De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Dordtse Leerregels

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Dordtse Leerregels

Hoofdstuk 5. — Artikel 12.

11 minuten leestijd

Doch zoverre is het vandaar, dat deze verzekerdheid der volharding de ware gelovigen hovaardig en vleselijk zorgeloos zou maken, dat zij daarentegen een ware wortel is van nederigheid, kinderlijke vreze, ware godzaligheid, lijdzaamheid in alle strijd, vurige gebeden, standvastigheid in het kruis en in de belijdenis der waarheid, mitsgaders van vaste blijdschap in God; en dat de overdenking van die weldaad hun een prikkel is tot ernstige en gedurige beoefening van dankbaarheid en goede werken; gelijk uit de getuigenissen der Schrift en de voorbeelden der heiligen blijkt.

Nederigheid.

Een christen heeft zo zijn kenmerken. Er zijn in de Heilige Schrift geen absolute beloften, die aan alle mensen, de zaligheid beloven. Wanneer het zo in de Bijbel stond, zou iedereen zichzelf de zaligheid kunnen toepassen met de sluitrede: „De zaligheid is voor alle mensen; ik ben een mens; de zaligheid is dus voor mij." Wij komen er evenmin met de andere sluitrede: Het eeuwige leven is voor alle zondaren; ik ben een zondaar, het eeuwige leven is dus voor mij. Evenmin zal het helpen als we redeneren: Christus is voor alle mensen tot zaligheid; ik ben een mens; Christus is voor mij tot zaligheid. Waarom is dit allemaal fout? Omdat het evangelie de zaligheid niet belooft aan alle mensen of aan alle zondaren. Evenmin trouwens aan alle gedoopten of aan alle kerkgangers of aan alle belijdende lidmaten. De zaligheid, het eeuwige leven, de verzoening met God of hoe men deze grote zaak verder noemen wil, wordt alleen beloofd aan de man of - vrouw. die gelooft in Jezus christus. De Schrift zegt: „De in de Zoongelooft, die heeft het eeuwige leven” Wat geburt zien, maar de toorn Gods blijft op Hem.

Als iemand dus zeker wil zijn van zijn zaligheid, moet hij er o.a. zeker van zijn, dat hij het ware geloof deelachtig is. Dat moet hij bij zichzelf vinden. Sommige theologen menen, dat er geen zekerheid der zaligheid kan zijn, als een mens op zichzelf moet zien. Ik zou het om willen keren. Zolang een zondaar de kenmerken van het ware geloof of het ware geloof zelf niet in zich waarneemt, kan hij niet zeker zijn van zijn zaligheid. Daarom zegt het Woord: „Onderzoekt uzelven, of gij in het geloof zijt, beproeft uzelven." De mens wordt dus naar zichzelf verwezen, als hij rusten wil in Christus. Hij moet weten of hij tot de wijze bouwers behoort en niet tot de dwaze. Hij moet weten of hij tot de wijze maagden behoort en niet tot de kerkmuur baten. Wat kan het als de kerkmuur er naast gegleden is en in het veenmoeras hoe langer hoe dieper wegzinkt?

Het geloof is het grote kenmerk van onze verkiezing, zegt dan ook het eerste Hoofdstuk van onze Canones in art. 12. Sommigen mogen 'graag zeggen, dat Christus de spiegel is, waarin wij onze verkiezing mogen beschouwen. Zij willen dan beweren, dat de aangeboden Christus die spiegel is. Zij zeggen zelfs dat Calvijn dit leert. Het is verre van juist. Calvijn stelt nadrukkelijk, dat niet de aangeboden, maar de aangenomen Christus de spiegel onzer verkiezing is. Het is de Christus die niet alleen aan ons is gepredikt, maar ook geopenbaard en Die door de krachtige werking des Geestes door ons is aangenomen. In III, 24, 5 lezen we: „zo hebben we een genoegzaam klaar en zeker getuigenis, dat wij in het boek des levens geschreven zijn, indien wij met Christus gemeenschap hebben. ... En zo wie in Hem gelooft wordt gezegd van de dood overgegaan te zijn in het leven. In deze zin noemt Hij Zichzelf het Brood des levens, en wie daarvan eet, zal in eeuwigheid niet sterven. Hij, zeg ik, is ons een getuige geweest, dat door de hemelse Vader voor kinderen gehouden worden allen die Hem door het geloof zullen hebben aangenomen." In 24, 8 betoogt Calvijn nadrukkelijk, dat wij onze zekerheid niet kunnen gronden op de algemene roeping van het evangelie, doch alleen uit de bijzondere roeping. Hij schrijft, „dat er tweeërlei slag van roeping is. Want daar is een algemene roeping, waarmee God, door de uiterlijke prediking des Woords alle mensen tegelijk tot zich roept... En daar is ook een bijzondere roeping waardoor Hij gemeenlijk alleen de gelovigen verwaardigt te roepen, wanneer Hij door de inwendige verlichting van Zijn Geest teweegbrengt, dat het gepredikte woord in hun harten vast beklijft... zo zijn er dan weinig uitverkoren uit het grote getal dergenen, die geroepen zijn, doch niet met die roeping uit 'dewelke wij zeggen, dat de gelovigen moeten oordelen van hun verkiezing." Het zijn dus alleen de ware gelovigen, die op grond van hun geloof, in Christus de spiegel mogen zien van hun verkiezing. Nog eens, dat is het grote kenmerk voor de heilszekerheid. Ook het geloof heeft zijn kenmerken. Daarvan staan er enkele in ons artikel 12. Het eerstgenoemde is de nederigheid. Uit de zekerheid des geloofs wordt zij geboren. Wie roemen mag in de volharding der heiligen is nederig van hart. Hoe is het verband? Mij dunkt, dat is wel aan te wijzen. Wat is een gelovige? Dat is iemand, die van zichzelf alle kwaad weet en vastelijk gelooft, dat hij de grootste der zondaren is. Maar nu moeten we even oppassen. Vele mensen weten niet wat zonde is. Zij denken, dat het een overtreding is van geschreven of ongeschreven wetten zonder meer.

In de huidige beschaving is een ernstig zondebewustzijn, zoals dat in de zestiende en zeventiende eeuw wel voor kwam een uitzonderlijke zaak. Natuurlijk weet iedereen, dat hij of zij „verkeerde" dingen doet. Zonde is echter een houding, een daad tegen God. David zei: Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd." Dit is het, wat wij alleen bij uitzondering weten. Daar is voorts een verwisseling bij sommigen van zonde en algemene zondigheid. Dat we allemaal zondig zijn, weet ieder. Maar dat ik persoonlijk helemaal slecht ben, tot in merg en been, dat leert de H. Geest. Daar zijn best nog mensen, die aan één of twee zonden schuldig zijn, zover zij weten. Maar Gods volk heeft alle mogelijke zonden begaan. Zonde kennen betekent: ik ben zo slecht geworden, dat er, de duivel uitgezonderd, geen ongelukkiger schepsel is dan ik; ik ben gezonken tot beneden het dier. Daarom zuchtte David: Want ik gevoel de grootheid van mijn kwaad." De algemene zondigheid is niet de oorzaak van de klacht van Paulus: k ben van de zondaren de voornaamste. Zonde kennen betekent, dat men weet: ik ben persoonlijk en moedwillig aan God ongehoorzaam geweest, ik heb maar raak gedaan, ik wilde niet luisteren, ik heb Gods genade verspeeld en zijn toorn en gramschap opgeroepen, ik moet er mee rekenen, dat God mij zal verwerpen. En toch gelooft een gelovige, dat hij eeuwig zal leven. Maar dat is dan doordat Christus Jezus de straf heeft gedragen. Wat een vernederende zaak. Daarom zal men bij een waar gelovige alleen maar een heel lage gedachte over zichzelf aantreffen. Deze gedachte wordt nog versterkt, door de leer der volharding. Deze leer behelst immers, dat alleen God ons kan bewaren voor afdwalen. Wij kunnen tot God niet komen, doch ook niet bij Hem blijven. De zalig­heid is alleen.Gods werk. Hoe verder iemand komt op de weg der zaligheid, hoe meer hij een ellendig en arm mens wordt, ziende op zichzelf. Die nederigheid of ootmoed heeft in de H. Schrift een vooraanstaande plaats. Het is reeds van daaruit begrijpelijk, dat Calvijn de ootmoed het eerste, het tweede en het derde stuk van de christelijke godsdienst zou willen noemen. Daar is reden voor, want wij staan alleen door de barmhartigheid Gods. In ons zelf zijn we enkel kwaad. De ware nederigheid bezit de man, die niets goeds in zichzelf vindt. Calvijn schrijft in Inst. III, 12, 6: Want ik noem dit geen nederigheid of ootmoed, als wij menen, dat er nog iets goeds in ons over is." .. . Bedenk immers, dat gij geen toegang hebt tot de zaligheid, tenzij ge alle grootsheid aflegt. Wat is een ongeveinsde vernedering? Dat men door een ernstig gevoel van zijn ellende en gebreken verslagen is. Het hart is immers niet open om Gods barmhartigheid te ontvangen, tenzij het geheel en al leeg is van alle waan van eigen waardigheid. De volharding der heiligen is een uitvloeisel van de onwankelbare verkiezing. De verkiezing heeft tot gevolg, dat Gods Geest in de harten der uitverkorenen de nederigheid werkt en aan de nederigen schenkt God genade. Waarin komt de nederigheid uit? In een eerlijke schuldbelijdenis en in een vragen: Heere, leer mij uw weg. God is de God der nederigen. In Jes. 66 : 2 lezen we: Op dezen zal Ik zien, op dg arme en verslagene van geest en die voor mijn Woord beeft." De nederigheid vinden we bij de tollenaar uit de gelijkenis in Lucas 18. Daar lezen we: Die zichzelf vernedert zal verhoogd worden." Van zich vernederen wordt ook gesproken in Matth. 18 : 4: Zo wie dan zichzelf zal vernederen gelijk dit kindeke, deze is de meeste in 't Koninkrijk der hemelen." Als een kind worden d.i. zich geheel aan de Heere toevertrouwen en alles van Hem, maar niets van zichzelf verwachten.

Nederigheid is ook meer dan een houding, een gevoel. Jezus sprak volgens Matth. 11 : 29 de woorden: Neemt mijn juk op u en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen." Wat is het juk van Jezus? Ik zou zeggen: dat is het omgekeerde van het juk der Farizeeën. Dat juk maakte het leven van de wetsgetrouwe Israëliet moeilijk vanwege de veelheid der voorgeschreven, uitwendige plichten; maar bovenal gaf zij de mensen innerlijk geen rust, omdat zij hen een eigengerechtigheid leerde oprichten, en hun alzo de zekerheid des heils ontnam. Het juk van Jezus echter gaf hem eerst de gerechtigheid en dan bleef alleen over om de geboden te houden uit dankbaarheid. In dit verband noemt de Heiland zich nederig. Dit ziet wel op zijn overgegevenheid aan God. De zaligmaker is gehoorzaam geworden tot de dood, ja de dood des kruises. Jezus was bereid zijn kruis te dragen, zichzelf te verloochenen. Hij doet alles zelf, wat Hij van anderen vraagt en wat de Vader Hem oplegt. Jezus noemt zich: nederig van hart. Hij is dus niet gedwongen nederig. Hij is niet gedwongen aan God overgegeven, maar Hij handelt in vrijheid en stemt de weg des Vaders met Hem van harte toe. Daarnaast is Hij ook nederig tegenover de mensen. Hij is hun Dienaar en Helper. „Gelijk de Zoon des mensen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen, en zijn ziel te geven tot een rantsoen voor velen" Mt:20 : 28. Daarom wordt de Heiland zachtmoedig genoemd. Hij begeeft zich in de gemeenschap van de zondaren en de verachte mensen. Het spreekt vanzelf, dat de nederigheid niet vanzelf in de gelovige ontluikt en tot wasdom komt. Daar moet de uitverkorene z'n best voor doen om nederig te worden en te blijven. We lezen dan ook in 1 Petr. 5:6: Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te zijner tijd.”

Wat is deze vernedering? Zij bestaat daarin, dat de mens al Zijn vertrouwen op de genade Gods zet, die zorgt voor allen, die zich aan Hem onderwerpen. Hetzelfde vinden we in Jacobus 4. Daar lezen we: „God wederstaat de hovaardigen, maar de nederigen geeft Hij genade. Zo onderwerpt u dan Gode; wederstaat de duivel en hij zal van u vlieden . .. Vernedert u voor de Heere en Hij zal u verhogen.”

Dus de vrucht der verkiezing en van de volharding is, dat de gelovigen hun nietigheid leren verstaan en voor God buigen. Dit laatste is de ware nederigheid. Het gaat niet vanzelf, zou ik zeggen. Wij zijn van nature allen hoogmoedig. Maar als iemand weten wil of de Geest Gods in hem werkt, mag hij zeker dit kenteken wel in het oog houden of hij telkens weer tot vernedering gebracht wordt. In Fil. 2 : 3 wordt dit aan gedrongen met de woorden: Maar door ootmoedigheid achte de een de ander uitnemender dan zichzelf.”

Wij besluiten met de vermaning uit 1 Petrus 5 : 5: Desgelijks gij jongen, zijt de ouderen onderdanig; en zijt allen elkander onderdanig; zijt met de ootmoedigheid bekleed." De nederigheid is een kenmerk van de ware gelovige.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1968

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

De Dordtse Leerregels

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1968

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's