Van strijd en overwinning
Openingswoord voor de Jaarvergadering van de Ger. Bond, gehouden op woensdag 8 mei 1968 te Utrecht. De geschreven tekst is een uitbreiding van het gesproken woord.
Hartelijk welkom op deze jaarvergadering. Het doet ons bestuur goed u allen, samengekomen uit alle provincies van ons land, te mogen begroeten.
Het Schriftgedeelte, dat wij lazen, vertelt ons een episode van Israëls geschiedenis uit de tijd van koning Josafat. In die tijd komt er een coalitie van Moabieten, Ammonieten en Edomieten tegen Juda en Josafat tot stand. (2 Kron. 20 : 1-26)
Alvorens de koning op de hoogte kon zijn en het bevel tot mobilisatie had kunnen geven, stonden de vijanden reeds binnen de grenzen van Juda. Een grote menigte!
God en de satan.
In deze coalitie onderkennen wij het werk van de vorst der duisternis. Het is de eeuwen door niet anders geweest. Hoe wij ook over het Israël van nu als natie bijbels-theologisch oordelen, de situatie van Israël vann vandaag lijkt als twee druppels water op die van toen. Israël, omgeven door vijanden, die, hoe onderling ook verdeeld, één zijn in het verzet tegen het volk, waarop de belofte Gods rust.
Maar dan is het ook niet te verwonderen, dat de gemeente van de Heere Jezus Christus in hetzelfde lot deelt. Zij is een stichting van God, bestreden van binnen en van buiten.
De gemeente Gods — hoe groot of klein die ook moge zijn — is het centrum van de werkzaamheid van God en de duivel. De ondermijning, de vernietiging van deze gemeente is het oogmerk van de satan.
Dat geeft strijd, te beginnen in eigen leven. Is er niet een strijd om in te gaan door de enge poort en te wandelen op de smalle weg? Is er niet een strijd die voorafgaat en gepaard gaat aan het wonder, wanneer God ons trekt uit de duisternis en overzet in Zijn wonder baar licht? De vijanden mogen verslagen schijnen — en dat zijn ze in Christus zeker en in de geloofsoefening zeker — maar zij gaan tegelijk ons levenlang met ons mee.
Zijn er ook in het persoonlijk geestelijk leven geen crises, waarin de satan alle krachten inspant om verloren gegaan terrein te herwinnen? Daarin bedoelt hij in eerste aanleg niet de Christen, maar de Christus te treffen. Hoeveel eigen kracht, eigen voornemen, eigen wijsheid moet bij ons niet afgestroopt worden?
Waarlijk, de strijd tegen eigen verdorven bestaan kan voor ons besef al zwaar genoeg zijn. Maar de fronten liggen veel breder. Dwars door eigen hart dwars door eigen familie, bloedverwantschap, (Josafat vond onder de vijanden verwante volkeren: Ammon en Moab) dwars door eigen gemeente, eigen kerk, eigen volk, eigen vereniging.
De demonen.
Paulus zegt: Wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, de machten, de geweldhebbers der wereld, van de duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht. In de door God gestelde antithese (tegenstelling) is werkzaam een hele scala van machten, die getraind vanuit een centrum één grote welberaamde, weldoordachte aanval ondernemen tegen de gemeente Gods op deze aarde.
Daarin is geen plaats vacant, terwijl wij zuchten onder plm. 60 vacaturen; daarin is geen desorganisatie, daarin is geen onderlinge strijd, maar één geconcentreerd ingespannen werken om de aanspraak van de duivel waar te doen zijn: de gehele wereld is van mij. Sommige van deze machten zijn met de bevrijding van ons vaderland teruggeworpen zodat er weer ruimte kwam en ruimte bleef voor de verkondiging van het evangelie.
Maar elke ruimte, elk verband, elke bond, elke vereniging, elke gemeente, elke kerk, die niet geheel en al werd en wordt doorstraald door de levende en opgestane Christus, bleef of werd weer het domein van de duivel. Dan zijn-wij te vergelijken met die mens, waarover Jezus spreekt in Matt. 12 : 43-46. Jezus zegt: r is een onreine geest uitgedreven. Deze geest zoekt rust, maar vindt ze niet en — nadat hij gezien heeft, dat de plaats in dit mensenhart vacant is gebleven — neemt hij zeven andere geesten, bozer dan hijzelf, met zich en nemen dan gezamenlijk intrek in dit mensenhart.
Ontmaskering.
Het gaat om de ontmaskering van de machten, die de zielen, de huwelijken, de gezinnen, de gemeenten, ons volk verwoesten.
Daar is de demon van de valse rust. Wanneer men niet ziet, dat de penetratie van de vorst der duisternis langs allerlei kanalen voort-
gaat, blijft men aan de traditionele fronten wat napraten. Daardoor ontstaat de slaperigheid in de gemeenten, terwijl meer dan ooit de waakzaamheid is geboden. De Rechter staat voor de deur!
Daar is de demon van de machtsconcentratie, die van wereldwijde omvang is. Op uiterst geraffineerde wijze wordt de losweking van God en Zijn Woord in staat en kerk voorbereid en doorgevoerd. In plaats van de dienst van God komt er de dienst aam het beest, dat veel te bieden heeft. Dit wordt genoemd: het drinken van de wijn van de hoererij. Dan bedrijft men geestelijk voorspel. Deze anti-goddelijke macht (Babel) krijgt steeds meer macht over de volken, ook over ons volk.
Daar is de demon van de dwaalleer, die de zielen in een strik gebonden houdt. Veel te weinig wordt beseft, dat Achab en de zijnen in een kritiek tijdsgewicht verleid werden door de valse profeten, nadat deze op hun beurt door een leugengeest — onder Gods rechtvaardige toelating — waren verleid.
Daar is de demon van de valse Messias. Dit is een verzoeking die niet alleen beperkt is tot de tijd rondom het leven en sterven van Christus. Het is de Christus van het: zie hier en zie daar is de Christus. (Zie Dr. W. Aalders, Theologie der verontrusting.) Het is niet de Christus — waarachtig God en waarachtig mens — die gekomen is om te zoeken en zalig te maken wat verloren is, maar de horizontale Christus, die gekomen is om het bestaan op deze aarde leefbaar te maken. De gerechtigheid kwam, komt en zal dan niet komen loodrecht bij God vandaan, maar komt horizontaal op deze aarde als een ontwikkelingsproces, dat uiteindelijk zonder bijzondere schokken uitmonden zal in het Koninkrijk Gods. Het is niet de Christus voor de armen en de gebrokenen van hart, maar voor 'de mondige mens.
Deze Messias maakt zichzelf overbodig (God-is-dood-theologie).
Het is de demon van de alverzoening: tenslotte komt al of niet via een door een bepaalde periode omgrensde hel alles weer terecht en wordt de wond in Gods schepping teniet gedaan (Berkhof). Dit is een alverzoening die de ernst van de prediking (eeuwig wel of eeuwig wee) afzwakt en soms teniet doet.
Het is de demon van de verwereldlijking (secularisatie), die na de oorlog door het apparaat van het apostolaat moest worden bezworen, maar intussen in veler apostolaatsopvattingen zich groot en breed maakt, zodat de nood van de verwereldlijking geworden is tot de deugd van een mondige mensheid. De secularisatie wordt dan positief gewaardeerd.
Het is de demon van de ontkerstening en de ontkerkelijking van de lierk, dat wil zeggen van de afbraak van de samenkomsten van de gemeenten. Ook deze afbraak moet dan weer positief worden gewaardeerd, omdat de kerk — volgens sommigen — nu eindelijk eens op moet houden naar binnen gericht te zijn en er eindelijk eens voor de wereld, voor de structurele hervormingen van de maatschappij, voor de sociale en politieke omwentelingen en revoluties moet zijn en anoniem in de massa als een soort maatschappelijk werkster haar weg door de z.g. huissamenkomsten moet gaan.
Het is de demon van de vervalsing van het evangelie en van de kerk. Die gaan samen op! Wanneer de kerk het reine evangelie, de reine bediening van het Woord en de sacramenten, en de heilzame tucht niet bewaart, is Christus er niet met Zijn stralende tegenwoordigheid!
Desniettemin zet deze Christus dwars door alles zijn martelgang door de eeuwen voort, dan hier dan daar zich openbarend aan de ellendigen, die Hem van de Vader gegeven zijn.
Daar is verder de demon van de versexualisering van het leven. Via de moderne communicatie-middelen wordt het leven van jongeren en ouderen vergiftigd door de prediking van een vrijheid, die niet anders is dan de autonomie (zelfbepaling) van het zondige hart.
Een reveil.
Wanneer wij in ons eigen hart zien, in onze gezinnen, in de gemeenten, in de kerk, moet de schrik ons om het hart slaan. Waar gaan wij heen?
Het is deze schrik, deze verontrusting, die de Ger. Bond tot aanzijn riep en zijn werk liet doen. Het is deze schrik en verontrusting, die ook andere bewegingen in het leven riep, laatstelijk nog de 24, die door de pure nood op één hoop geworpen werden. De Open Brief en de contrastellingen: „Omdat wij Jezus belijden" zijn daarvan indrukwekkende uitingen. Er is nog nooit een reveil gekomen, of het is — bij velen of weinigen — uit de nood van de gemeente, de kerk en het volk geboren.
En een reveil is nodig — allerwegen, ook onder ons. De nood der zielen, de nood der prediking, de nood van onze kerk is zo groot! Er zijn mensen in de kerk, die dit niet voelen, vergoelijken, meewarig of vijandig doen of staan tegenover hen, die daardoor ontzet, jaar en dag een appèl doen op de gemeenten, de kerk, de ambtelijke vergaderingen, de synode.
Komt, broeders, de nood is ons opgelegd! Ze raakt niet alleen de Hervormde Kerk, maar ook de Ger. Kerken, de Chr. Ger. Kerken, de Vrijgemaakten, de Vrij Evangelische Gemeenten enz. enz.
Het is niet alleen een Hervormde zaak, het is een nationale zaak, de religie staat op het spel! Onze kinderen staan op het spel, onze gemeenten staan op het spel! Wat zal er — zonder reveil — na b.v. 20 jaren van sommige van onze gemeenten — ook van onze hervormde gereformeerde gemeenten — over zijn?
Schaalverandering.
Hier helpen geen lapmiddelen van schaalverandering waarbij soms kleine gemeenten worden samengevoegd tot gemeenten van plm. 5.000 tot 10.000 zielen. Aan deze schaalverandering wordt achter de kerkelijke schermen hard gewerkt. Zo is er een discussienota verschenen in febr. 1967, die niet in druk is verschenen en die blijkbaar alleen voor de ingewijden bestemd is.
Het betreft de nota: Schaalverandering opgesteld door de Commissie voor Gemeentevormen en Gemeenteopbouw, waarvan Ds. R. Kaptein secretaris is. Deze nota wordt aangeboden opdat — gezien de structuurwijzigingen van de gemeenten — een bijdrage kan worden gegeven in eigen kring.
Na uitgebrachte op-en aanmerkingen wil deze commissie groeien (let op dit woord groeien) tot een informatie-en adviesinstantie voor allen, die met concrete schaalveranderingsproblematiek bezig zijn.
Schaalverandering betekent meestal, dat er een herindeling van de gemeenten tot stand komt. Dat wil zeggen de schaal (aantal gezinnen en de omtrek van de gemeentegrenzen) kan worden verkleind en vergroot.
Schaalverkleining kan dan betekenen, dat binnen één of meer gemeenten de z.g. categoriale gemeenten haar intrede doen. Deze categoriale gemeente kan ontstaan uit overwegingen van modaliteiten (lees richtingen) of van gelijkgerichtheid in arbeid (fabrieksarbeiders en pendelaars) of uit overwegingen van recreatie.
Maar het gaat ons vooral over schaalvergroting. Daarmee bedoelt men de invoering van de streekgemeenten. Helaas heeft de streekgemeente haar intocht reeds gehouden binnen de kerkorde, maar alleen in die gevallen, waar kleinere gemeenten niet meer in staat waren om een eigen dienaar te beroepen en weigerachtig bleven zich te schikken in een combinatie met andere gemeenten.
In die gevallen heeft een Prov. Kerkvergadering het „recht" gekregen om van bovenaf in te grijpen in de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeenten.
Tegen deze voorstellen is indertijd ook in ons blad, maar vooral door Prof. van Itterzon uitvoerig gewaarschuwd, omdat deze streekgemeente in strijd is met de presbyteriale structuur van onze kerkorde. Helaas, het heeft niet mogen baten.
Er blijkt echter achter deze z.g. noodmaatregel veel meer te zitten. Het argument van de „noodzaak" in die gevallen is een rookgordijn geweest om veel verderstrekkende plannen te verbergen. Want wat is nu het geval?
Naar een nieuwe indeling?
Er circuleert nu weer een rapport: „OVERWEGINGEN TEN OP ZICHTE VAN DE PASTORALE INDELING VAN HET PLATTE LAND”.
Het is een rapport opgesteld door de Raad van der Herderlijke Zorg en aanverwante commissies en komt uit de pen van Ds. R. Kaptein, de secretaris van deze Raad en zijn medewerkers.
Met dit rapport zijn reeds de classes Brielle en Gorlnchem bezocht. Andere classes zijn al of worden nog bewerkt (Rotterdam, Gouda, enz.).
Waarom vermeld ik dit rapport en deze bezoeken? Omdat de praeses en de scriba van de Prov. Kerkvergadering van Zuid-Holland met Ds. Kaptein de moderamina van deze classes afreizen om deze te winnen voor een herstructurering van de gemeenten. Het gehele eiland Goeree en Overflakkee zou in één of twee streekgemeenten kunnen worden ingedeeld. De classis Gorinchem in 12 a 13 streekgemeenten. Heel de gemeentenindeling gaat dan onderstboven. Bloeiende kleine gemeenten, die een eigen predikant kunnen onderhouden, worden dan in grotere streekgemeenten ingedeeld. De 3 a 5 predikanten van zulk een streekgemeente worden dan gespecialiseerd en krijgen een herscholing. Wika's, jeugdleiders, hulppredikers, catecheten, administratief en leidinggevend personeel moeten het verdere werk opvangen. Lekendiensten met „vrijwilligers" in teamverband doen hun intrede. Verschillende typen kerkdiensten moeten worden gehouden.
Ge grijpt naar uw hoofd en zegt: Maar dat is toch niet waar? Dat is wel waar. Maar het gebeurt geruisloos. Stencils worden pas aan sommige moderamina van de Classicale Vergaderingen gezonden, wanneer de bovengenoemde bezoeken in aantocht zijn. Er komt niets van in de publiciteit. Het is alleen „maar" een voorbereiding op een nieuwe situatie.
Wie is de afzender van deze geheimzinnige stukken? Camegielaan 9, Den Haag, Raad voor de Herderlijke Zorg.
Ge grijpt weer naar uw hoofd en vraagt: Maar hoe kan dit? Nooit is dit rapport de synode en de andere kerkelijke vergaderingen gepasseerd, wat in een presbyteriale kerkorde toch behoorlijk is.
Het enige antwoord is: Er is een Raad, die dit blijkbaar nuttig vindt en hij reist — zonder gemachtigd te zijn door de kerkelijke vergaderingen — reeds de moderamina van de classicale vergaderingen af.
Het is onbegrijpelijk, dat de praeses en de scriba van de Prov. Kerkvergadering van Zuid-Holland zich er toe lenen de moderamina van classicale vergaderingen tot een samenspreking uit te nodigen en daardoor Ds. R. Kaptein met zijn plannen te introduceren. . Zijn de leden van de Prov. Kerkvergadering van Zuid-Holland hiervan op de hoogte? Is het niet de hoogste tijd, dat deze zaak op deze vergadering aan de orde wordt gesteld?
Een hoogst ernstige zaak.
In dit rapport schuilt een levensgroot gevaar, omdat het de doorbraak van de presbyteriale structuur van de kerkorde voorbereidt en de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeenten wil opofferen aan een gedaante van de gemeente naar wereldse structuren.
De presbyteriale structuur van onze kerkorde is een dermate belangrijke levensader van de kerk, dat zwijgen over deze zaak medeplichtigheid inhoudt.
Hier wreekt zich de positie van de raden en het aanstellen van vrijgestelden. Inplaats dat zij het geestelijk leven der gemeenten stimuleren en de presbyteriale structuur van de kerkorde ontzien en bevorderen, zijn enkelen (gelukkig niet allen!) van hen bezig hun „baan" op zulk een wijze waar te maken, dat zij door de porceleinkast van de presbyteriale kerkorde wandelen en zo of de kerkelijke anarchie of — wat meer voor de hand ligt — de bisschop en zijn staf voorbereiden.
Ds. Exalto, die beloofde zijn voortreffelijk gedocumenteerde lezing: „Moet de kerk veranderd worden? ", gepubliceerd in de Waarheidsvriend van 15 febr. 1968, in brochurevorm uit te geven, heeft aangetoond, dat door deze vernieuwers de gedaante van dé gemeente niet afgelezen wordt uit het Nieuwe Testament, maar uit de zich snel wijzigende structuren van de samenleving. Het hoofdbezwaar is echter, dat zo de eigen aard en het eigen geheim van de gemeente niet wordt ontzien, maar geschonden. Niemand beweert, dat een presbyteriale kerkorde tot in de onderdelen uit het Nieuwe Testament kan worden afgelezen. Wel kan ieder lezen, dat de apostelen van stad tot stad ouderlingen en diakenen aan lieten stellen. Daarmee is de gemeente in een bepaalde plaats gegeven.
Wie aan deze gestalte van de kerk raakt, raakt aan het Nieuwe Testament, raakt aan de apostolische volmacht van de apostelen, ja, aan Hem, die deze volmacht gaf: Christus.
Deze „vernieuwers" van de kerk putten uit de bron van het revolutionair humanisme en spelen leentjebuur bij de sociologen.
Maar het zal blijken, dat, waar de vernieuwing in en met de tweede wereldoorlog ons verder in het moeras bracht, deze „vernieuwing" tot de verdere ontbinding van het kerkelijk leven zal bijdragen. Waarom? Omdat zij strijdt het Gods Woord en de Heilige Geest er niet in is.
Het zal blijken, dat gemeenten, waarin èn prediking èn catechese èn pastoraat nog functioneren tot de grond toe worden afgebroken. Daartegen kan niet genoeg gewaarschuwd worden.
Tegenbeweging.
Dit is een zo ernstige zaak, dat, wanneer deze ondermijning van de presbyteriale structuur van onze kerkorde doorgaat, er een zo grote onrust wordt gewekt, dat er noodzakelijkerwijs een tegenbeweging (die er al is, denk o.a. aan de 24, en zij is nog veel breder dan de 24) in de kerk ontstaat.
Het initiatief daartoe is niet uitgegaan van de Ger. Bond, maar spontaan geboren uit de kerkelijke nood. Graag val ik prof. van Niftrik bij, wanneer hij veronderstelt, dat wij een moeilijk kerkelijk jaar zijn binnen gegaan.
In deze tegenbeweging, in deze bredere formatie zal de Ger. Bond — met handhaving van grondslag en doel — zijn aandeel leveren en dat niet alleen om gezamenlijk te strijden voor het geloof, dat de vaderen is overgeleverd. Dat geloof, — en dat hebben wij altijd geweten — is nooit binnen de grenzen van een organisatie te vatten. Maar vooral zal deze strijd worden voortgezet, omdat er in deze worsteling soms een wederzijdse herkenning is in het zingen van het lied van de vrije genade en bijgevolg in een zich totaal inzetten om de inhoud van het reformatorisch geloof met de daarmee gepaard gaande reformatorische kerkstructuren te verbreiden, te verdedigen en te bewaren.
Het is onduldbaar, dat raden, commissies vrijgestelden, die door de gemeenten moeten worden onderhouden — en de lasten zijn zwaar! — htm tijd gebruiken om de gemeenten onder onze voeten op te rollen.
Dan liever een verband van verontruste gemeenten, met een eigen voorlichtings-, werk-en informatiecentrum, dat op allerlei terreinen de kerkeraden gaat voorlichten.
Daarom is het nodig vandaag de alarmklok in werking te stellen alvorens de doodsklok over de hervormde kerk wordt geluid! Er kan moeilijk van de gemeenten gevraagd worden, dat zij haar eigen ondermijners blijft betalen. Er hangen buien aan de lucht, waarbij vergeleken de zaak van de vrouw in het ambt — hoe ernstig deze maatregel het apostolisch getuigenis ook schendt — een storm in een glas water was en is.
Laten de synode, de provinciale kerkvergaderingen, de raden, de commissies ons niet in die hoek jagen. Wij willen dit niet. Wij willen trouw en rustig ons werk doen en in vertrouwen met elkaar omgaan. Maar één ding is ons heiliger dan in rust ons werk te doen en in vertrouwen bij elkaar te wonen, dat is de trouw aan onze ambtseed, de trouw aan Gods Woord en aan de gemeenten, waarin wij leven. Wij hebben die gemeenten lief en wortelen daarin.
Wanneer de landelijke kerk en haar bestuursapparaat ons alleen maar aanhoort en inplaats van zegenend voor en in deze gemeenten werkzaam te zijn, deze gemeenten gaat verwoesten, dan moet zij zich niet verbazen, dat deze gemeenten op één hoop worden gedreven en zich met alle middelen gaan verweren.
Is er niet een weldoordacht plan om onze kerk te herstructureren en ons via de Raad van Kerken rijp te maken voor de ene Evangelische Kerk van Nederland? Volgens sommigen zou dit de oplossing zijn voor het modaliteitenvraagstuk. Dat zou dan in één klap zijn opgelost.
Laten wij echter bedenken, dat, wanneer een reveil uitblijft, het niet te verwachten is, dat drie zinkende schepen (Ned. Herv. Kerk, Geref. Kerken en de R. K. Kerk), aan elkaar geënterd, boven water blijven.
Ook wat in Uppsala gaat gebeuren kan van verstrekkende betekenis zijn voor onze kerk.
Negatief?
Ge vindt dit alles vrij negatief? Wij moeten de uitdaging van deze tijd aanvaarden? Deze tijd stelt ons voor ongehoorde en — voor ons voorgeslacht — onbekende vragen? De kerk moet op alles een antwoord hebben? Wie zich zo opstelt, is al verloren, waar hij ook staat in de kerk. Want niet de tijd in de eerste plaats stelt vragen aan Christus en de gemeente, maar Christus en de gemeente stellen vragen aan de tijd, aan de mensen van elke tijd.
Kort en krachtig samengevat gaat het om het Evangelie voor ons en onze kinderen. Allerlei wereldse concentraties zijn er op uit deze schat van het Evangelie te bedreigen.
Dit alles moesten wij eerst zeggen tot de kerk, tot elkander, tot onszelf.
Bidden en vasten.
Wat is de weg? Aankloppen bij de betreffende instanties? Ook dat! Josafat ging een betere weg. Hij schreef een bidstond uit met vasten.
Dit geslacht — zegt Jezus — vaart niet uit dan door bidden en vasten. Josafat vergaderde het volk. Zij kwamen van alle kanten. Hij belijdt God als de God van hemel en aarde, als de Heerser van de koninkrijken der aarde. God is onaantastbaar. Niemand kan zich tegen Hem stellen.
Hij pleit op het verbond, op de daden Gods (verdrijving van de volken), op de belofte dat het volk op allerlei tijden voor Gods aangezicht mocht komen; hij wijst op de tegenwoordige nood van de coalitie en roept uit: O, onze God! zult Gij geen recht tegen hen oefenen?
Josafat beroept zich op het recht. Is dit niet te hoog gegrepen? Kan een mens eigen zaak met Gods zaak vereenzelvigen? Is dit geen geestelijke hoogmoed, die zichzelf verabsoluteert? Dat zou het zijn, Wanneer Josafat niet in de diepste nood voor Gods aangezicht stond en wanneer hij met eigen kracht of werk voor God verscheen. Maar dat is niet het geval. Hij staat er arm en gebroken. Hij is door alle bodems heengezakt en staat op de vloer van Gods onfeilbare en onwankelbare beloften. Dit recht doen hangt samen met de door God verleende rechten, dat Israël in dit land, onder de hoge schutse van deze God zal wonen en leven.
Hebben wij dit genaderecht op het oog, wanneer wij ook vandaag de strijd strijden voor de gemeente als een woonstede Gods in de Geest? Wat hebben wij te tonen? Niet anders dan onze zonden, niet anders dan ons gebrek aan geloof. Waarlijk wij hebben over God niet te klagen, wanneer hij vele demonen en vijanden over ons loslaat. Ook niet wanneer wij onder de verdikking en de verdichting van de oordelen Gods steeds verder worden benauwd. Wij hebben ook als Geref. Bond alleen maar te klagen over onszelf, maar dan voor God.
Josafat had van een profeet al eerder een bestraffing ontvangen over de onheilvolle verbintenis met het huis van Achab. Met alle beschuldigingen van binnen en van buiten staat hij nochtans op de rotsgrond van Gods beloften, aan Zijn volk geschonken.
Dit is de plaats van de Kerk: Coram Deo: in de tegenwoordigheid van God. Met Gods eigen Woord, belofte.
Geen kracht en geen wijsheid.
In ons is geen kracht tegen deze grote menigte! Is dat een woord voor een koning, een generaal, die voor zijn volk, voor zijn troepen staat? Moest hij niet een vonkende toespraak houden om er de moed bij de mensen in te houden? Is dit de man, die forse bevelen gaf tot verwijdering van de afgoden en de wederinvoering van de dienst des Heeren? Ja, dezelfde! Ben held onder zijn onderdanen — een hulpeloos kind voor God!
In ons is geen kracht tegen deze menigte, ook vandaag! Ongewone krachten zijn niet groter dan die van anderen, soms kleiner.
De belijdenis van onze onmacht past ons allen, maar dan voor Gods aangezicht. Deze belijdenis, persoonlijk, als gemeenten, als kerk misstaat niemand. Zij wordt geleerd op de school van de Heilige Geest. Zij betekent de kruisiging van onze werkheilige natuur.
Het grootste geheim is en blijft: de Heere te laten werken, ons te laten zaligen, en de schuld, de nood, de verbrokkeling van de kerk voor God neer te leggen.
Op de belijdenis van de onmacht volgt: wij weten niet, wat wij doen zullen. Geen wijsheid!
Dat wil zeggen: Wij weten de weg niet. Een koning wordt geacht de weg te weten. Daar is hij koning voor. Maar deze koning belijdt voor God en zijn onderdanen: Wij weten niet, wat wij doen moeten. Klinkt dat niet wat onnozel, ook in onze tijd? Wij, die overladen worden met rapporten en speculaties over het jaar 2000, wij die vijfjarenplannen maken op grond van allerlei prognoses?
Is Gods Woord dan onduidelijk in de weg der zaligheid? In de verzameling en uitroeping van de gemeente? Neen! Gods Woord is duidelijk in alles wat met Gods eer en onze zaligheid samenhangt. Maar een andere vraag is of in de concrete situatie — zoals hier — deze wil altijd even duidelijk is. Dat is niet het geval. Want de marsorders voor de gemeente, de aanvalsplannen op de vijand, het aangrijpingspunt in de strijd heeft altijd een aanwijzing des Heeren nodig. Daaraan hebben ook wij behoefte in deze tijd! Wij hebben profeten nodig, die in de teerste gemeenschap met Christus, ons de weg wijzen met en voor een biddende en vastende gemeente.
Wij hebben mensen nodig, die ons tot ogen zijn temidden van de gruwel der verwoesting, waarin wij leven.
Ogen op de Heere.
Er volgt gelukkig nog een „maar". Maar onze ogen zijn op U! Daarmee worden wij afgebracht van onszelf en op de Heere gericht! Dat is een wonder. Anders verwachten wij het altijd van onszelf. Waarlijk tevergeefs verwachten wij het van de heuvelen en de bergen!
God komt aan Zijn eer, wanneer wij alles verliezen en Hem overhouden.
Ogen op de Heere. Dat is geloven en vertrouwen door de inwendige Leermeester, de Heilige Geest, dat Hij het doen zal. Ogen vol verwachting. Lettend op de Heere en Zijn belofte: Mijn oog zal op u zijn. Ik zal raad geven!
Deze verwachting is vol van vrucht. Immers Josafat zag later hoe de vijanden elkander vernietigden. Hij behoefde er geen hand naar uit te steken. God streed voor hem en hij kon stil zijn.
De Heere kan op verschillende manieren helpen. Eer zij roepen... Terwijl zij roepen... Nadat zij roepen... Die geloven, haasten niet. Want de oplossing van alle raadselen èn persoonlijk èn gemeentelijk ligt in Christus, de Middelaar. Hij is de oplossing van het raadsel van de zonde, van het raadsel en de ingewikkeldheid van het kerkelijk vraagstuk, van de geschiedenis, van de volkeren.
Dat ondervond Josafat. Dat zal ieder ondervinden, die het van de Heere alleen verwacht.
Wat ging Josafat daarna doen? Gewoon doorgaan met zijn taak van de regering en de reformatie van het volk. En dat in de toon van de dankzegging.
Wat is onze roeping wanneer wij door de snijpunten van het leven, door de crises heengejaagd worden en God onze gebeden uit de benauwdheid tot Hem opgezonden, hoort?
Wat is onze roeping als ambtsdragers, wanneer de kerk door de diepste crises heen gaat en het God behaagt ruimte voor de prediking te maken en te laten?
Trouw doorgaan met de prediking, de catechese, het pastoraat en het huisbezoek. Laten de afdelingen trouw zijn in het biddend onderzoek van de Schrift en van de confessie en alle dingen voor Gods aangezicht neerleggen.
Want God maakt ruimte, 'k Moet zo vaak denken aan Openb. 12, waar de geschiedenis staat van de vrouw en de draak. Deze vrouw moet een kind ter wereld brengen, maar er is nergens plaats voor haar, omdat zij achtervolgd wordt door de draak. Maar het kind werd toch geboren en voor de vrouw (beeld van de kerk) kwam ruimte in de woestijn. Zij leefde van het wonder. Van deze ruimtemakende-God alleen kunnen wij leven. Dan leven wij temidden van alle benauwdheid van het wonder.
Laten wij ijverig voortgaan met dit ons opgedragen werk.
Wij dienen veel en veel meer te bidden. Te bidden voor de studenten en de hoogleraren, voor de roeping van dienaren des Woords, enz Laat er zoveel gebeden onder ons gevonden worden, dat de grenzen van onze organisatie worden opgelicht en het Woord Gods de heerschappij verkrijgt over de gehele kerk en zij het hoofd buige onder onze enige Leraar: de Heere Jezus Christus.
En Gods goedertierenheid zij over ons, gelijk wij op Hem hopen.
Katwijk aan Zee G. Boer
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1968
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1968
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's