De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET AVONDMAALSFORMULIER

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET AVONDMAALSFORMULIER

VERVOLGARTIKEL NUMMER 8

8 minuten leestijd

Samenstelling en inhoud.

Na de onderwijzing, die bedoeld is ons 'hulp te bieden bij de noodzakelijke zelfbeproeving voor het Avondmaal, volgt nu het tweede hoofddeel van het onderrichtend gedeelte van het formulier. Dit tweede en belangrijkste didactische gedeelte handelt over het doel, waartoe de Here Christus dit Sacrament verordend en ingesteld heeft.

Dat doel wordt samengevat met de enkele uitdrukking, die ons bekend is uit de inzettingswoorden des Heren: „tot Zijne gedachtenis”.

Op de wijze, waarop wij die gedachtenis aan de dood des Heren zullen houden, gaat het eerstvolgende onderdeel nader in. Maar wanneer wij verder lezen, ontdekken we, dat het formulier méér doeleinden er bij betrekt, dan alleen de herdenking van hetgeen in het verzoenend lijden en sterven des Heren heeft plaats gehad.

Straks blijkt dan ook, dat als doel van de viering van het Avondmaal ook de versterking van het geloof wordt uitgewerkt.

Daaruit blijkt, dat de gedachtenis aan de dood des Heren niet bedoeld is als een zich alleen maar verdiepen in datgene wat in de lijdensgeschiedenis heeft plaats gehad; maar als een gedenken van dat verleden uit de volheid des tijds op een zodanige wijze, dat in het heden het geloofsleven daardoor bevestigd en gesterkt wordt.

In het gedenken is het dus het gelovig hart, waarvan de blik gericht wordt op de Man van smarten.

Tenslotte zal hiermede blijken samen te hangen de versterking van de onderlinge band der liefde. Wij vieren het Avondmaal niet puur individueel, maar gemeenschappelijk. Dat hoort ook bij het beeld van de maaltijd, en dus bij de wijze, waarop het Christus behaagd heeft dit Sacrament in te stellen zodanig, dat het alleen „met elkander" gevierd kan worden en men dit gemeenschappelijk doet „tot Zijne gedachtenis".

De Gereformeerden zijn o.a. daarom weinig geneigd geweest om het Avondmaal aan huis voor zieken te bedienen. Calvijn had hier geen bezwaar tegen, maar dan toch zo, dat enkele ambtsdragers en gemeenteleden met de zieke het Avondmaal gebruikten, opdat toch enigermate de gemeente daar zou tegenwoordig zijn.

Dat de gedachtenis aan het verzoenend lijden en sterven des Heren niet bedoeld is om alleen met het verstand en de verbeelding beoefend te worden, maar bestemd is voor het geloofsleven, blijkt wel uit de wijze, waarop de verschillende facetten van het lijden telkens verbonden worden met de vrucht, die het draagt voor het geloof.

Dat blijkt ook wel uit de formulering, waarmede deze overdenking wordt ingeleid: „eerstelijk, dat wij ganselijk in onze harten vertrouwen". Dat is wel een opmerkelijke karakterisering van hetgeen er met „gedachtenis" wordt bedoeld. Het gaat wel om de heilsfeiten, maar niet als koelweg geconstateerd. Het gaat ook niet ona een gevoelige sfeer, die opgewekt wordt door het aangrijpend karakter van deze feiten. Maar het gaat om een met een gelovig hart bezig zijn in de overdenking van het lijden des Heren. Vandaar de woorden: „in onze harten" en „vertrouwen". Het gaat om de verkondiging van het Evangelie des kruises en de ontvangst daarvan in en met een gelovig hart. Het woord „ganselijk" is niet bedoeld om kleingelovigen af te schrikken, alsof iemand, die geen volkomen geloof heeft, niet op de rechte wijze de dood des Heren zou kunnen gedenken. Maar wel is de bedoeling de volle geloofswaardigheid van het Evangelie des kruises als fundament voor het vertrouwen des harten te onderstrepen.

Het geloofskarakter van deze gedachtenis des Heren spreekt ook uit het feit, dat de Heiland onze Here Jezus Christus genoemd wordt. Het volgende wat ons opvalt is, dat Olevianus (van wie zoals we reeds zagen speciaal dit gedeelte afkomstig is) teruggrijpt naar de gehele Adventstijd van het Oude Testament met al de rijkdom van beloften, waarvan die eeuwen vervuld waren. Wat in de volheid des tijds geschiedt, komt niet onverwacht, maar daarin openbaart zich Gods trouw. De lofzang van Zacharias komt ons in de gedachten: gelijk Gods trouw, van 's aardrijks ochtendstond, door der profeten wijze mond zich hiertoe aan de vaderen verbond.

Het feit, dat het Avondmaal bestemd is om de dood des Heren te gedenken en daardoor gesterkt te worden in het geloof, verhindert niet, dat het zoeklicht even gaat over heel het gebied van de openbaring van de raad Gods.

Vandaar niet alleen de herinnering aan „de beloften, die aan de voorvaderen in het O. Testament van het begin af geschied zijn"; maar ook de heenwijzing naar „de Vader", Die de Here Jezus Christus in deze wereld gezonden heeft. Het is goed dit op te merken. Van allerlei zijde is er soms de neiging om eenzijdig het werk van Christus in het middelpunt te plaatsen. Men spreekt in dat verband wel van Christo-monisaxie. Maar Jezus Zelf heeft telkens verwezen naar de Vader, Die Hem gezonden heeft. Wiens wil te volbrengen Zijn spijze is. Het was God Die in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende was. Daarvan is de brede opzet van deze gedachtenis in het formulier iets om dankbaar op te merken.

Daarbij past ook, dat het werk van Christus niet eerst getekend wordt zoals het in de eigenlijke lijdensgeschiedenis voor ons verschijnt, maar dat begonnen wordt met „de vleeswording des Woords". De Here „heeft ons vlees en bloed aangenomen". Hij moest onzer één worden, ons in alle dingen gelijk, uitgenomen de zonde, om in onze menselijke natuur het offer der verzoening aan te brengen.

Het formulier gaat nu in enkele forse trekken zeer compact de hoofdzaken tekenen van de opdracht, waarmede de Vader Zijn Zoon in deze wereld gezonden heeft en die ook „de ganse tijd Zijns levens" omspant. Het gaat om hetgeen Hij gedragen heeft „van het begin Zijner menswording tot het einde Zijns levens".

Wat de Here al die tijd gedragen heeft wordt hier in het formulier getekend met twee grote trekken. Het eerste is de samenvatting van hetgeen Hij geleden heeft („de toorn Gods ... voor ons gedragen"), dus Zijn passieve. Zijn lijdelijke gehoorzaamheid; het tweede („alle gehoorzaamheid en gerechtigheid der Goddelijke wet voor ons vervuld") is, wat wij gewoon zijn te noemen Zijn dadelijke gehoorzaamheid. Die twee kunnen we wel onderscheiden, maar niet scheiden. Zijn lijden was een daad en Zijn doen was lijden.

Wat de Here geleden heeft wordt hier gesteld onder het gezichtspunt van de toorn van God. Het was de toorn van God, „onder welke wij eeuwig hadden moeten verzinken". Met deze omschrijving wordt de oneindige zwaarte van de toom Gods aangegeven en tegelijk de ernst van de zonde als zonde tegen God. Wanneer straks verschillende facetten van de lijdensgeschiedenis apart worden getekend, dan staat het geheel toch in het teken van de toom van God. Het is de drinkbeker van de toom Gods, die Hij moet drinken.

Menigmaal heeft men de gedachte aan de toom van God uit het christelijk denken en spreken willen verwijderen, omdat zij in strijd zou zijn met de liefde Gods; omdat hierdoor al te menselijk over God gedacht zou worden; en omdat de gedachte van een toornend God hoogstens in het kader van het Oude Testament, maar niet in dat van het Nieuwe Testament zou thuishoren. Toch ten onrechte.

Vooreerst spreekt het Nieuwe Testament bij monde van de Here Jezus Zelf, maar ook in de brieven ider apostelen en in het bijzonder in de Openbaring aan Johannes tal van malen over de toom Gods. „Wie in de Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven; maar wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toom Gods blijft op hem". (Joh. 3 : 36). Christus is het. Die ons verlost van de toekomende toorn (Rom. 5 : 9, 1 Thess. 1 : 10). De Openbaring spreekt zelfs van de toorn des Lams!

We zullen de toorn van God zeker scherp moeten onderscheiden van de onbeheerste en onheilige toorn van ons mensen. Maar dat die toom van God heilig is, maakt haar niet minder ontzagwekkend.

Deze heilige toorn kan in het wezen Gods zelfs niet gemist worden. Waar de toorn in zijn heiligheid en gewettigdheid ontkend wordt, gaat dit meestal gepaard met en vindt dit z'n grond in een min of meer vergoelijkend opvatten van de zonde. Wij zondaren zijn geneigd de zonde niet zo zwaar aan te rekenen. Maar de hele Bijbel is één groot en goddelijk protest tegen dit indifferentisme. De toorn van God is de bij Zijn wezen passende reactie op het kwade. Hij houdt de schuldige geenszins onschuldig. Wij verdienen daar eeuwig onder te verzinken.

Nu, dat zware onweder van Gods toorn heeft zich ontladen boven Hem, Die voor de Zijnen in de bres is getreden en Zijn armen beschermend uitstrekt over Zijn gemeente, die bij Hem schuilt.

Hij is daarin de lijdende Knecht des Heren. Maar ook de Knecht, Die het hele werk, dat wij, die in staking waren gegaan, hebben laten liggen, volkomen volbrengt. Het betaamde Hem alle gerechtigheid te doen geschieden.

(Wordt vervolgd).

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1968

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

HET AVONDMAALSFORMULIER

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 mei 1968

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's