De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GODGELEERDHEID EN DOOR GOD GELEERD ZIJN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GODGELEERDHEID EN DOOR GOD GELEERD ZIJN

De derde brief

12 minuten leestijd

De derde brief.

  1. te W. vindt de term bijgeloof onjuist, hij noemt alle bijgelovige praktijken zonder meer ongeloof. Verder gaat hij in op een opmerking die ik maakte over de opleiding tot predikant. Ik achtte die onvoldoende om de moeilijkheden waarvoor de kerk heden staat, baas te kunnen. Vele predikanten zijn niet tegen de problemen opgewassen en treden uit het ambt, betoogde ik. B. vindt: dat is juist goed! Wij leven volgens hem in de sprinkhanenplaag van Openb. 9. Hij gebruikt in dat verband het woord „simonie" (met dit woord wordt het middeleeuwse misbruik aangeduid om een kerkelijk ambt voor geld te kopen).

Wanneer ik in de samenvatting de uitdrukking „de prediking van Christus" gebruik, moet dat volgens hem uit Christus zijn. Hij klaagt dat er dominees zijn, die tien tot twaalf jaar studeren, doch het ware geloof missen. Als de blinde de blinde leidt, citeert hij de Heiland, vallen ze samen in de gracht.

Hij doet (doch slechts terloops) een goed woord voor het laten openvallen van de Bijbel op een willekeurige plaats om zo goddelijke onderwijzing te krijgen. Van zijn eigen schrijven geeft hij toe dat het hard is, waaruit ik afleid dat hij ertoe neigt ook mij bij de blinde leidslieden te rekenen, al zegt hij dit niet. Uit zijn brief spreekt overigens een milde houding tegenover sommige sekten; hij gelooft in een gemeente „verkoren uit kerken en zogenaamde sekten". Tenslotte betreurt hij het, dat er zo weinig over de wederkomst des Heren wordt gepredikt.

Bijgeloof en Ongeloof.

In de grond van de zaak is bijgeloof inderdaad ongeloof aan Gods macht en voorzienigheid. Hierbij moeten we echter direct aantekenen dat er ook in een gelovige soms nog heel vreemd bijgeloof kan wonen, al is het dan geen ongelovige! Toch moeten we blijven onderscheiden tussen bijgeloof en ongeloof. Bijgeloof is het geloven aan bovennatuurlijke werkingen of verschijnselen, ongeloof is het niet vertrouwen op God. Ook de Heidelbergse Catechismus noemt het bijgeloof uitdrukkelijk in antwoord 94.

Helaas moet ik de briefschrijver bijvallen in de droevige waarheid dat sommige predikanten het ware geloof missen. Het ergste is dit voor deze dienaren des Woords zelf. Evenwel kunnen zij voor de gemeente in Gods hand een middel zijn om zegen te verspreiden. Of moeten we aan God de kracht ontzeggen om door een onwaardig middel grote dingen te doen?

Beoordeling van de preek.

Wij mogen wel tot op zekere hoogte de prediking die er Wordt gebracht beoordelen, maar nimmer de prediker die haar brengt. Het oordeel over mensen mogen wij ons niet aanmatigen. Bij het toetsen van de prediking neme men de volgende regels in acht:

  1. Men mag alleen oordelen aan de hand van de Heilige Schrift. Als een prediker afwijkt van wat in het geschreven Woord Gods ondubbelzinnig wordt geleerd, bewandelt hij een verkeerde weg.
  2. Kerkelijk gesproken kan men de belijdenisgeschriften van de kerk als norm voor de prediking hanteren, al kan daaraan niet dezelfde kracht worden toegekend als aan de Schrift.
  3. Het eigen inzicht of de eigen beleving van het gemeentelid mogen nooit de maatstaf zijn, waarnaar hij de prediking beoordeelt.
  4. Zelfs als de prediking enigermate van de Schrift afwijkt, moet men het onderscheid tussen bijzaken en hoofdzaken in het oog houden. Om verschil van opvatting aangaande bijzaken mag men elkaar niet verketteren, al moet men trachten een medechristen in liefde de Schriftuurlijke weg te wijzen.
  5. Om hoofdzaken moet men elkaar ook niet verketteren. Men kan iemand echter wel een ketter noemen in de zin van: iemand die op zeer belangrijke punten van de zuivere leer afwijkt.

Ais deze regels trouw in acht werden genomen, zou aan de preekarbeid der dominees een billijker, ja christelijker beoordeling ten deel vallen dan thans gemeenlijk geschiedt.

De Wederkomst.

Terugkerend tot de brief moeten we aan de briefschrijver toegeven, dat er over het algemeen in de prediking te weinig van de wederkomst des Heren wordt getuigd. Niet alleen de gemeente is sterk vermaterialiseerd, maar ook de predikanten, die immers uit de gemeente voortkomen. Dit verschijnsel moet ons bedroeven, omdat eruit blijkt dat de spanning ontbreekt van het geloof, dat hunkerend wacht op de Verlosser die voor de zonden gestorven is.

De opleiding van de predikant.

Laat ik iets nader ingaan op de kwestie van de opleiding van de predikanten. Er zijn zeer ernstige predikanten die de moeilijkheden waarvoor het ambt hen plaatst niet op afdoende wijze het hoofd kunnen bieden, omdat er aan hun opleiding op dit punt heel wat ontbreekt. Dit is een ernstige zaak. De oplossing wordt niet verkregen door te zeggen: laat ze maar uit het ambt gaan, ze deugen er niet voor; de gebrekkige opleiding waardoor ze te kort schieten, moet worden veranderd. Wat leert een a.s. predikant van vergadertechniek, van gesprekstechniek, van de manier om de boodschap der verlossing te brengen aan hen die van het evangelie vervreemd zijn? Waar wordt hem geleerd op tactische doch eerlijke wijze te leven naast en met hen, die geen oog hebben voor de problemen van de tegenwoordige tijd en alles bij het oude willen houden? Waar wordt hem geleerd hoe hij vanuit het geloof van de Kerk der eeuwen zijn houding moet bepalen tegenover moderne wetenschap, secularisatie en ontkerstening?

Ter voorkoming van misverstand moge nog eens uitdrukkelijk worden vastgesteld dat de beste opleiding van dienaren des Woords nimmer het ware geloof in hun harten kan vervangen. Toch is de opleiding zeer belangrijk en dient zij z goed mogelijk te zijn.

Het inkomen van de predikant.

Wanneer mijn briefschrijver meent dat de predikanten als sprinkhanen het land opeten, d.w.z. een groot inkomen hebben dat ze welbeschouwd niet verdienen, is hij op dit punt niet goed op de hoogte van de feiten. Ik zou hierover verder zwijgen, ware het niet dat men dezelfde klanken dikwijls hoort. In verband met het gebruikte woord „simonie" zij erop gewezen dat menigeen die predikant is geworden, veel meer had kunnen verdienen als hij een andere even zware opleiding zou hebben gevolgd. In afgescheiden kerken en ook wel in gereformeerde bondskringen wordt er soms laatdunkend gesproken over predikanten van niet-gereformeerde modaliteiten. Men bedenke echter (niet alleen dat het onchristelijk is laatdunkend te zijn, maar ook) dat velen van deze predikanten van tevoren geweten hebben dat ze de kans liepen jarenlang of levenslang in kleine dorpen op slechtbetaalde posten te staan. Zij komen doorgaans ook minder gemakkelijk in grotere gemeenten dan gereformeerde bondspredikanten. Wie dit beseft, zal niet zo gauw over een sprinkhanenplaag spreken, maar begrijpen, dat om ook een Bijbelse uitdrukking te gebruiken, de protestanten vanaf het begin een land zijn geweest dat zijn predikanten verteert. Hoe men ook over de prediking van bepaalde predikanten oordeelt, zij moeten iets hebben gevoeld van wat wij roeping noemen, wijl ze zich een opleiding getroostten voor een werkkring waarvan zij wisten dat die hen nooit tot de klasse met de hoogste inkomens zou kunnen brengen.

Hiermee ontken ik niet dat er in de kerk droevige misstanden voorkomen. Ik ontken niet dat er ambtsdragers zijn die door hun onbijbelse arbeid gemeenten hebben verwoest. Ik ontken niet dat door de onschriftuurlijke prediking mensen zijn verleid geworden. Ik ontken niet dat er predikanten zijn, die zelf erkennen weinig of niets van de Bijbelse boodschap te geloven. Maar de opdracht der gelovigen daartegenover blijft: bidden in plaats van verachten, zegenen in plaats van vloekend veroordelen.

Prediken uit Christus.

De woordspeling: De prediker moet uit Christus prediken, niet slechts over Hem, is in brede kringen gebruikelijk. De bedoeling van dit gezegde is duidelijk. Men ducht een louter verstandelijke uiteenzetting van de leer waardoor het hart niet wordt geraakt. De dominee, zo wil men zeggen, moet door eigen ervaring kennis dragen van hetgeen hij verkondigt. We moeten met dergelijke niet geheel juiste chiché's toch behoedzaam ontgaan. Een dienaar des Woords moet ook met ambtelijk gezag leiding kunnen geven in omstandigheden die hij niet zélf heeft doorleefd.

Wat de bovengenoemde woordspeling betreft: de Bijbel zegt ook dat de apostelen Christus predikten! We mogen in zo'n geval niet roepen: ze moesten uit Christus prediken!

„Ik sloeg de Bijbel open...”

Het opslaan van de Bijbel op een willekeurige plaats met de bedoeling de tekst waarop het eerst ons oog valt, als rechtstreeks door God geschonken te beschouwen — dat is nu met recht bijgeloof om niet te zeggen toverij. Ik weet heel goed dat vele eenvoudige kinderen van God zich aan dergelijke praktijken hebben schuldig gemaakt. Ik begrijp ook wel dat het allemaal niet zo verschrikkelijk is, wijl men meestal de draagwijdte van die daad niet doorziet. Maar dit is een voorbeeld van bijgeloof, dat in wezen ongeloof is. Wie de Bijbel gebruikt als een prikkaart, gelooft niet in de leiding die de Heilige Geest geeft door middel van het gehele geopenbaarde Woord — althans niet op het moment dat hij zijn Bijbel laat openvallen om daardoor een orakel (= godsspraak) te verkrijgen. Wij willen God bij het beleid volgens zijn voorzienigheid een handje helpen. Wij maken van de Bijbel met zijn duizenden teksten een grote loterij. Het zondige schuilt niet zozeer in de naïeve manier waarop iemand met de Heilige Schrift omspringt, als wel in het ontbreken van vertrouwen in de Heilige Geest die leidt door gebruik te maken van ons verstand en daarop inwerkt door de Heilige Schrift in haar geheel. In dit verband zou ook veel te zeggen zijn over de jacht op het „krijgen" van woorden en teksten. Wij volstaan thans met deze ene opmerking: De Heilige Geest kan wel eens gebruik maken van een bepaalde tekst om aan het geloofsleven leiding te geven. De jacht op zulke gebeurtenissen, veroorzaakt door het eisen van „gekregen" woorden in gegeven omstandigheden, is echter een bedenkelijk verschijnsel. In sommige kringen leidt dit tot ongezonde uitwassen.

Het oordeel der liefde.

Het doet me altijd weer goed brieven te ontvangen over artikelen die ik schreef. Ik hoop dat ieder precies schrijft wat er in zijn hart leeft. Boos zal ik om scherpe kritiek nimmer worden, omdat ik de gereformeerden liefheb en weet, dat zij met hetgeen zij schrijven het beste voorhebben. Vaak wordt de afkeuring in gereformeerde kringen ongezouten geuit, omdat men blijkbaar vaag de veronderstelling koestert: hoe harder gezegd, hoe dichter bij de waarheid. Toch moet men bedachtzaam en liefdevol te werk gaan in het beoordelen van zijn medemensen. Gods kinderen worden door de Heilige Geest wel gesteld in de ambten van profeet, priester en koning, maar zij bekleden niet het ambt van keurmeester. Wat blijft er onder „ons" toch vaak weinig over van „het oordeel der liefde"! Zodra iemand maar iets zegt dat niet precies bij onze denkbeelden past, wordt hij veroordeeld. Velen beginnen niet met te veronderstellen, dat hetgeen wordt gezegd, wel goed bedoeld zal zijn, doch schijnen graag op alle slakjes zout te willen leggen. Hiertegen moeten we elkaar waarschuwen.

Woord en Geest.

Het is een merkwaardig verschijnsel dat sommigen zeer hardvochtig oordelen over dominees die gestudeerd hebben, doch zeer mild over sekten en groepen, die zich beroemen op de leiding van de Heilige Geest (buiten het Woord om). Dit verraadt een hang naar geestdrijverij in gereformeerde kringen. Uit reactie hiertegen moeten we niet doen alsof we de Heilige Geest en geestelijke ervaring kunnen missen, doch we moeten verstaan dat Woord en Geest een eenheid vormen. Zij mogen niet tegen elkaar worden uitgespeeld. Wie meent dat we bij het Woord de Geest kunnen missen, belandt op zijn best in een dode orthodoxie. Wie zich beroept op de Geest los van het Woord vervalt tot geestdrijverij. Beide verschijnselen hebben zich in de loop der eeuwen in het gereformeerd protestantisme voorgedaan. Ja, nog dagelijks kunnen wij ze waarnemen.

Verdere correspondentie.

Mej. de B. te B. vraagt of het geoorloofd is magnetiseurs te raadplegen. Zijn deze krachten uit de duivel als ze niet uit God zijn? Kan iemand die zich op zijn ziekbed tot het laatste toe door een magnetiseur laat behandelen een kind van God zijn?

Antwoord:

Over het zogenaamd dierlijk magnetisme is het laatste woord nog niet gezegd. Een afdoende verklaring is er nog niet voor gevonden. Hier hebben we er nu een voorbeeld van dat de Kerk voorzichtig moet zijn met haar conclusies als de wetenschap ons nog in het onzekere laat. We neigen tot de gedachte dat we hier te doen hebben met krachten die door God in de schepping zijn gelegd. Zij worden echter vaak zeer verkeerd gebruikt. Dr. J. H. Haverkate wijst in de Chr. Encyclopedie op de gevaren die aan de behandeling door 'n magnetiseur verbonden kunnen zijn: „Meestal kan een magnetiseur alleen de lasten van een lichaamskwaal wegnemen, terwijl de lichaamsafwijking blijft bestaan of erger wordt; zo kan een magnetiseur iemand bevrijden van de pijnen veroorzaakt door een kankergezwel; de patiënt meent nu genezen te zijn en laat zo het ogenblik, waarop hij nog door een operatie te helpen is, voorbijgaan.”

In een gelovige verdraagt God in zijn oneindige liefde veel gebreken en zonden, zonder ze goed te keuren; als iemand een magnetiseur raadpleegt kan men zijn daad wel afkeuren, maar men moet geen oordeel uitspreken over die persoon en zijn geloofsleven.

Mevr. van Z. te N. Bedankt voor het merkwaardige verhaal over een bekend en alom (te veel) vereerd, godzalig man, en verdere mededelingen.

  1. d. B. te L. Dank voor uw zeer uitvoerige brief, waarvan ik verschillende onderdelen nader zal bekijken. De werken van prof. Tenhaeff zijn mij bekend en ik hoorde een lezing van hem over paranormale verschijnselen. Als van directe betekenis voor de lezers mag ik wél deze opmerkingen uit uw brief met instemming doorgeven: De horoscoop wordt gebruikt als middel om veel geld aan de mensen te verdienen. Vandaar dat men er zo veel reclame voor maakt. Vele mensen lezen de z.g. „horoscoop", denken dat het wel zal Moppen en leven er dan naar. Daarin zit het nu juist. Men maakt zelf zijn horoscoop kloppend. Het is goed te waarschuwen tegen „verslaving" aan zulke belachelijke reclame stunten. — Tot zover mijn deskundige briefschrijver. Natuurlijk is met deze visie nog niet 't laatste woord over dit alles gesproken. Hij benadert het verschijnsel vanuit de logische hoek. Dit is één van de vele aspecten die de zaak heeft. Daar ik die in het betreffende artikel niet vermeldde, las ik ze hierin.

Reacties op deze correspondentie zijn ook welkom; adres: Mathenesserlaan 244c, Rotterdam.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1968

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

GODGELEERDHEID EN DOOR GOD GELEERD ZIJN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 mei 1968

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's