verandering en vernieuwing weiger ik eenvoudig ook maar iets prijs te geven van de leer der Reformatie en het reformatorische kerk-zijn. In mijn stuk heb ik getracht te laten zien hoe deze beide thans in gevaar zijn; en verder heb ik vanuit de Schrift getracht (meer was het niet) meer licht in deze zaken te geven. Wie dat een bevorderen van verstarring noemt, weet niet wat hij zegt.
En nu de kritische vragen van drs. Bos. Uit zijn losse opmerkingen kan ik moeilijk opmaken wat hij precies wil. Mocht het hem er om gaan 't bestaansrecht van de sociologie te bepleiten, dan kan ik hem verzekeren dat ik er zelfs niet aan denk hem dat te betwisten. Verder, dat de sociologie een zeer zelfbewuste wetenschap is, wordt door sociologen zelf toegegeven, en ook zijn er wel die een open oog hebben voor het gevaar van een sociologisme, waarbij de sociologie de sleutel zou bieden tot het oplossen van alle problemen. Niettemin, in mijn stuk ging het om dit gevaar niet in de eerste plaats. Als de heer Bos het wat objectiever had gelezen dan hij blijkens zijn opmerkingen gedaan heeft, dan had hij duidelijk kunnen bemerken dat mijn kritiek niet de sociologen maar de theologen gold die de sociologie te hulp roepen en aan de woorden kerk, ambt, enz. een sociologische vulling geven, in plaats van te vragen wat zegt de H. Schrift er over. Daar moeten sociologen zich niet voor laten lenen, ook de heer Bos niet. Volgens mij gaat ook hij in dit opzicht al over de schreef als hij in zijn opmerkingen de theologie wil vastpinnen op de uitkomsten van de sociologie (zijn 3de opmerking) en zo argeloos spreekt over een democratisering van het kerkelijk leven (zijn 2de opmerking). Intussen, het is allerminst mijn bedoeling voet te geven aan een soort prestigestrijd tussen sociologen enerzijds en theologen anderzijds. De theologie heeft een bescheiden, dienende taak. Zij is gebonden aan de H. Schrift en aan de belijdenis der kerk, die een vertolking is van het geloof der gemeente. In de geschiedenis heeft de theologie al zo vaak zich laten beïnvloeden door bepaalde filosofieën; en nu schijnt weer hetzelfde te gebeuren door psychologie en sociologie. En steeds was de gemeente het kind van de rekening.
Het heeft mij getroffen dat met name ook verscheidene ouderlingen op mijn lezing (en artikel) hebben gereageerd. Zij betuigden me, graag voor de kerk te willen werken maar het moderne apostolaats-activisme volmaakt beu te zijn.
Dat brengt mij tot een schrijven nu eens niet van een ambtsdrager maar van een „gewoon gemeentelid", binnengekomen bij de redactie en door haar aan mij doorgezonden. Het bevat een schreeuw om pastoraat! Hoewel een kerkelijk meelevend gezin kreeg het in 11 jaar 1 keer een bezoekje van een predikant; verder wel natuurlijk een aanslagbiljet van de hoofdelijke omslag. De predikanten in zijn woonplaats zullen wel apostolair gericht zijn en experimenteren; maar zien ze ook het werk dat er naast hun deur ligt? Familieleden van de mem die dit schreef zijn voor een deel onkerkelijk, ook zij krijgen nooit bezoek. In de vroegere woonplaats van de schrijver (ergens op de Veluwe) was dat heel anders, schrijft hij.
In ieder geval ligt hier iets dat extra onze aandacht eist. Er is allerwege, ook in onze gemeenten, het gevaar van ik-weet-niet-hoeveel activiteiten te gaan ontwikkelen en het werk dat ons het meest op de handen is gezet te verwaarlozen. Aan de andere kant, de schrijver van de brief die ik hier antwoord geef, wil er, naar we hopen, wel mee rekenen dat er van de ambtsdragers, ook wanneer zij 't strikt noodzakelijk doen, toch nog veel gevraagd wordt, meer dan zij aan kunnen. We zouden meer ambtsdragers ten behoeve van meer „zielen" moeten hebben, en dat is vaak financieel erg moeilijk. Al is het óók waar dat er gemeenten zijn waar het wél zou moeten kunnen maar men het niet doet, men het laat bij één dominee bijv. en een handjevol kerkeraadsleden. Er is neus nog wel wat te veranderen, waar ik ook dringend voor pleit, en toch zonder dat de reformatorische structuur van de kerk wordt prijsgegeven.
K. Exalto.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1968
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 april 1968
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's