NOTA OVER SCHAALVERGROTING EN PLATTELAND 1)
INLEIDING.
Gaarne publiceren wij de nota van ds. Exalto in ons blad. Zoals bekend heeft mijn openingswoord op de Jaarvergadering van de Geref. Bond nogal wat reacties opgeroepen.
Op deze reacties ga ik in een apart stuk „Verantwoording" nader in. Deze verantwoording verschijnt tezamen met de nota van ds. Exalto èn het openingswoord in een brochure die deze week uitkomt bij drukkerij Embedé, Maassluis.
Men leze èn het openingswoord èn de verantwoording in het licht van deze nota van ds. Exalto.
Deze studie geeft de inhoud van de door mij bestreden rapporten nauwkeurig door. De stukken liegen er niet om. Terwille van de zaak, verzoek ik de kerkeraden, de classicale vergaderingen, de afdelingen enz., dit onderwerp te bespreken en deze brochure te verbreiden.
Het is een zaak van het hoogste gewicht, dat wij in het Evangelie strijden voor een kerkvorm, waarin de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente wordt ontzien en geëerbiedigd.
Wie in deze strijd verstek laat gaan, beklage zich achteraf niet over de rampzalige gevolgen, die deze rapporten, wanneer zij door de kerk zouden aanvaard worden, hebben.
Wij vragen voor deze hoogst belangrijke zaken de voorbede van u allen.
- a. Z.
- B.
Op verzoek van de redactie van De Waarheidsvriend volgen hier enkele opmerkingen over het bovenstaande onderwerp: Schaalvergroting en Platteland, geschreven naar aanleiding van twee Rapporten die sinds enige tijd in de Hervormde kerk in omloop zijn, het ene onder de naam Schaalverandering (een stuk van de Commissie voor Gemeentevormen en Gemeenteopbouw; het Rapport is gedateerd 31 dec. 1967), het andere onder de naam Overwegingen ten aanzien van de pastorale indeling van het Platteland (dit Rapport is gedateerd 17 nov. 1964 én 13 juli 1967). Het laatstgenoemde Rapport heeft geen afzender, maar er staat onder: S.G., waarmee naar ik meen bedoeld is het Secretariaat Generaal van de Hervormde kerk.
Reeds-sinds enkele jaren is er in de Hervormde kerk maar ook in andere kerken een sterke aandrang tot schaalvergroting, waarbij dan in het bijzonder gedacht is aan het Platteland.
Voorzover ik het zien kan zijn daarin minstens vier motieven aan te wijzen; vier verschillende bronnen van waaruit dit streven gevoed wordt. We zullen ze hier op een rijtje zetten, maar merken daarbij op dat zelden een van de motieven geïsoleerd voorkomt, meestal dus in mengvorm.
- het anti-institutionele motief. Er zijn er die elke kerkelijke structuur van welke aard zij ook is afwijzen. De kerk, zo zegt men dan, moet op een andere wijze herkenbaar worden in de wereld dan door het instituut; het instituut mag gerust verdwijnen. Haar nieuwe herkenbaarheid zal bestaan in een radicale solidariteit met de wereld. In deze opvatting spelen de ideeën van de Duitse theologe Dorothea Sölle, die over de kerk buiten de kerk heeft gesproken, een grote rol. Maar ook is er de invloed van het moderne existentialisme met zijn afwijzing van al wat objectief en institutioneel is. Het schijnt de nieuwste en hoogste wijsheid, dat de kerk al haar muren moet laten slopen, zich in de structuren van de wereld (die men intussen ook al ontbindt) moet oplossen. Het is de meest vergaande schaalvergroting die maar mogelijk is. Hoe ver sommigen (in dit geval rooms-katholieken) gaan willen kan men lezen bij Frederick Franck, Open Boek, blz. 122w.
- het apostolaire motief. De kerk is er voor de wereld, zegt men, en men meent dat dat heel haar zijn in de wereld en haar structuur moet bepalen. Zij is immers een functie van het apostolaat. In de parochiale structuur van de gemeente ziet men geen heil meer, die is verouderd, niet flexibel genoeg, niet missionair. Daarom pleit men voor schaalvergroting enerzijds en het vormen van categoriale gemeenten anderzijds. Deze opvatting vindt men in een tweetal Rapporten van de Wereldraad van kerken (Die Kirche für Andere) en ook bij Nederlandse apostolaire theologen van Kerk en Wereld.
- het pragmatisch motief. De kerk, zo zegt men, moet de veranderde situatie van de gemeente in de moderne wereld adequaat het hoofd bieden. Haar werkwijze in de wereld moet efficiënt worden. Soms waagt men zelfs de vergelijking met een modem grootbedrijf. Zoiets als een kerkorde vindt men louter een zaak van de praktijk; theologie komt er nauwelijks bij te pas, eerder de sociologie. Aangaande de kerkordelijke beginselen in het N.T. meent men te kunnen volstaan met de opmerking dat er dienaangaande in het N.T. geen eenheid is. Voor de invoering van een bisschoppelijke tendens in de presbyteriale structuur der van oorsprong gereformeerde kerken deinst men niet terug, want de praktijk zou dit vereisen. Ook op deze grond bepleit men schaalvergroting.
- het pastorale motief. De predikanten op het platteland, zo zegt men, zijn overbelast. Een oplossing ziet men in het opheffen van de strikt parochiaal begrensde gemeenten (dorpsgemeenten) en het vormen van veel grotere eenheden, zoiets als streekgemeenten. Daardoor zou het pastoraat beter tot haar recht kunnen komen.
Aangezien vooral dit motief (vermengd met andere) in de Rapporten waar het ons om gaat, sterk naar voren treedt, vraagt het onze bijzondere aandacht.
Het gaat hier om geen kleine zaak. Daar zijn de instanties en personen die schaalvergroting voorstaan, zelf zich van bewust. Gaan de plannen door (en daar wordt aan gewerkt) dan krijgen we een heel andere kerk. En het is zeer de vraag of dat dan nog wel een „gereformeerde" kerk is. Op die vraagstelling is deze Nota gebaseerd.
Thans gaan we ons concentreren op de bedoelde Rapporten. We geven daartoe eerst beknopt maar zo getrouw mogelijk hun inhoud weer.
Schaalverandering.
Schaalvergroting, zo heet het, is geen nieuw en onbekend woord, het is in het Nederlandse spraakgebruik reeds geijkt. Het is een begrip dat blijkbaar ons levensgevoel en de realiteit zo goed weergeeft. Steden, bedrijven, markten, bestuurlijke eenheden krijgen een steeds grotere omvang. De onderlinge relaties der mensen worden intensiever, we hebben steeds meer met elkaar te maken. De schaal van het denken en opdoen van ervaringen is verwijd. We beleven vele sociale werelden: arbeid, woonsfeer, gezinssfeer, recreatie. Al met al, schaalvergroting is een sleutelwoord om de ontwikkelingen in deze tijd beter te begrijpen; maar tegelijk is zij ook een vereiste, een zaak waaraan gewerkt moet worden, een taak.
Vervolgens, schaalvergroting is een algemeen verschijnsel waar onze gehele samenleving van doortrokken is. Steeds gaat het om uitbreiding van het gebied waarover men bevoegd is, ook om specialisaties binnen dat gebied en verder om mobiliteit van personen en groepen.
Een schaalvergroting biedt allerlei nieuwe mogelijkheden. Zo kennen bijv. vergrote schalen meestal, dankzij de onderlinge samenhang van het groter geworden geheel, kleinere eenheden of groepen. Het gaat om gespecialiseerde eenheden die het lokale te boven gaan, en vermindering van isolement en autonomie.
Schaalverandering kan dus ook betekenen schaalverkleining (die blijft echter in het Rapport vrijwel onbesproken); schaalvergroting betekent dat eventueel de schalen zelfs aanzienlijk kunnen worden vergroot.
Wil dit alles verantwoord gebeuren, dan moet er een bepaald beleid achter staan; want het gaat om het verwezenlijken van min of meer nauwkeurig omschreven doeleinden. Van geval tot geval moet bekeken worden hoe de zaak wordt uitgevoerd. Als ideaal zou kunnen worden gesteld, dat de kerk zou komen tot „schalen" waarbinnen alle werkvormen van de kerk hun plaats vinden (dus diaconaal, vormings-, jeugdwerk, etc).
Om welke reden schaalvergroting wordt nagestreefd? In vroeger tijden leefde de mens ten aanzien van vrijwel alle aspecten van zijn bestaan op een relatief beperkte ruimte. Alles speelde zich af in zijn vaak kleine woonplaats. Maar dit nu is veranderd. De mens leeft nu minstens in een relatie met een geheel gebied, een dorp is een straat in een streek geworden. Vergeleken met de huidige situatie was het leven vroeger eenvoudig van structuur. De beleidsvoering was dan ook weinig omvattend; een kerkeraad had nauwelijks een taak. Thans zijn er echter allerlei nieuwe takken van werk opgekomen. Deze kunnen heel vaak niet op plaatselijk vlak worden overzien en geregeld. Vandaar dat ook de kerk grotere bestuurlijke eenheden nodig heeft. De gebieden zijn vaak te klein; de kerkeraden doorzien niet de problemen, kunnen die niet eens doorzien. Er is een kerkelijk „dorpisme" en „provincialisme" dat doorbroken moet worden. Er is ook geen adequate aanpak van de noden en belangen waar men met andere gemeenten samen voor staat. Werken in een groter gebied is interessanter, zodat men in dat geval ook gemakkelijker capabele mensen kan aantrekken. En dan, worden de gebieden in de kerk groter, dan wordt het gemakkelijker samenwerkingsvormen te vinden met organen van andere kerken of van buitenkerkelijke oorsprong.
Men mag hopen, aldus nog steeds het Rapport, dat men door het scheppen van een groter gebied de predikant een aantrekkelijker werkkring kan bieden, en dat de offervaardigheid bij de gemeenteleden zal toenemen. Modaliteitsmoeilijkheden in kleinere gemeenten zullen worden overwonnen doordat in een grotere eenheid krachten van verschillende modaliteiten een plaats kunnen vinden.
Onze tijd vraagt een grotere differentiatie van krachten dan vroeger ooit het geval is geweest. De tijd dat de predikant alles kon en alles wist is voorbij. Hetzelfde geldt van de andere ambtsdragers. Daarom is ook hier differentiatie en specialisatie nodig. Men moet leren werken in team-verband, wat alleen maar zinvol is wanneer een gemeente een groter gebied omvat dan nu meestal het geval is. Naast de predikanten kunnen er in de gemeente krachten met een andere opleiding worden aangetrokken: hulppredikers, catecheten, jeugdleiders, vormingsleiders, administratief en leidinggevend personeel. Ook aan „vrijwilligers" "kan men een speciale taak geven. Zo wordt er pas een goede basis gelegd om, binnen het geheel van de gemeente, te komen tot categoriaal werk van allerlei aard, onder industriearbeiders, forenzen, vakantiegangers, de jeugd, enz. Al dit werk eist vakbekwame begeleiding, maar ook een goed administratief apparaat. Alleen binnen een groter geheel wordt dit alles mogelijk.
In de (vergrote) gemeente zijn bijna altijd meer kerken. In deze kerken kunnen eventueel verschillende typen kerkdiensten worden gehouden.
Het mag in dit alles niet gaan om een daad uit wanhoop. Waar nood is moet de situatie worden aangegrepen om het werk van de gemeente op een nieuwe wijze vorm te geven.
Er zijn aan de schaalvergroting ongetwijfeld in bepaalde situaties nadelen verbonden. Er is het gevaar dat de rechtstreekse verantwoordelijkheid van het gemeentelid voor de gang van zaken minder wordt gevoeld door de grotere „afstand". Er staat evenwel tegenover dat als men elkaar te goed kent alles gemakkelijk wordt overgelaten aan een paar mensen die de touwtjes in handen hebben. Er is ook het gevaar dat leiding en gemeente te ver van elkaar komen af te staan. En het risico dat gemeenteleden tussen wal en schip zullen komen en niet meer worden bereikt. En dan is er ook nog het feit dat verschillende predikanten zich met „specialisatie" niet gelukkig voelen; zij willen graag werken onder gemeenteleden van verschillende modaliteiten (en niet slechts die van hun eigen modaliteit), of zij willen niet gedwongen worden naar een bepaalde tak van werk.
Al deze bezwaren zullen echter kunnen worden opgevangen, mits de zaak goed wordt voorbereid. Trouwens, uitgangspunt is het onmiskenbare feit dat een tendens tot schaalvergroting zich in onze kerk doorzet.
Wat de predikanten betreft, zeer velen van hen blijken bij nader inzien een zékere specialisering wél te ambiëren. Terwijl deze specialisering ook nooit excessief behoeft te zijn; en er blijven ook „gewone pastorale" predikanten nodig.
In de oude christelijke kerk was er een centrale leiding: de bisschop. In zijn gebied waren er huisgemeenten, die hoogstwaarschijnlijk geen geografische omgrenzing in strenge zin kenden. De huidige voorgestelde vorm van schaalvergroting zoekt de voordelen van het een zowel als van het ander te combineren. Zoals in het oudste christendom is er een centrale, collegiale leiding over een groter gebied, daarbinnen zijn allerlei vormen van spreiding van werk en verantwoordelijkheid mogelijk, ook geografische.
De betekenis van het begrip „gemeente" zal een belangrijke verschuiving ondergaan. Enerzijds blijft er de geloofsgemeenschap, op een bepaalde plaats, op een bepaald dorp, die ook op allerlei manieren uiting geeft aan haar bestaan; tegelijk komen er geheel nieuwe banden met andere geloofsgemeenschappen, in andere dorpen of steden, waarmee men weer samen een gemeente vormt. In rooms-katholieke kring wordt dit gebeuren wel onder woorden gebracht door te wijzen op het bisdom als de oorspronkelijke en in principe ook enige parochie van een bepaald gebied; aan hervormde zijde wordt het verschijnsel onder andere onder (ook kerkordelijke) woorden gebracht met het woord „streekgemeente".
Het Rapport eindigt dan met deze woorden: „Tenslotte moet worden opgemerkt, dat de kerk problemen als de hier behandelde altijd praktisch, niet ideologisch heeft benaderd. De vorm van de gehoorzaamheid, die in een bepaalde tijd van de kerk is gevraagd heeft telkens ook weer de structuur bepaald. Het lijkt verstandig, om ons bij de hele discussie over dit onderwerp (ons hier) aan te houden. We doen waarschijnlijk dan alleen de toch al ingewikkelde problematiek recht.”
Platteland.
Nu volgt een weergave van de inhoud van het Rapport-Platteland. Het bevat drie paragrafen, een eerste over de veranderde situatie, een tweede met het opschrift: Desiderata, en een derde over de invoering van de nieuwe regeling.
De huidige grenzen van de plattelandsgemeenten, zo wordt in dit Rapport beweerd, stammen voor een goed deel uit de Middeleeuwen. Zij werden getrokken, toen elk dorp sociaal-economisch en „existentieel" een afgesloten geheel was. Daar speelde heel het leven zich af. Het pastoraat kon door één man worden uitgeoefend; de functie van de pastor was evident; de structuren waren overzichtelijk; het ambt gaf een bevredigende levensvervulling.
Maar de situatie is thans radicaal gewijzigd. De plattelandsgemeente is in steeds mindere mate een gesloten eenheid. Dit heeft tot gevolg dat de overzichtelijkheid van het leven, ook die van de gemeente, meer en meer verdwijnt. Nog maar een deel van het leven van de gemeenteleden speelt zich af binnen de oude gemeente-grenzen.
Deze wijzigingen hebben zich alle zo snel voltrokken, dat een groot deel van de leden van de kerk min of meer gedesoriënteerd is. Onder de oppervlakte zit zeer veel onzekerheid, angst, slecht geweten, geruisloze afval van het geloof. Er is nodig een nieuwe confrontatie met de Bijbel in en vanuit de situatie waarin de mens nu verkeert.
De patriarchale tijd in de kerk is voorbij, ook op het platteland. Het wordt daarbij in toenemende mate moeilijk voor een full-timer om het leven van de kudde te overzien en allen te leiden. De opdracht van de kerk zal steeds meer worden, om de gemeenteleden te leren, zélf, in het geloof, vanuit de gemeente, de wegen door de wereld te gaan.
Dit alles heeft uiteraard het leven van de predikant diepgaand beïnvloed. Hij heeft in toenemende mate de eenheid van zijn werk verloren. Veel werk kan niet adequaat worden opgezet omdat de gemeente niet voldoende omvang heeft. De huidige predikantentaak op het platteland is in vele opzichten thans ongeschikt om hem zinvol uit te oefenen.
Kortom, het dorp heeft zijn oorspronkelijke betekenis reeds lang verloren. Het is een straat geworden in een veel groter gebied. De dorpen kunnen hun problemen niet meer op hun eentje oplossen. De eenheid der dorpen wordt steeds meer fictief. Eist men nu van een predikant dat hij daarin alles alleen doen moet, dan wordt zijn bestaan (bijzonder) moeizaam.
Dan volgen in het Rapport de Desiderata. De wens wordt uitgesproken dat er grotere eenheden komen, die een zodanige omvang hebben, dat zij de problemen en de opdrachten, waar een gemeente in onze tijd voor staat, pastoraal, diaconaal en apostolair, adequaat en consequent kunnen aanpakken. Een dergelijke eenheid moet zo groot zijn, dat er een team van krachten werkzaam kan zijn, waarin een efficiënte werkverdeling is en doorgevoerd wordt. Daarbij kan, mede in verband met de rijksnormen ten aanzien van het uitvoerend maatschappelijk werk, gedacht worden aan gemeenten van ongeveer 5.000 zielen (in uitzonderingsgevallen van 3.000). Hierin zouden werkzaam kunnen zijn: zo mogelijk 3 (eventueel 4 a 5) predikanten, een catecheet, een jeugdleider, een vormingsleider, een maatschappelijk werkster, gezins-en bejaardenverzorgsters en een administrateur.
De predikanten zullen weer tijd krijgen voor hun eigen werk: prediking, catechese, geestelijke vorming, pastoraat, geestelijke leiding. Zij kunnen elk een wijk krijgen; het is echter ook mogelijk, dat zij voor de groep waar zij in werken, gekozen worden. Aan de modaliteiten kan zo nodig tegemoet worden gekomen.
Daarnaast zal het in toenemende mate aandacht verdienen, dat de predikanten zich min of meer gaan specialiseren.
Voor de gemeente in onze tijd moeten een krachtig beleid en continuïteit zeer gediend geacht worden. Voor dit krachtige beleid is een betrekkelijk kleine, deskundige kerkeraad, die grote bevoegdheden heeft en waar niet beslist een predikant voorzitter van behoeft te zijn, waarschijnlijk het meest aan te bevelen. Gedacht kan worden aan een kleine kerkeraad, óf aan een grote, met een moderamen, dat bestuursbevoegdheid heeft; in dat moderamen zouden dan niet alle predikanten zitting behoeven te hebben. Veel kan worden gedelegeerd aan geografische, categoriale en functionele commissies; de centrale leiding en beslissingsmacht zouden echter aan de kerkeraad moeten blijven.
Zou een nieuwe indeling van de gemeenten als hierboven geschetst tot stand komen, dan zou het zeer gewenst (of noodzakelijk) zijn dat de classicale grenzen gelijktijdig worden herzien.
Thans het laatste stuk van het Rapport: De invoering van de nieuwe regeling. Stellig zal zij op grote weerstanden stuiten omdat zéér veel ouds en vertrouwds zal moeten verdwijnen. Het zal dan ook nodig zijn, om, indien tot invoering zou worden overgegaan, met een zekere ruime termijn te rekenen bijv. van 10 jaar, binnen welke de regeling in hoofdzaken zou moeten zijn voltooid. Het zal daarbij van belang zijn, dat de kerkelijke vergaderingen (classicale vergaderingen, brede ministeria, kerkeraden) en zonodig gemeenten worden bezocht om hen duidelijk te maken, om welke grote belangen het gaat en om te trachten weerstanden weg te nemen. Om tot een nieuwe indeling van gemeenten te komen is het breed-moderamen van de Provinciale Kerkvergadering waarschijnlijk het aangewezen orgaan. Van de situatie ter plaatse zal het afhangen of uitsluitend agrarische gebieden worden samengevoegd, of agrarische gebieden met forenzengemeenten, platteland met een stad (stadje) en dergelijke.
Voor bepaalde problemen zullen oplossingen gevonden moeten worden. Te denken valt aan de predikdienst op zondag. Als het aantal predikanten in de gemeente-nieuwe-stijl kleiner is dan het vroegere aantal gemeenten (oude stijl), dan is er 's zondags een tekort. Maar misschien dat dan de ontwikkelde en begaafde lidmaten hun kans krijgen. Dit hele ontwerp staat immers mede in het kader van het mondig-worden van de gemeente; en dit zal ook hierdoor kunnen blij-ven, dat het gemeentelid preekt.
Er zullen in sommige streken misschien kerken overbodig worden; er zal dan naar moeten worden gestreefd ze een zinvolle functie te geven.
Er zullen stellig vele pastorieën overbodig worden. Voor zover ze voldoen aan moderne eisen van bewoning kunnen ze dienen als woning voor de niet-predikanten die in de gemeente-nieuwe-stijl als fulltimers werken. Zodra in deze gemeente in een vacature een predikant wordt beroepen, kan de keuze geheel geschieden met het oog op de opdracht van de te beroepen predikant (de juiste, gespecialiseerde man voor de juiste, speciale taak). Daarnaast zal de academische studie voor predikant ingrijpend dienen te worden herzien. Reeds tijdens zijn opleiding zal hij in team-verband moeten leren werken, moet hij leren omgaan met de problematiek van deze tijd en zich daarin te "bewegen.
Om de zaak te bespoedigen zou het gewenst zijn, dat een overgangsbepaling werd vastgesteld, dat na een nader te bepalen datum (oorspronkelijk stond hier 31 dec. 1965) een gemeente slechts na verkregen toestemming van het breed moderamen van de P.K.V. tot een "beroep over kan gaan. Deze toestemming zou dan pas moeten worden gegeven, indien de betrokken gemeente zich schriftelijk bereid verklaart, mee te zullen werken aan de vorming van een gemeentenieuwe-stijl en indien bovendien de beroeping van een predikant de invoering van de regeling niet verhindert. Eveneens zou dan moeten worden bepaald, dat het beroep van een predikant niet wordt geapprobeerd dan nadat hij schriftelijk verklaard heeft mee te zullen werken aan de tot-standkoming van de gemeente-nieuwe-stijl.
Het zou een ideale oplossing zijn, indien ten aanzien van de bezittingen van de oude gemeenten als regel zou gelden, dat zij eigendom worden van en ten goede komen aan de nieuwe gemeente. Maar gezien de weerstanden die er op dit punt zijn te verwachten, zal het wel nodig zijn kalm aan te doen. Er zullen generale regelingen moeten komen om de eenwording van de verschillende kerkvoogdijen en de verschillende diaconieën te regelen. Trouwens, ook heel de kerkorde zal moeten worden gewijzigd, om aangepast te zijn bij de nieuwe situatie.
Ziehier een weergave van de inhoud der beide Rapporten. Nu volgt een kritische beoordeling.
Praktische bezwaren.
Een eerste bezwaar vind ik dat in deze Rapporten zo schromelijk overdreven wordt. Er staan allerlei beweringen in waarvan de juistheid lang niet vast staat, zeker niet in deze vorm. Zo lezen we in het Rapport-PIatteland dat een groot deel (let wel: een groot deel) van de leden van de kerk op het platteland min of meer gedesoriënteerd is, dus: de koers kwijt is. 'k Zou willen vragen: Hoe weet men dat? Kennen de heren rapporteuren de kerk op het platteland? Dit alles wordt dan nog nader gespecificeerd door de opmerking, dat deze zeer velen véél (alweer zo'n overdrijving) lijden aan onzekerheid, angst en een slecht geweten. Een geruisloze afval van het geloof wordt ook nog er mee in verband gebracht. Nog gekker is echter dat dit alles gezien wordt als een gevolg van het feit dat het leven niet meer één is zoals vroeger, maar de mens meerdere sociale rollen vervult, dus als een gevolg van maatschappelijke veranderingen. Hier wordt, nog afgezien van de vraag of het wel waar is wat beweerd wordt, aan de moderne tijd, de moderne maatschappij toch heus wel teveel eer bewezen.
Een tweede bezwaar acht ik, dat in deze Rapporten zo typisch stedelijk gedacht en geschreven wordt. In elk der beide Rapporten kwam ik tegen de uitspraak dat het dorp tegenwoordig een „straat in een streek" is geworden. Dat zal wel een sociologische vondst zijn, maar berust zij op waarheid? In ieder geval verraadt het een denken vanuit de stad en niet vanuit het platteland zelf.
Een derde bezwaar: waarom gebruikt men het (scheld-)woord „dorpisme"? En nog meer: Welk recht heeft men om dat woord uit de burgerlijke sfeer over te brengen op de kerkelijke? Wat stelt men zich er concreet bij voor?
Andere praktische bezwaren zullen verderop nog ter sprake komen.
Welk pastoraat.
Dit is een volgende opmerking: Welk beeld hebben de schrijvers der Rapporten aangaande het pastoraat? Omdat geen bijbels beeld van de gemeente wordt gegeven, ontbreekt als vanzelf ook het Bijbelse beeld van het pastoraat. Wel wordt gesproken over geestelijke vorming en geestelijke leiding als het werk van de predikant, maar wat verstaat men daar onder? Als er de zielzorg mee bedoeld is die steeds bedreven werd en ook nu nog wordt bedreven, dan is niet in te zien waarom zoveel veranderen moet. Er is evenwel ook sprake van allerlei categoriaal werk, arbeid onder bepaalde categorieën (jeugd, forenzen, enz.), en met het oog daarop wordt specialisatie in studie en werk der predikanten verlangd. Dit sluit aan bij het hele (sociologische) beeld van het platteland, waar, naar het heet, de eenheid des levens verloren is gegaan. Eigenlijk is heel de inhoud der beide Rapporten gebaseerd op deze sociologische theorie. Of zij gedekt wordt door d^ feiten lijkt me zeer de vraag; dat zij een sterk overtrokken beeld van de situatie geeft lijkt me geen vraag. Een uitbreiding van contacten is er op het platteland niet pas sinds vandaag of gisteren. Ook vroeger ontmoetten de boeren van de streek elkaar op de wekelijkse kaasmarkt, en dat is slechts één voorbeeld. Er wordt in de Rapporten gesproken over arbeid, woonsfeer, gezinssfeer en recreatie als de „sociale werelden" waarin de plattelanders nu beginnen te leven. Maar vroeger dekten die elkaar ook niet geheel terwijl ze tegenwoordig allerminst vier heel verschillende werelden zijn. Maar wat belangrijker is: mogen we hier wel zoveel gewicht aan hechten als in de Rapporten gedaan wordt? Men doet alsof één en dezelfde mens tot viermaal over een andere is, al naar gelang hij aan het werk is, thuis zit, in zijn gezin vertoeft of recreatie zoekt.
Moet nu op deze toch wel uitermate wankele basis een hele herindeling van de kerk op het platteland plaatsvinden? Mag een sociologische theorie als die van het veronderstelde verlies van de sociale eenheid der dorpen tot grondslag worden gemaakt van een totaal nieuwe vormgeving van de kerk?
En dan, wil deze nieuwe vormgeving effect hebben, dan mag men niet halverwege blijven staan; dan zal zij — gezien haar uitgangspunt! — totaal moeten zijn. Dan zal derhalve de specialisering in het pastoraat niet beperkt mogen blijven tot vier of vijf groepen, levend in verschillende werelden. De psychologie heeft hier net zoveel rechten als de sociologie; naast de jeugdpastor moet komen de bejaardenpastor, en waarom ook niet een jonge-gezinnen-pastor, een huismoederspastor, enz. zij hebben immers allen hun eigen „sociale wereld"? Trouwens, ook de sociologie weet van geen ophouden in het differentiëren. Als elke sociale groep (levend in een eigen sociale wereld) haar aparte pastorale groepsbenadering nodig heeft, is het eind ervan wèg.
Naar ik meen mogen we in het pastoraat ervan uitgaan, dat de mens wie hij ook is een eenheid is. Doordat hij allereerst mens is coram Deo (voor God), vervolgens mede-mens. Ieder mens heeft in waar het op aankomt hetzelfde nodig, omdat we allen Gods schepsel zijn, allen gezondigd hebben en allen mogen delen in Gods ontferming in Christus Jezus. Voor alle mensen geldt dezelfde wet en voor alle mensen is er hetzelfde evangelie. Dit sluit een aparte benadering van elk mens (wat anders dan een groep), inclusief alle verhoudingen waarin deze mens leeft, niet uit, maar in. Wordt van een pastor geëist dat hij het leven der mensen, bijv. fabrieksarbeiders, forenzen, pendelaars, geheel en van binnenuit kent, omdat hij anders niet bevoegd zou zijn tot pastoraat, dan eist men het onmogelijke en het onnodige. Onmogelijk is dit niet alleen voor de gewone dorpspastor, maar ook voor de zogenaamde gespecialiseerde. Het dagelijks leven van een bepaalde groep kan men alleen leren kennen door het zelf te léven, en dan niet half maar helemaal. Maar is dit allemaal nodig? Hier wil men teveel! Juist hier zou eens gedacht moeten worden aan de eigen verantwoordelijkheid (de Rapporten spreken van mondigheid) van de christenen.
Nog één opmerking in dit verband. De bijbel weet van een andere eenheid der gemeente dan waar de Rapporten het over hebben. De eenheid rondom Woord en sacrament. In elk geval is dit een eenheid die op het platteland, bij al wat daar veranderd is, binnen de structuur van de kerk zoals zij nu is, nog beleefd kan worden. Zolang dat nog zo is is niets nodig van al wat de Rapporten voorstellen. Het is juist deze eenheid die wij in groot gevaar zien komen wanneer de inhoud der Rapporten verwezenlijkt zou worden, dat wil zeggen de gemeenten op het platteland geofferd werden op het altaar van de sociologische theorie van een verloren sociale eenheid.
De predikant.
Er staat in de Rapporten ook heel veel over de figuur van de predikant. Hij zou zijn werk in de dorpsgemeenten niet meer als zinvol ervaren. Zijn taak wordt zelfs ongeschikt daartoe geacht, in vele gevallen. Ook alweer omdat de eenheid van het dorp, naar het heet, verloren is gegaan en daardoor voor de predikant de situatie onoverzichtelijk is geworden. Wat een boute beweringen, vol overdrijving.
Schaalvergroting moet er komen, zeggen de Rapporten. Pas dan zal veel werk adequaat kunnen worden opgezet. Dan wordt immers een efficiënte werkverdeling mogelijk.
Wel wordt er rekening mee gehouden dat misschien sommige predikanten hier niet zoveel voor voelen. Maar er staat tegenover, dat volgens een der Rapporten (Schaalvergroting) zeer vele predikanten een zekere specialisering toch wel blijken te ambiëren. Ik zou willen vragen: Hoe weten de rapporteurs dat? Gold het enkele predikanten, dan zou men nog kunnen veronderstellen dat deze bewering berust op persoonlijke gesprekken. Maar er wordt gezegd: zeer vele! En toch is er bij mijn weten nooit een alle predikanten in de Hervormde kerk omvattend mondeling of schriftelijk onderzoek (bijv. via een enquête) naar gedaan. En daarom: Toont eens de gegevens! Of hebben we ook hier slechts met een veronderstelling te doen. Is dat misschien typerend voor heel deze Rapporten?
Al met al lijkt me de predikant nieuwe-stijl toch wel een wat vreemde figuur te worden. Hij woont ergens in het ruime gebied der sterk vergrote gemeente. Hij krijgt wellicht zijn zoveel-urige werkdag. Pastorie en gemeenteleven zijn gescheiden. Zijn salaris komt uit Den Haag. Hij is één van het team. In de kerkeraad kan hij zitten, maar ook niet. Hij heeft een specialistische opleiding genoten en wordt (door wie? ) ingezet waar hij nodig is. Dit laatste staat niet in de Rapporten, maar ligt het niet geheel in de lijn ervan?
Er wordt beweerd, dat de taken onder de predikanten herverdeeld kunnen worden, na verloop van een of meerdere jaren natuurlijk. Maar is dat zo natuurlijk? Kan men zomaar van specialisme veranderen? Moet men dan soms eerst her-schoold worden? Ik zie daar niet veel van komen. Met als gevolg dat we akelig eenzijdige dominees krijgen. Wellicht na verloop van tijd met de klacht dat alle afwisseling in hun werk ontbreekt. Beter het teveel van nu, dan wat ons hier als toekomst wordt geboden.
Bovendien, ik vrees een verschrikkelijke ambtenarij. Wat nu nog in de Rapporten als geestelijk werk bedoeld is, zal dat niet lang blijven.
Nog erger, ik vrees dat al, wat we nu nog aan gemeenten hebben (en dat is in vele gebieden van de kerk waarlijk niet gering), op deze wijze op z'n snelst ontbonden wordt. De gemeente nieuwe-stijl zie ik als een luchtbel die binnen de kortst mogelijke tijd uiteen zal spatten. Met als gevolg dus dat er niets meer over is, behalve wellicht . . . de efficiënte organisatie!
Naar een nieuwe kerk?
Kerkordelijke wijzigingen lijken op het eerste gezicht vaak zo onschuldig. Tast iemand de leer van de kerk aan dan is er kans dat er veel verzet komt, tast iemand de kerkinrichting aan dan komt het verzet menigmaal pas als het te laat is.
Toch gaat het in de Rapporten niet om slechts kleine kerkordelijke wijzigingen. De laatste stelling in het Rapport-Platteland luidt: „Uiteraard is de kerkordelijke vormgeving van een en ander een zeer omvangrijke en verantwoordelijke taak". Let op het woord omvangrijk. Inderdaad en niet alleen omvangrijk, ook diepingrijpend, radicaal.
Het is moeilijk op één noemer te brengen wat er allemaal gaat gebeuren, dreigt te gaan gebeuren. Ontegenzeggelijk wordt een episcopale trek in de structuur van ons kerkzijn ingebracht. Maar niet minder duidelijk acht ik een anarchistische tendens. Het eind van de ontwikkeling die hier op gang wordt gebracht is niet te overzien, of toch wel?
Wat moet het worden als straks elk gemeentelid mag preken? Is dat ordelijk? En toch zal het die kant wel op moeten, gezien het geringe aantal predikanten in de gemeenten nieuwe-stijl. Drie dominees kunnen 's zondags niet op 5 of 6 (of meer) plaatsen tegelijk zijn.
Maar nog belangrijker is de vraag: voor WIE moeten zij preken? Zullen de categoriale groepen niet een eigen leventje gaan leiden? Die kans is uitermate groot, gezien de ervaringen die nu reeds overal worden opgedaan. In huisgemeenten en groepen gaat men steeds dringender vragen om (of zelfs in praktijk brengen) eigen avondmaalsvieringen. Dat zal zeker niet minder worden wanneer de deelnemers aan deze gemeenten en groepen de strakke binding aan een eigen dorpsgemeente ontnomen is, daar deze opgenomen zal zijn in; een groter geheel. Categoriale gemeenten komen dan als vanzelf in de plaats van de oude gemeenten. In die oude gemeenten houdt men op z'n gunstigst de moeders met de kleine kinderen en wat bejaarden over. Kortom, alle geloofseenheid is stuk, we hebben een opgedeelde kerk. Alles staat op de ene kaart van een uiterst gewaagd experiment.
Kerkeraden oude-stijl verdwijnen nu ook of kunnen althans verdwijnen. Trouwens welke bevoegdheid houden zij nog? Boven hen staat immers die kleine kerkeraad, zeer deskundig! gevormd uit de nieuwe grote gemeente, en voorzien van grote bevoegdheden. Dit meerhoofdig episcopaat, ik kan het niet anders zien, is het nieuwe juk dat de kerk zal worden opgelegd. Het zal wel waar zijn dat het beleid van dit college krachtig zal zijn, maar het is daarom des te meer te vrezen.
Deskundigheid wordt de nieuwe kwalificatie waaraan toekomstige ambtsdragers zullen moeten voldoen. Wat in 1 Timotheus 3 staat schijnt van minder belang te zijn. Een kerk behoeft bijna nergens zo bang voor te zijn als voor de tyrannie der deskundigen.
Dwang komt er al dadelijk, al bij de invoering. Geen gemeente kan beroepen en geen dominee kan een beroep aannemen dan pas nadat zij de stukken hebben getekend waarin zij hun presbyteriaal beginsel (als zij dat hebben) hebben verloochend en hun goedkeuring hebben gegeven aan wat sociologen en theologen samen hebben uitdacht als een gemeente nieuwe-stijl. Dat betekent volgens mij voor vele predikanten en andere ambtsdragers een gewetensnood als nooit tevoren.
Er wordt gespeeld met het beginsel van presbyteriaal kerkrecht. Alsof men een stuk episcopaat daar zomaar kan invlechten. Het is óf de ouderling óf de bisschop. Wie aan de bisschop ook maar één vinger geeft, geeft hem weldra de hele hand. We hebben een paar jaar geleden de „streekgemeente" gecreëerd, en nu komen er deze Rapporten. Zoekt men oplossingen voor noodtoestanden, er zijn andere wegen en anders moeten ze gezocht worden, maar uitgaande van het presbyteriale beginsel.
Er wordt in het Rapport Schaalvergroting zonder blikken of blozen beweerd dat de kerk problemen als de hier (in dit Rapport) behandelde altijd PRAKTISCH heeft benaderd. Dat is zonder meer een onwaarheid. Het gereformeerde kerkrecht wortelt in het gereformeerde belijden. Wat men ziet als de eis van de moderne tijd is niet belangrijker dan wat de bijbel ons leert over de kerk en haar gestalte, haar structuur. Een principiële benadering van het kerkrecht mag men niet zoals in dit Rapport gedaan wordt, afdoen als een ideologische benadering. Juist daarvan distantiëren wij ons. Van ideologie kan niet gesproken worden waar men aan de Bijbelse beginselen van het kerkrecht vasthoudt, maar juist daar waar men meent „waarde-vrij" er over te kunnen spreken. Die waardevrijheid is maar een waan. Er steekt op zijn minst achter een zeer bepaalde visie op de kerk, haar wezen en haar historie; ook een zeer bepaalde benadering van de wereld en van de moderne tijd. Er is meer aan de hand dan een louter pragmatische vraag: welke structuur van de kerk eist deze tijd. De factor van de eigen tijd heeft zeer zeker bestaansrecht binnen de bezinning op het kerkrecht, maar ondergeschikt aan de Bijbelse beginselen. En het moet nog aangetoond worden dat die beginselen niet het best zijn weergegeven in het gereformeerde belijden, ook in wat dat belijden zegt aangaande de kerk en haar structuur.
De zaak waar het in deze Rapporten en in deze Nota over gaat, is er een die heel de kerk aangaat. Al zouden de in de Rapporten voorgestelde veranderingen slechts in een gedeelte van de Hervormde kerk gerealiseerd worden, bijv. in gebieden als Noord-Holland of Drenthe (ik noem maar iets), dan raakt dat toch de hele kerk. Er vindt dan een ontwrichting plaats van het kerkelijk leven, die van invloed is op het geheel. Ik zie dan de kerk in andere gebieden als vanzelf ook aan de beurt komen. Al was het alleen maar om de zaak gelijk te trekken. Trouwens, elke invoeging van een episcopaal element in de kerkorde, krijgt alleen al daardoor een algemene toepasbaarheid, in élk deel van de kerk.
Wat in de Rapporten staat is nog niet ingevoerd, nog niet aangenomen en nog niet verworpen, het kwam zelfs nog niet op Classicale vergaderingen of op de Synode. Maar het weerspiegelt wel een krachtige tendens in en buiten de Hervormde kerk. Bovendien is het in de provincie Zuid-Holland genomen als uitgangspunt van besprekingen met de brede moderamina der Classes. Alleen al daardoor is het hoogst actueel.
Het is onze taak reeds nu hiertegen te protesteren. We moeten in de kerk weten waar we aan toe zijn. Een ondubbelzinnig en krachtig neen kan het enige zijn wat we moeten zeggen; tot behoud van het gereformeerde karakter van heel onze Hervormde kerk.
Noordeloos
- EXALTO.
1) De vet gedrukte gedeelten in de rapporten zijn van de redactie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1968
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1968
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's