De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET AVONDMAALSFORMULIER

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET AVONDMAALSFORMULIER

VERVOLGARTIKEL NUMMER 6

6 minuten leestijd

Samenstelling en inhoud.

Nu komt nog het derde punt van het zelfonderzoek.

Dat de liefde Gods in Christus in onze harten door het geloof ontvangen is, dat zij ons geraakt heeft en de grond van ons vertrouwen is geworden, moet openbaar worden in de wederliefde. Het woord „wederliefde" spreekt al van het karakter van deze liefde als „tweede" liefde. De éérste liefde komt van God en is van God. Dat moet altijd wel voor ogen gehouden worden. Want wanneer het oog en het hart niet gericht blijven op de liefde Gods in Christus, zinkt de liefde in onze harten in en daarmede zou toch weer een barrière opgeworpen worden op weg naar het Avondmaal.

Dit derde punt mag dus nooit losgemaakt worden van het tweede. Het gaat in dit derde punt om het leven der dankbaarheid. Maar die dankbaarheid is dan ook, om zo te zeggen, geloofsdankbaarheid. De kracht er van ligt in de ontfermingen Gods (Rom. 12 : 1).

Wanneer we de grote dingen, waarvan hier sprake is (met zijn ganse leven Gode waarachtige dankbaarheid voor al Zijn weldaden bewijzen, het wandelen in oprechtheid voor Gods aangezicht en in waarachtige liefde en enigheid met zijn naaste) op zichzelf gaan stellen, dan blijft alleen de vraag: „Wie is tot deze dingen bekwaam? " Neen, de rank kan geen vrucht dragen van zichzelf. Alleen in de Wijnstok. En dan draagt heel dit leven der dankbaarheid niet het karakter van een soort van toevoegsel onzerzijds, maar het is veel meer een uitvloeisel van het zijn in de Wijnstok.

Maar als zodanig mag dit leven der dankbaarheid ook niet ontbreken, opdat wij niet weggesnoeid worden als ranken, die in de Wijnstok geen vrucht dragen.

Men moet ook de vraag nauwkeurig lezen. Hier wordt niet een volmaaktheid verwacht, die eerst aan gene zijde van het graf het deel van Gods kinderen uitmaakt, wanneer de tropische plant, het hemelse gewas des geloofs, uit het koude klimaat van deze wereld overgeplant zal zijn in het paradijs Gods. Maar wel wordt onderzoek gedaan naar de gezindheid des harten. De inleiding van dit punt in het formulier luidt: „ten derde onderzoeke een iegelijk zijn consciëntie, of hij ook gezind is ..."

Het gaat om die gezindheid, die we in zo menige Psalm aanheffen.

De dichter van Psalm 86 heeft uitgeroepen: „want Gij, HERE, zijt goed en gaarne vergevende, en van grote goedertierenheid allen, die U aanroepen".

Maar dan komt het ook tot de bede: „leer mij, HERE, Uwen weg, ik zal in Uwe waarheid wandelen; verenig mijn hart tot de vreze Uws Naams". En de dichter van Psalm 119 wordt niet moede zijn liefde tot de wegen des Heren te bezingen.

Eigenlijk is dat het doel der verlossing. Het gaat niet alleen om ons be­houd. Daarboven uit gaat het er om, dat God de Here Zich weer een volk formeert tot Zijn dienst bereid.

Ook hier denken we weer aan onze Heidelberger, die erkent, dat degenen, die tot God bekeerd zijn maar een klein beginsel van de volkomen gehoorzaamheid hebben (Zondag 44 vraag 114). „Doch alzo, dat zij met een ernstig voornemen niet alleen naar sommige maar naar al de geboden Gods beginnen te leven." Daarbij wordt het gebed behandeld in het hoofdstuk der dankbaarheid en daarvan zelfs het voornaamste stuk genoemd.

Dat is naar het leven getekend. Maar dan naar 't nieuwe leven, dat de vruchten des geloofs draagt.

Dat zal ook onze naaste — vriend èn vijand — moeten merken. Zonder dat is onze godsdienst ijdel en ijdel d.i. onwezenlijk ook ons geloof. Daartoe onderzoeke een ieder zijn consciëntie.

Wij herinneren tenslotte nog eens aan onze Catechismus, die ook de vraag stelt voor wie het Avondmaal des Heren is ingesteld (vr. 81). Daarin wordt ook de waarschuwing gericht tot „de hypocrieten en die zich niet met waren harte tot God bekeren". Zij eten en drinken zichzelf een oordeel. Maar als ware deelgenoten van de Tafel des Heren worden getekend degenen, die zichzelf vanwege hun zonden mishagen, en nochtans vertrouwen, dat deze hun om Christus' wil vergeven zijn, en dat ook de overblijvende zwakheid met Zijn lijden en sterven bedekt is, die ook begeren, hoe langer hoe meer hun geloof te sterken en hun leven te beteren."

Na deze 3 punten van zelfonderzoek opgesomd te hebben, gaat het formulier voort: „allen, die alzo gezind zijn ..."

Daar valt voor de tweede maal het woord „gezind". Dat is geen wonder, want het gaat om de grote ommekeer in de gezindheid des harten. Dat betekent 't oorspronkelijke Griekse woord voor bekering: meta-noia. Die metanoia brengt een andere gezindheid tegenover onze eigen zonde en schuld; tegenover de prediking van Gods genade in Christus; en tenslotte tegenover het nieuwe leven.

We komen op deze plaats in het formulier weer in aanraking met de sleutelmacht der kerk. Er wordt gezegd wat God gewis d.i. vast en zeker doen zal, n.l. degenen, die de beginselen van deze 3 stukken kennen, aannemen. Hij zal ze niet verstoten. Hij zal ze geenszins uitwerpen. Maar Hij zal ze voor „waardige" medegenoten van de Tafel Zijns Zoons Jezus Christus houden.

Het zal duidelijk zijn, dat hier geen waardigheid in de mens zelf gezocht wordt. Het gaat immers juist om mensen, die met de verloren zoon belijden: k ben niet waardig uw zoon genaamd te worden, die belijden, dat zij tegen alle geboden Gods zwaar gezondigd hebben en geen er van gehouden hebben en nog steeds tot alle boosheid geneigd, zodat zij het helemaal moeten hebben van Jezus Christus en Zijn vol-bracht Middelaarswerk. De waardigheid, die hier bedoeld wordt, is die van een betrekking tot deze geestelijke spijze en drank, die in Christus is bereid. God acht hongerigen Zijn brood waardig. De kanttekenaren van de Statenvertaling geven ons een Bijbelse exegese van hetgeen met „waardig" wordt bedoeld bij Matth. 10 : 11, waar Jezus de discipelen uitzendt met de vredegroet als een effectieve zegen daar, waar zij binnengaan bij één, die „waardig" is. De kanttekening luidt: d.i. die het Evangelie gaarne willen aannemen, welke waardigheid niemand van zichzelven heeft, maar die de Here door Zijn Geest daartoe bekwaam en waardig maakt". De kantt. verwijst daarbij naar Matth. 22 : 8, 9 en naar 2 Cor. 3 : 5.

De waardigheid ligt dus in de oprechte begeerte naar Gods genade in Christus en in het oprechte vertrouwen des harten niet in zichzelf maar in Christus. Dit is reeds het wonder van Gods genade.

Met evenveel klem als hier de hongerigen en dorstigen de toegang wordt verzekerd, wordt die ontzegd aan degenen, wier hart vreemd is aan deze dingen. Onheilige omgang met het heilige brengt geen zegen, maar oordeel. Dit oordeel is, Gode zij dank, niet het oordeel (de eeuwige verlorenheid), maar toch wel een oordeel door innerlijke verharding, waardoor men een grotere duisternis over eigen zieleleven brengt. Dit geldt overigens niet alleen van het H. Avondmaal, maar van elke verkeerde omgang met het heilige in Wet en Evangelie, Doop en belijdenis, gebed en lied.

Hier wordt dus niet bedoeld een oordeel, waarvan geen verlossing meer zou verkregen kunnen worden. Wel betekent dit bij volgehouden onbekeerlijkheid verzwaring ook van het oordeel.

(Wordt vervolgd).

 

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 1968

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HET AVONDMAALSFORMULIER

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 mei 1968

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's