GELOOF EN WETENSCHAP IN DISCUSSIE
Naar aanleiding van mijn tot nu toe verschenen artikelen over het eerste gebod ontving ik verschillende brieven. Enkele daarvan roeren onderwerpen aan, waarvan mij een behandeling voor alle lezers wenselijk leek. Wellicht meer lezers denken zo, al schreven ze mij (helaas) niet. Dat dit artikel hier thans is afgedrukt, bewijst dat de redactie mij toestond op deze reacties breder in te gaan dan in het algemeen mijn bedoeling is. Ik zal de drie brieven, waarover het hier gaat, in een tweetal artikelen stuk voor stuk bespreken en beantwoorden, al wordt in meer dan één brief op een en hetzelfde onderwerp gereageerd. Eerst geef ik terwille van de duidelijkheid de bedoelingen van de schrijvers zo getrouw mogelijk weer, daarna volgt mijn reactie. Nog één opmerking voordat ik van wal steek: ik ben over het contact met de lezers bijzonder verheugd, al moet ik hen soms tegenspreken.
De eerste brief.
- te K. vindt dat in het artikel in de Waarheidsvriend van 30 nov. 1967 de tegenstelling tussen geloof en wetenschap niet voldoende tot haar recht kwam. In het Oude en Nieuwe Testament vindt hij deze tegenstelling wel. Waarschijnlijk doelt de schrijver hier op het verschil tussen verstandelijke kennis en beleving van de waarheid, want hij spreekt in dit verband van „leer en leven". Eenzelfde tegenstelling neemt hij waar „in de huidige structuur van onze samenleving". Misschien is hij intussen ongemerkt overgestapt op het verschil tussen theorie en praktijk.
Vervolgens maakt H. bezwaar tegen de zin „Het is de taak der geleerden op dit terrein aan de gelovigen leiding te geven". Bedoeld was het terrein van de spanning tussen het Schriftgeloof en de resultaten van de moderne wetenschap. H. vindt dat de geleerden niets kunnen toevoegen aan de verkondiging van Gods Woord vanaf de kansel. De veronderstelling dat dit wel mogelijk is, komt voort uit het niet onderkennen van de geest dezer eeuw, meent mijn schrijver. Hij voegt eraan toe, dat ik zo niet door de enge poort van het hemelse Jeruzalem kom.
De onmacht van de wetenschap.
Laat ik beginnen met datgene te noemen, waarin ik het met de schrijver volkomen eens ben. Iemand kan door middel van de wetenschap van deze wereld nooit de verborgenheid begrijpen, die God aan zijn gelovigen bekend maakt. De wetenschap van deze wereld kan ons niets leren over de manier waarop God zondaren redt. Evenmin kunnen wij erdoor bevroeden, hoe een schuldig mens de toevlucht kan nemen tot God.
Ik kan ook van harte toegeven dat de geleerden, de theologen niet uitgezonderd, de kerk in de loop van de eeuwen al heel wat kwaad hebben berokkend. Allerlei dwalingen zijn door hen in de gemeente Gods ingevoerd. Terecht zijn de gelovigen hiervoor op hun hoede.
Wetenschap is gave van God.
De Heilige Schrift veroordeelt de wijsheid van deze wereld. (1 Cor. 1 : 20, 2 : 6-16). Zij buigt zich niet voor God maar streeft naar eeuwig leven op zelf gekozen wegen. De zondige mens wil wijzer zijn dan God. De Bijbel veroordeelt evenwel niet de wetenschap die in onderworpenheid aan Gods openbaring wordt bedreven. Kunstzinnigheid is een gave van de Heilige Geest, evenals bekwaamheid tot handwerk, studie, geneeskunde, enz. (Ex. 31 : 1-6).
Kan een christen wetenschap beoefenen?
De wetenschap die naar God luistert en het geloof dat zich aan God toevertrouwt, zijn onderling niet strijdig. Wel kan de beoefenaar van de één of andere tak van wetenschap voor deze moeilijkheid komen te staan: hij weet de resultaten van zijn onderzoek niet in overeenstemming te brengen met zijn geloof in de openbaring van God. Ineens komt dan de praktische vraag om de hoek kijken, of een christen heden ten dage nog wetenschap kan bedrijven. Mogen onze kinderen geologie studeren, biologie of medicijnen? Of moeten de medici tot wie we ons wenden met onze ziekten, persé ongelovig zijn, omdat de (medische) wetenschap voor een gelovige verboden terrein is? Men vergete niet dat ook de medische wetenschap uitgaat van de evolutietheorie. U zult (dat verwacht ik van de briefschrijver en van de lezers) niet ontkennen dat een christen beoefenaar van één of andere tak van wetenschap kan zijn. Dan moet u eerlijk het gevolg van dit standpunt onder ogen zien. Voor de gelovige wetenschapsman bestaat er een niet te verzoenen tegenstelling tussen de werkmethode in zijn dagelijkse arbeid en de gereformeerde Schriftbeschouwing.
Welke geleerden moeten leiding geven?
De hierboven nog eens herhaalde zin over de geleerden die leiding moeten geven aan de gelovigen, was — bij nader inzien — niet duidelijk genoeg gesteld. De bedoeling ervan was deze: Gelovige, theologisch geschoolde geleerden moeten leiding geven aan de gelovigen met betrekking tot de spanning tussen geloof en wetenschap. Zij moeten trachten de gemeente het juiste zicht te geven op de wetenschap en op het geloof en op de verhouding tussen deze beide. Het was geenszins mijn bedoeling om aan de beoefenaars van de profane wetenschappen toe te staan leiding te geven aan de gelovigen. Hoe zou dat ook kunnen? Wanneer de kerk te veel waarde hecht aan de mening van de beoefenaars der wetenschap en te weinig let op de Heilige Schrift, betreedt zij een verkeerde weg, zoals naar mijn mening ook heden maar al te veel geschiedt.
Het leraarsambt in de kerk.
Wij mogen daardoor echter niet uit het oog verliezen dat het leraarsambt in de kerk een wettige plaats inneemt en onmisbaar is. Christus schonk aan de gemeente ook „oudsten" (presbyters), die arbeiden in het woord en de leer (1 Tim. 5 : 17). Een deel van hun arbeid bestaat erin de gemeente des Heren voor te lichten. Dit onderricht mag niet opgaan in dogmatische detailkwesties. Het moet zich ook uitstrekken tot de vragen die de christen kwellen betreffende de veranderende omstandigheden waarin hij leeft. Als het geloof van de christen op gespannen voet staat met de resultaten van nauwgezet wetenschappelijk onderzoek (b.v. omtrent de ouderdom van de aarde en van de mens die erop leeft) dan dient het leraarsambt de gemeente zo goed mogelijk te onderwijzen. Omdat dit zo bijster moeilijk is, wekte ik in het betreffende artikel op tot gebed voor de leidinggevende theologen. Zij mogen de problemen waarvoor de christenen zich geplaatst zien, niet uit de weg gaan. Zij mogen die nog veel minder met „dooddoeners" beantwoorden. De verkondiging van het Woord op de kansel, waarop de brief wijst, is zeer nauw verbonden met de wetenschappelijke vorming van de theologische studenten. Het opleiden van dienaren des Woords is één van de manieren waarop de (theologische) geleerden leiding moeten geven aan de gemeente. De wetenschappelijke onderzoekingen, waarvoor de professoren in de theologie de tijd moeten bezitten, behoren ditzelfde doel te dienen. Dat en niets anders was de bedoeling van wat ik schreef. Het stemt mij dankbaar dat verschillende lezers hierover opmerkingen maakten, wijl dit mij de gelegenheid biedt een mtspraak die misverstand kon wekken, op te helderen.
Bewogenheid.
Tot mijn spijt moet ik aan dit alles toevoegen, dat ik in deze brief de bewogenheid miste. Hierover zou ik zwijgen, als dit ontbreken van bewogenheid mij niet symptomatisch leek voor sommigen in „onze kring". Wij behoren begaan te zijn met onze jonge mensen, kinderen van het verbond, vooral met hen die uitgebreid lager, middelbaar of hoger onderwijs genieten. Wat kunnen zij in hun jonge leven worden geslingerd tussen de Bijbelse leer waarin zij zijn opgevoed en hetgeen de moderne wetenschap hun voorschotelt! Wij behoren ook begaan te zijn met de christelijke „geleerden", die in een voortdurende spanning verkeren om hun geloof te behouden. De eenvoudigen in de gemeente kennen weliswaar eenzelfde worsteling doch op een geheel ander niveau. Zij moeten weten dat sommigen van hun medegelovigen een zware strijd te voeren hebben, waarvan zij als ongeletterden zich geen voorstelling kunnen vormen. Zij moeten ook weten dat deze strijd van belang is voor het geestelijke leven van de gemeente.
Vragen zonder antwoord.
Wacht u ervoor als een protestantse Petrus met een grote sleutel aan de poort van het nieuwe Jeruzalem te gaan staan om de deur te sluiten voor ieder die iets zegt waarmee u het niet eens is. Dit euvel komt onder „ons" al te veel voor. Wij moeten echter ruimte laten voor christenen die over bepaalde, zeer moeilijke vraagstukken anders denken dan wij.
De tweede brief.
- te H. Ook deze brief heeft betrekking op de verhouding van geloof en wetenschap. K. meent dat ik evenals Dr. Graafland aan de wetenschap ruimte wil geven. Hij voegt er de restrictie (beperking) bij, dat hij een wetenschap bedoelt „die niet de Schepper in de schepping zoekt". Het wonder van de natuur heeft mijn briefschrijver diep getroffen en hij voert dat terug op de scheppende God. De wetenschap kan in feite niets, wijl ze God niet zoekt in de schepping.
De ongelovige onderzoeker.
Op het eerste gezicht kan het lijken, alsof er in antwoord op deze brief niet veel nieuws meer is te zeggen. Toch nog enkele opmerkingen.
Gaarne stem ik de schrijver toe dat onze wetenschap slechts kan nasporen wat God geschapen heeft. In zijn wetenschappelijke arbeid behoort de mens God te erkennen als de Schepper van de natuur, die hij doorvorst.
De kerk heeft tot taak iedere beoefenaar van de wetenschap, die de Schepper niet erkent omdat hij in het geheel niet aan Hem gelooft, terug te roepen tot gehoorzaamheid aan de Almachtige. God schiep de wereld en maakte zich aan zondige mensen bekend als de Schepper en Onderhouder der wereld en in Christus als de Verlosser van allen, die in de Zoon geloven. Daarover ging het echter niet in het artikel dat ik schreef. Het zou misschien wel goed zijn de zo juist gemaakte opmerkingen aan dat artikel toe te voegen.
Resultaten van de moderne wetenschap.
Wat betreft Dr. Graafland — ik laat de verantwoording voor wat hij schreef, graag aan hemzelf over. Liever wil ik erop wijzen dat sommige resultaten van het wetenschappelijk onderzoek niet vóór of tegen het christelijk geloof zijn. Het zijn eenvoudig door ieder waar te nemen feiten. Wie b.v. wel eens de grotten van Valkenburg bezocht, heeft daar diep onder de grond de fossielen van zeediertjes kunnen gadeslaan. Er is daar in voorhistorische tijden een zee geweest, waarin deze diertjes leefden. Wie weet niet van de ligging der aardlagen, die op zeer grote ouderdom wijzen?
Dergelijke feiten geven relief aan andere vondsten. In honderden grotten in Frankrijk en Spanje zijn oeroude schilderingen ontdekt. Wijzen die inderdaad op een hogere ouderdom van het menselijk ras dan wij op grond van de eeuwenoude uitleg van Genesis 1 en 2 aannamen? Het gaat mij nu echter niet om de verklaring van hetgeen er is gevonden; daarover zouden heel wat kritische opmerkingen aan het adres van zelfverzekerde geleerden zijn te maken. Het gaat mij nu hierom: het is oneerlijk te doen alsof al dit feitenmateriaal niet bestaat, alsof er geen wolkje aan de lucht is. Daardoor verdedigt men het christelijk geloof wel op een zeer slechte wijze. Sommigen handelen zo uit vrees voor de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek. Zij geven aan de wetenschap op deze manier echter een veel te grote eer, zonder zich daarvan bewust te zijn. Het lijkt alsof zij de wetenschap smadelijk verwerpen, maar intussen vrezen zij haar, alsof zij in staat ware de waarheid waaruit men leeft, omver te werpen.
Het standpunt van het geloof.
Hiermee bedoel ik geenszins — 't zou me bedroeven als u dit van mij dacht — dat we Gen. 1 tot en met 3 in twijfel mogen trekken. Het is echter volkomen geoorloofd de vraag te stellen of onze opvatting van deze hoofdstukken de juiste is. Het zou goed zijn als ieder die hierover wil meepraten eens iets las over de huidige theorieën omtrent het ontstaan van mens, aarde en heelal. Men zou dan wellicht inzien dat het standpunt van het geloof tegelijkertijd minder vanzelfsprekend en minder bedreigd is dan velen wel menen. De leer aangaande de schepping, de zondeval en de erfzonde is bij deze vraagstukken in het geding. Het is daarom geen wonder dat sommigen hun stekels opzetten, als ze denken dat fundamentele leerstukken in twijfel worden getrokken of ronduit als verouderd worden afgewezen.
Slechts het geloof kan de moeilijkheden te boven komen: de overwinning die de wereld overwint is ons geloof. Men moet het geloof evenwel niet willen verdedigen door onmiskenbare feiten te negeren. Zulk een leugenachtige verdediging heeft het geloof in het geheel niet nodig. Men kan hét geloof niet bouwen op de resultaten van de wetenschap, maar men kan het evenmin bouwen op ontkenning van de resultaten der wetenschap. Het geloof leeft op een ander, een hoger niveau. Het verheft zich met al de onopgeloste en tot nog toe onoplosbare vragen tot God en klemt zich vast aan Hem, die om Chris tus' wil de genadige Vader van zijn kinderen is geworden.
Het geloof is nederig en erkent geen antwoord te weten op de wetenschappelijke problemen, maar het heeft ook geen opdracht zich op dit gebied te bewegen en probeert dit dan ook niet. Maar het geloof ontzegt ook aan de wetenschap het recht om zich in het minste of geringste met de aard en de inhoud van het geloof te bemoeien. Dit ligt immers niet op het terrein van de zintuigelijke waarneming. Het geloof kan niet worden benadeeld door het wetenschappelijk natuuronderzoek. Alleen wanneer het geloof zich begeeft buiten haar eigen zekerheid, die in God gelegen is, m.a.w. als het geloof degenereert, kan 't zich bedreigd gevoelen. Wij spreken nu over het geloof in zijn betrokkenheid op God en niet over de gelovige, die geslingerd wordt, wanneer hij zich beroepshalve moet bezig houden met wetenschappelijke onderzoekingen of de resultaten daarvan. Deze gelovige is als een schip, dat door de storm gebeukt wordt. Hij kan zich slechts redden door zich telkens weer terug te trekken in de haven van het geloof.
Wee echter de mens die zonder het ware geloof wil trachten een overgeleverde doch innerlijk niet aanvaarde waarheid te verdedigen. Hij is als een wrakhout van twijfeling overgeleverd aan de onstuimige golven van de wetenschap — zonder het zelf te beseffen!
De Bijbel en de feiten.
Het resultaat van het wetenschappelijk onderzoek brengt velen in de war. Talloze catechisanten vragen: Hoe staat het met de waarheid van de Bijbel? Als ze zich tijdens de les op de Bijbel beroepen tegenover hetgeen hun wordt geleerd over aardrijkskunde en natuurkunde, verwijzen de leraren hen naar hun predikant. Beseffen we welke enorme problematiek hier ligt? Vroeger lag de studie binnen het bereik van veel minder mensen. Daarom weten de ouders van de leerlingen dikwijls niets af van de door hun kinderen bestudeerde leervakken. In hun onwetendheid nemen zij het soms echter een predikant kwalijk, als hij probeert hun in verlegenheid verkerende kinderen een weg door de moerassen van hun opleiding te wijzen. In plaats van hem dankbaar te zijn dat hij tracht de jonge mensen bij de Schrift te bewaren, verdenken of beschuldigen zij hem van onrechtzinnigheid.
Ongeloofstheoriën.
Ik begrijp dat wel. Zij voelen vaak intuïtief aan dat de wetenschap uitgaat van een ongeloofsstandpunt. Zij beseffen soms vaag dat de moderne wetenschap berust op een onbijbelse levensbeschouwing, de evolutietheorie, waarin voor de scheppende God geen plaats is. Zij zien daarbij echter over het hoofd, dat vele resultaten van het wetenschappelijk onderzoek ons voor nog niet opgeloste vraagstukken stellen. De niet bestudeerde ouderen halen hun schouders op over allerlei stellingen, b.v. de miljoenen jaren dat de aarde reeds zou bestaan. De jongeren worden echter opgeleid door leraren en professoren die de opgestelde theorieën als vaststaand aannemen.
Onze jonge mensen proberen vaak de knoop op een merkwaardige wijze te ontwarren: zij aanvaarden de Heilige Schrift als regel voor geloof en leven. De evolutietheorie, die daarmee in strijd is, vatten zij niet op als een levensbeschouwing, maar enkel als een werkhypothese (= veronderstelling), waarmee in de praktijk heel goed is te arbeiden en waarmee gunstige resultaten zijn geboekt. Wanneer we voor deze in de strijd verworven houding geen begrip hebben, dreigt het grote gevaar dat de continuïteit der geslachten breekt. De jongeren voelen zich verkeerd begrepen — dit gevoel bekruipt de adolescent gemakkelijk. Zij verstaan de ouderen niet meer en beschouwen zioh als een ander geslacht, dat geen binding meer heeft met de ideeën en de dogmatiek van hun ouders en grootouders.
Bij velen die menen bij uitstek „gereformeerd" te zijn, kan men een minachting voor de wetenschap constateren. Nu is wetenschap een tamelijk abstracte zaak. Men ziet echter gewoonlijk ook neer op de beoefenaars van de wetenschap. Wij hebben doorgaans te weinig gelet op de scheppingsopdracht: onderwerpt de aarde (Gen. 1 : 28). De prediking die diep inging op allerlei geestelijke ervaringen en toestanden, schonk zelden voldoende aandacht aan de roeping van de mens op aarde.
Ontegenzeggelijk bergt het onderwerpen van de aarde gevaren in zich, omdat de mens niet meer is zoals hij werd geschapen. Als we ons wetenschappelijk met de aarde bezig houden kan de tegenstand tegen God een wetenschappelijk tintje krijgen. Men schijnt Gods openbaring te kunnen verwerpen op grond van wetenschappelijke motieven. Dit aan de beoefening van de huidige wetenschap verbonden gevaar staat vandaag aan de dag levensgroot voor ons. Dit onheil wordt evenwel niet veroorzaakt door de opdracht van God, maar door de zondigheid van de mens. We moeten d^e bedreiging dan ook niet willen ontgaan door Gods opdracht te verwaarlozen, doch door onze zondigheid te bestrijden in het geloof.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1968
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1968
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's