De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET GOUDEN KALF (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET GOUDEN KALF (2)

7 minuten leestijd

„en het geschiedde, als hij aan het leger naderde, en het kalf en de reien zag, dat de toorn van Mozes ontstak en dat hij de tafelen uit zijn handen wierp en die beneden aan de berg verbrak. En hij nam dat kalf, dat zij gemaakt hadden, en verbrandde het in het vuur, en vermaalde het, totdat het klein werd, en strooide het op het water en deed het de kinderen Israels drinken. Exodus 32 vs 19 en 20.

De geschiedenis van het gouden kalf eindigt niet met die rondedans. Mozes ziet het kalf en de reien; dan ontsteekt zijn toorn. Hij vindt het in één woord verschrikkelijk wat daar gebeurt. Het volk keert God de rug toe, dat hardnekkige volk. Is dat des Heeren volk? Is dit het volk des verbonds, dat zei: Alwat de Heere gesproken heeft zullen wij doen. Nu overtreden zij zijn gebod: Geen andere goden, geen gesneden beeld. Het is alsof zij de Heere een klap in het gezicht geven. Mozes' toorn ontbrandt als een vuur dat lag te smeulen, en nu hoog opvlamt. Hij is nog de driftige man van vroeger, zeggen sommigen. Maar ik meen, dat hij de dingen door Gods ogen ziet. Dat hij zo dicht bij de Heere leefde gedurende die veertig dagen, dat de vonk van Gods toorn oversloeg in zijn ziel. Lezen wij niet: Ik heb dit volk gezien, laat Mij toe, dat mijn toorn tegen hen ontsteke en hen vertere - vs 10, . Hij is niet zozeer hevig, als wel heilig verontwaardigd. Zijn toorn ontbrandt, zoals Gods toom ontbrandt.

Onze God kan vervaarlijk toornen, mijn lezer. Zijn knechten kunnen het ook, als zijn eer wordt aangerand, zijn naam door het slijk gesleurd wordt. Wee, wie dan niet toornt. Wie dan vergoelijkende woorden spreekt, begrip opbrengt, waar toorn op zijn plaats is. Geen blinde woede, maar toorn met een ondertoon van verdriet, omdat wij zien, wat Mozes zag. Had Aaron maar getoornd, dan was het zover niet gekomen. In de prediking mag wel eens wat nagloeien van dit vuur. Het is een schande de Heere zo te behandelen, Hem aan de kant te zetten en om andere goden heen te dansen.

Mozes werpt de tafelen uit zijn handen en verplettert ze onder aan de berg. Een welsprekend gebaar. De tafelen waren beschreven met de wet des Heeren, de eigen woorden Gods, de woorden van het verbond. Hoe grievend voor de Heere, dat Israël dat verbond met de voeten treedt. Verbreekt! Daarom breekt hij de tafelen van behouwen kalksteen, zij vallen aan scherven. Het verbond viel aan scherven door de overtreding. De wet is te goed voor dit volk, zij zijn het niet waard. Ik ben de Heere uw God! Uit is het met de gemeenschap tussen de Heere en zijn volk. God zal de wraak van het verbond aan hen koelen. Mozes komt in beweging; de werkwoorden schokken door de tekst heen: ontstak in toorn, wierp, verpletterde. Dat is niet per ongeluk. dat is met opzet. De tafelen vallen aan stukken en brokken. Aan stukken en brokken viel het verbond.

Dan loopt hij midden door de legerplaats op dat gouden kalf af. Hij grijpt het, smijt het in het vuur, vermaalt en verpulvert het. Mozes maakt korte metten, en niemand die het hem verhindert. 'Het volk is door schrik bevangen, Het komt niet tot inkeer, nog niet. Maar het staat wel raar te kijken bij wat er overblijft van hun fraaie god: stof, meer niet. Moet dat hun god voorstellen? In de naam des Heeren heeft Mozes er mee afgerekend.

Ik stond er bij. Ik kan niet buiten de kring der toeschouwers blijven, nu wij dit samen zien. Ik kan niet eens toeschouwer blijven. Ik sta bij mijn andere god. Bij de god van wie ik het verwachtte, die voor mijn aangezicht ging. Het liep met dat gouden kalf slecht af, het bleek een afgod, een niet-god, een ding van niets. Ik kwam er bedrogen mee uit. Gods dienaren verbrijzelen de afgoden, het zijn beeldenstormers. Als het vuur des Heeren er over vaart, steekt niemand er een hand voor in het vuur. Hoe zullen wij ontvlieden als het onze goden zo vergaat. Het schitterende feest met het felle vuurwerk van drift en lust gaat als een nachtkaars uit. Want Ik, de Heere uw God ben een ijverig God. Hij duldt geen mededingers. Hij is het alleen, behalve Hem is er geen God. Wij zijn op Hem aangewezen, wij en onze kinderen. Zoeken wij iets anders, het zal ons niet kunnen redden. Wie wordt door dit bericht ontnuchterd? Wie belijdt schuld? Wie bekeert zich tot de levende God? Nog geldt het woord: Dat die hen maken aan hen gelijk worden en al wie op hen vertrouwt.

Mozes is nog niet aan het eind. Hij neemt krasse maatregelen. Hij strooit het stof van hun afgod in het water en dwingt de kinderen Israëls daarvan te drinken. Laat het maar diep tot hen doordringen, tot dit oppervlakkig en hardnekkig volk. Hoe smaakt het? Naar stof en as; in één woord vies. Zo krijgen ze er hun bekomst van. Het water, levensvoorwaarde nummer één is bedorven. Want het leven is bedorven, vergiftigd door de zonde en door de vloek. Vloekwater moeten zij drinken. Zij wilden de zegen niet, welnu de vloek wordt hun deel. Dat is wat, mijn lezer, drinken wat wij deden en wat wij verdienden. Niemand wil dat! Mozes dwingt hen er toe; want al te licht denken wij over de zonde en over de vloek.

Het is wel een woord boordevol vermaan. Een ontdekkend woord. Dat is ook nodig. Anders feesten wij maar door, alsof de afgoden het zijn. Het feest wordt verstoord door de man Gods, door de straffende hand Gods. Mozes komt bij God vandaan en hij brengt iets mee; dat is het. Het is ontzettend. Wij worden er door van ons stuk gebracht, wij die er nauwelijks over nadachten hoezeer wij ons bezondigen aan het verbond Gods.

Mozes komt bij God vandaan. Ik mag u niet verzwijgen dat hij, die hier Gods zaak bij het volk waarneemt, ginds de zaak van het volk bij God behartigde. Daar was hij middelaar voor. Wat een spanning, haast ondragelijk voor een mens. Mozes had voor Gods aangezicht geworsteld, om het behoud van dit volk. Hij vermurwde de Heere — zodat het Hem berouwde. Terwijl Israël God los liet, hield Mozes aan Hem vast. Dat is middelaarswerk, dat geschiedt, dat doet kracht, dat draagt vrucht. Het neemt de ernst van de zonde niet weg, integendeel. Het opent echter nieuwe mogelijkheden. Moet alles er aan, kan er niets heel blijven van wat ik mij verbeeldde, bij de Heere is nog vergeving, bij Hem is veel goedertierenheid. Bij Hem is verzoening voor de zonden, die zo aan het licht kwamen. Vergeving en verzoening, daarmee strijken wij de zonden niet glad. Daarin komen zij aan de orde, daarin krijgen ze hun volle gewicht, zwaar zijn ze, niet te tillen, niet weg te schuiven, niet uit te wissen. En voor wij van verzoening en vergeving weten, wordt het gouden kalf tot stof en as vermalen.

Drinkt dan! Ik drink er mij dood aan. Mozes drinkt niet; hij had er part noch deel aan. De middelaar van het oude verbond kan er nog buiten blijven. De middelaar van het nieuwe verbond, wiens naam in de gang van dit verhaal steeds duidelijker genoemd wordt, wil er niet buiten blijven. Vader, indien het mogelijk is, laat deze drinkbeker aan Mij voorbijgaan. De drinkbeker, vol van schuld en straf, vol van toorn. Hij had er part noch deel aan, dat staat vast. Doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt. Toen dronk Hij de beker, waarin zonde en vloek gemengd waren leeg tot op de bodem. Alle goddelozen der aarde zullen zijn droesem uitzuigende drinken. De ene rechtvaardige zet Hem aan de lippen. Wat wij moeten drinken — wij hebben het er naar gemaakt — kan ons niet redden. Dat Hij dronk dat strekt ons tot behoud. Zo wordt het nieuwe verbond, in zijn drinken tot de dood bevestigd.

Wanneer wij de beker der dankzegging, dankzeggende zegenen, wanneer wij het horen: Neemt, drinkt allen daaruit, gedenkt en gelooft dat het dierbaar bloed van onze Heere Jezus Christus vergoten is tot een volkomen verzoening voor al onze zonden, dan trillen onze handen, dan zingen onze harten. Dat is het nieuwe verbond in Zijn bloed. Het oude viel aan scherven! Dan bedachten wij onze zonde en onze vloek. Dan werd het gouden kalf, een afgod, het heeft afgedaan. Mogen wij zo het verbond vernieuwen: Geen andere goden, en deze God niet anders. Hij is een Heiland. Er is geen Heiland, behalve Hij, ik ken er geen.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1968

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

HET GOUDEN KALF (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1968

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's