De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Dordtse Leerregels

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Dordtse Leerregels

De zekerheid der volharding is een wortel van ware Godsvrucht.

11 minuten leestijd

Doch zoverre is het vandaar, dat deze verzekerdheid der volharding de ware gelovigen hovaardig en vleselijk zorgeloos zou maken, dat zij daarentegen een ware wortel is van nederigheid, kinderlijke vreze, ware godzaligheid, lijdzaamheid in alle strijd, vurige gebeden, standvastigheid in het kruis en in de belijdenis der waarheid, mitsgaders van vaste blijdschap in God; en dat de overdenking van die weldaad hun een prikkel is tot ernstige en gedurige beoefening van dankbaarheid .en goede werken; gelijk uit de getuigenissen der Schrift en de voorbeelden der heiligen blijkt. 

Hoofdstuk 5. — Artikel 12.

De zekerheid der volharding is een wortel van ware Godsvrucht.

De negende stelling achter het Proefschrift dat H. Edema-van der Tuuk, in 1868 predikant te Noordwolde in Friesland, schreef over Johannes Bogerman luidde: „Het is niet bewezen, dat de predestinatieleer en het determinisme voor het zedelijk leven schadelijk zijn."

Ik zou hem niet willen volgen in de suggestie, dat de predestinatieleer en het determinisme op hetzelfde vlak liggen, maar wel hierin, dat de belijdenis der predestinatie niet schadelijk is voor het zedelijk leven. Ik voeg er bij: ok niet voor het religieuze leven. Maar dan gaan we verder en zeggen met ons artikel, dat de leer der predestinatie, waarin de belijdenis der volharding goed past, bevorderlijk is voor het geestelijke en zedelijke leven. Zon belijdenis geeft sterkte aan de zwakken, moed aan de wankelenden, lust om weer op te staan aan de gevallenen. De kerke Gods belijdt met psalm 89 : 8: Wij steken 't hoofd omhoog, en zullen d' eerkroon dragen, door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen."

Daar is dus een zekerheid in het geloof der kinderen Gods, zij weten iets. Zij weten b.v. dat niets hen zal kunnen scheiden van de liefde Gods, die daar is in Christus Jezus. Uit dit weten wordt de hoop geboren. Daarvan schrijft 1 Joh. 3:3: Een iegelijk, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelf, gelijk Hij rein is." De hoop is geen zwakke vorm van geloven en weten, maar juist een bron van vertrouwen en kracht. De hoop bestaat in de vurige verwachting in niets beschaamd te zullen worden. Paulus schrijft ervan in Fil. 1:20. „Volgens mijn ernstige verwachting en hoop dat ik in geen zaak zal beschaamd worden; maar dat in alle vrijmoedigheid, gelijk te allen tijd, alzo ook nu, Christus zal groot gemaakt worden in mijn lichaam, hetzij door het leven, hetzij door de dood." De hoop op de openbaring der heerlijkheid en de zekerheid, dat God zorgt voor ons blijven bij Christus, is een motief tot heiliging of Godsvrucht. Dat is immers ook de opdracht. De leer der volharding of de belijdenis der predestinatie of welke leer ook die sterke nadruk legt op het feit, dat de zaligheid een eenzijdig werk van God is, bedoelen toch niet des mensen inspanning uit te schakelen. Aan de ene kant is het geloof in Christus zulk een macht, dat het onmogelijk is, dat iemand, die Christus door een waar geloof is ingeplant geen vruchten zou voortbrengen, vruchten der dankbaar­heid. Het is eenvoudig onmogelijk, mede omdat de Geest van Christus in hen woont, die de gelovige van harte willig en bereid maakt om voor Christus te leven, gelijk Zondag 1 leert. En dan zijn er de vermaningen. In Ef eze 4 : 1 lezen we: Zo bid ik u dan, ik, de gevangene in de Heere, dat gij wandelt waardiglijk der roeping, met welke gij geroepen zijt." Wat behelst die roeping? Kinderen Gods te zijn, dus moeten ze tot eer van hun Vader leven. De buitenwereld moet hun waardig leven ook zien. Een christen moet zich niet verschuilen. Hij moet zich aan de wereld en in de kerk vertonen, om God te verheerlijken, zijn naaste nuttig te zijn, en de kerk luister aan te brengen.

Het is niet goed als een gelovige weinig bij de mensen is, daardoor weinig een getuige van Christus is. Dat zou betekenen, dat zij alleen maar willen leven voor zichzelf en met de eer van God, de luister der kerk en de zaligheid der zielen onvoldoende rekening houden. Een academisch gevormde gelovige of een op andere wijze gevormde gelovige moet een strijd voeren vóór het Evangelie. De apostel schrijft in Fil. 1 : 27: Alleenlijk wandelt waardiglijk het Evangelie van Christus, opdat hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig ben, ik van uw zaken moge horen, dat gij staat in één geest, met één gemoed, gezamenlijk strijdende door het geloof des Evangelies." Ook dat is Godsvrucht. Het evangelie van Christus is het waard, dat het hele hart en al de begeerten er op gericht zijn om het geloof in het Evangelie te bevorderen. Dat moet dan nog gebeuren in teamverband ook: gezamenlijk strijdende voor het geloof des Evangelies". Ik zou bij de vertaling de voorkeur geven aan „voor" in plaats van „door" het geloof. Het kan allebei overigens. Zoals men ook bij de uitdrukking: het geloof des Evangelies aan twee dingen tegelijk denken kan en moet n.l. aan: strijden voor het geloof in het Evangelie", dus zo dat ook anderen in het Evangelie geloven en „strijden voor de geloofsinhoud, die in het Evangelie is overgeleverd". Het zit er allebei in en aan beide moet gedacht worden.

Welk soort van strijd is dit? Is het een strijd, waarbij de tegenstander verslagen moet worden? Neen, het is een strijd, waarbij de gelovige moeite lijdt en tegenstand verdraagt en er alles voor over heeft om de naaste te winnen. Deze strijd is niet een streven, om een tegenstander te vernietigen, maar om bij het ondergaan van moeite te volharden, en door meer inspanning en taaier uithoudingsvermogen de meerdere te worden. Die Godsvrucht heeft dus een bijzondere kant: ij houdt in alle opzichten rekening met wat Gode aangenaam en de naaste nuttig is. De strijder moet hier natuurlijk voor trainen, een opleiding krijgen en houden. Om een ander te winnen en daartoe Godvruchtig te leven, zegt één der ouden, zij het volgende aanbevolen. Eerst bedenke men, dat er geschreven staat: Gij zijt het licht der wereld .. . Laat Uw licht alzo schijnen voor de mensen, dat zij uw goede werken mogen zien, en uw Vader, die in de hemel is, verheerlijken." Mt. 5 : 14, 16. Vervolgens: Dat men hebbe en behoude een reine en onbesmette ziel, die volkomen is tot God, die in de gemeenschap met God leeft, zodat men tegelijk met mensen kan spreken en tot God bidden, gelijk Nehemia deed: hs 2 : 4, 5. Met zulk een voornemen moet men onder de mensen gaan, en om die staat te behouden, ernstig bidden telkens als men uit zal gaan. Die in zijn huis, in de eenzaamheid bij zichzelf niet werkzaam is, om in een gedurige toekeer tot God met een volkomen hart te wandelen, de Heere niet kent in al Zijn wegen, en door gelovige vereniging met de Heere Jezus, het hart al strijdende niet reinigt van de aardsgezindheid, ijdelheid, kleven aan een zondige begeerlijkheid, en doorlopende waardeloze verbeeldingen of door gedurige oefeningen niet zoekt een geestelijke gestalte te hebben, die zal niet zeer bekwaam zijn om te strijden voor het geloof en door goede samensprekingen zichzelf en anderen geestelijk te bouwen. Men zal misschien nog wel geestelijke zaken bespreken, doch dan vaak maar praten om te praten, zonder warmte van binnen en zonder anderen te verwarmen. Gemakkelijk zal men zich inwikkelen in aardse gesprekken, waardoor men toch ook weer met een ontevreden gemoed naar huis gaat en een beschuldigend geweten overhoudt. Daarom moet men bijzonder staan naar een volkomenheid des harten, 't zij men een kind in Christus is, 't zij verder gekomen, ieder naar de mate der genade, die hij ontvangen heeft. Men moet niet zwijgen van Christus of van geestelijke zaken, omdat men maar een kind in de genade is en geen grote bekwaamheden heeft.”

Ons handelen, ons Godvruchtig leven, is echter altijd het antwoord op de daden Gods. Dat is ook weer duidelijk in Colossenzen 1, waar gesproken wordt van bekwaam gemaakt zijn om deel te hebben aan de erve der heiligen in het licht. Daarvoor dankt de Kerk God de Vader, die zijn volk in Kolosse getrokken heeft uit de macht der duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde. Wanneer er aan ons zulke machtige zaken geschied zijn, kunnen we niet anders dan begeren de wil Gods te kennen. De remonstranten zijn erg bang — zeggen ze — voor lijdelijkheid en een slordig leven. Daar mag men bang voor zijn ook. Maar komen zij niet alles te kort in kennis van htm verlorenheid en van de noodzakelijkheid, dat God onze hele zaligheid in zijn hand neemt? De zekerheid, dat Hij zulks doet, neemt veel wanhoop weg, geeft troost en hoop ook als het soms lijkt alsof de grote daden Gods er alleen vroeger waren. Wij zijn ook maar in hope zalig. Het volk Gods ligt nog onder het kruis der zonde me­nigmaal uitroept: Wij ellendige mensen." Doch dan verheft zich de hoop en zegt: Ik lig verankerd in de komende grote daad Gods n.l. de wederkomst des Heren. Zullen we nu alleen maar hopen en dapper standhouden in de verdrukking en in de noodtijd, die aan de wederkomst voorafgaat." Neen, we zullen meer doen: e strijden om godvruchtig te leven, ook vanwege deze hoop. De apostel bidt in Col. 1 : 9, dat de gelovigen Gods wil mogen kennen, die hun een maatstaf zij voor hun praktijk der godzaligheid. Die wil moge hen volkomen duidelijk voor de geest staan — iets dat wij vandaag ook wel hard nodig hebben — zodat zij niet op een dwaalspoor zouden worden gebracht en niet behoefden te twijfelen over wat hun te doen stond. Waarvoor die duidelijke kennis van de wil Gods in alle wijsheid, dus zo, dat zij precies het goede deden? „Opdat gij moogt wandelen waardiglijk de Heere, tot alle behagelijkheid, in alle goede werken vrucht dragende, en wassende in de kennis van God." Eens een andere vraag. De uitdrukking „waardiglijk" hebben we nu enkele keren gehad, we weten dat de hoorders van Johannes de Doper vruchten moesten voortbrengen „der bekering waardig", wat betekent dit? Wil de Schrift, dat de gelovigen een waardige tegenprestatie leveren? Neen, dat zou niet kunnen. Maar de H. Geest wil wel, dat de gelovigen iets doen, dat bij het Evangelie past of bij hun roeping behoort. In Col. 1 : 10 kan men denken aan een levenswandel, die de Heere Christus waardig is d.w.z. in overeenstemming is met hetgeen Hij voor de gemeente betekent en zij in Hem heeft ontvangen. Daarom moet zij in alles Hem welbehaaglijk zijn. De gelovige heeft een taak naar twee zijden. Hij moet zondaren winnen voor Christus: zijn levenswandel moet voor de mensen aannemelijk en winnend zijn. Col. 4 : 5 zegt er van: Wandelt met wijsheid, bij degenen, die buiten zijn, de bekwame tijd uitkopende." Dit laatste wil zeggen, dat zij de gelegenheid te baat moeten nemen, zolang het nog het heden der genade is. Dat heden gaat immers voor de hele wereld eenmaal en voordien voor elk persoonlijk (snel) voorbij en is soms plotseling verleden. Maar het leven van een christen bestaat niet in medemenselijkheid alleen. Gelovigen zijn nog meer aan God en Christus, aan de eer Gods en aan het welbehagen van de Vader en de Zoon georiënteerd. Waarom moeten kinderen hun ouders eren? Dat is de Heere welbehagelijk. Col. 3 : 20. Wij moeten wandelen als kinderen des lichts en daartoe beproeven, wat de Heere welbehaaglijk is. Ef. 5 : 10. Wandelen in overeenstemming met hetgeen de Heere Jezus voor de gemeente betekent, wil zeggen, dat de aandacht der gelovigen boven alles gericht moet zijn niet op hetgeen de mensen, maar op hetgeen de Heere Christus van hen verlangt.

Er is alzo een zekerheid van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Er is ook een zekerheid van de genade Gods, die doet volharden in het geloof en in de hoop. Maar dit alles houdt niet in, dat het leven van een christen losbandig, maar dat het aan God en zijn Christus gebonden wordt. Daar is immers de heerlijkheid, waartoe zij geroepen zijn, daar is de vastheid der beloften, daar is de trouw Gods, daar is de macht der duisternis, die verbrijzeld staat te worden en daarom kan de christen niet aan deze tegenwoordige wereld blijven hangen, maar wil zich heiligen met het oog op de dag des Heeren, als Hij wederkomt. Aan deze zaken moet hij echter ook telkens weer herinnerd worden. De waarheid moet hem ook bij herhaling voor ogen gesteld worden, dat die heerlijkheid verkregen wordt in een weg van strijd, gebed, belijdenis van zonden, schuilen bij God. Hoemeer dus de gelovige ziet op de eeuwige heerlijkheid en ook ziet dat zalig worden alleen bij God mogelijk is en ook mag weten, dat de Heere met hem is begonnen, des te Godvruchtiger wordt zijn wandel. Zo wordt de belijdenis der volharding een ware wortel van Godsvrucht bestaande in nederigheid en vele andere christelijke deugden.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1968

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De Dordtse Leerregels

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 mei 1968

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's