UIT DE PERS
Verscherpte tegenstellingen.
De modaliteiten-theorie heeft haar tijd gehad. De negentiende eeuwse verhoudingen met zijn scherpe tegenstelling tussen vrijzinnigen en de mensen van de nachtschool keren weer terug.
De strijd tussen orthodoxie en vrijzinnigheid neemt weer scherpe vormen aan. Theologisch en kerkelijk gaan wij moeilijke tijden tegemoet. Aldus prof. dr. G. C. van Niftrik in een artikel in het Herv. Weekblad (uitgave Veenman) van 20 juni.
De Amsterdamse hoogleraar schrijft dit naar aanleiding van een fel verweerschrift van de Duitse theoloog Ernst Kasemann tegen de belijdenis beweging „Kein anderes Evangelium". In dit verband brengt Van Niftrik ook de Open Brief van de 24 predikanten ter sprake, het boekje van dr. Aalders, Theologie der verontrusting en 't openingswoord van ds. Boer op de jaarvergadering van de Geref. Bond van mei j.l. Van Niftrik schrijft in dit verband:
Men houdt zijn hart vast, wanneer men in en door het geschrift van Kasemann bespeurt met welk een felheid en hartstocht in Duitsland de strijd gestreden wordt. Zouden we dat in ons land ook krijgen? Men kan alleen maar hopen en bidden, dat zulks niet het geval zal zijn. Zulk een vreselijke, tot wanhoop stemmende strijd is alleen te vermijden, wanneer het in ons land komt tot een krachtig en waarachtig geestelijk réveil. Ik ben het op mijn beurt met dr. Aalders en ds. G. Boer eens, wanneer zij erop aandringen, dat wij om zulk een réveil moeten bidden en erop moeten hopen. Er is een inzinking, een gegeneerdheid, een moedeloosheid ook en vooral in orthodoxe kringen, die alleen door een krachtig réveil overwonnen kunnen worden. Zoals het nu is, bespeur ik telkens de stemming van: er is toch niets tegen te doen; onze eigen leidslieden zijn onzeker geworden; iedereen schijnt er helemaal of half van overtuigd te zijn, dat God dood is en dat onze kerkdiensten, ons gebed, onze cultus en het vragen naar het heil der ziel en naar het hiernamaals geen zin meer hebben! Ds. G. Boer herinnert in dit verband aan het gebed van koning Josafat, toen de Moabieten en Ammonieten tegen Juda ten strijde trokken: Wij immers zijn niet opgewassen tegen deze grote menigte die tegen ons is opgerukt, en wij weten niet, wat wij moeten doen" (2 Kron. 20 : 12). Ondertussen voegde Josafat hieraan toe: ; maar op U zijn onze ogen gevestigd". Daarop komt alles aan. Wat verwachten wij van God? Zien wij naar Hèm uit?
Als prof. Kasemann dit artikel onder ogen zou krijgen, zou hij verontwaardigd uitroepen, dat het beroep op 2 Kron. 20 helemaal niet deugt. Immers, de „grote menigte" is niet aan de kant van de huidige modernen, maar aan de kant van de zich belaagd voelende orthodoxen. Volgens hem zijn niet de orthodoxen de belaagden, maar de neo-modernen. „Het wordt een mens in het beroep van theoloog tegenwoordig niet bespaard telkens weer bitter te worden, omdat men gif en gal te slikken krijgt" (blz. 56). Op welk een toon thans in Duitsland het debat gevoerd wórdt, kan uit het volgende citaat duidelijk worden, waarbij 'dan tevens blijken kan waarom ik hoop en bid, dat zulk een strijd ons in Nederland bespaard moge blijven. Kasemann schrijft over de leiders van de belijdenisbeweging, die de bestrijding van de theologie van Bultmann ten doel stelt, te weten de heren Künneth, Bergmann, Bodenberg, Deitenlek, Baumer enz., dat zij als oerchristelijk rondtrekkende zendelingen propaganda drijven, „op verbazingwekkende wijze nevels doen ontstaan waar zij gezien het klimaat niet te verwachten zijn, bij hun toehoorders rillingen teweeg brengen, ongetwijfeld met goed, maar toch zeer verhard geweten, rillingen, die mij bij de lectuur van him geschriften eveneens overvallen, maar dan natuurlijk door andere oorzaken. Helaas kan ik mijn toom niet onderdrukken, wanneer ifc van de heer Künneth hoor, dat wij erger zijn dan de Duitse christenen (in de tijd van Hitler). Op die manier kan men de mensen als eens in het circus van Epheze tot razernij brengen en kan men ook een nieuwe inquisitie invoeren waarbij men de aangeklaagden nauwkeurig verhoort, of zij de ganse wet en het totaal der christelijke dogmatiek tot in de kleinste bijzonderheid willen aannemen en 'houden. Wij echter wachten er nog steeds op, dat zij zelf nu eens het bewijs des geestes en der kracht leveren. Dat bewijs zijn zij ons voorlopig geheel en al schuldig gebleven” (p. 15v).
Moet het nu zó? heeft Tilanus vele jaren geleden in de Tweede Kamer eens gevraagd. Wij herhalen die vraag thans. Moet het nu zó? Zó moet hst in ieder geval in ons land niet gaan. Maar om billijk te blijven moet ik er wel bij zegden, dat de belijdenisbeweging in Duitsland nu ook niet bepaald zoete broodjes bakt en het schennen met grote woorden waarlijk niet schuwt, zodat de belijdenisbeweging reden heeft om te zeggen: „ze mogen me niet, maar wij maken het er naar!”
Positiebepaling.
Maar het is prof. van Niftrik niet te doen om een weergave alleen. Hij stelt de vraag „Wat hebben we te doen? Moeten we, zo zegt hij tegenover Kasemann etc. kiezen voor „Kein anderes Evangelium", de Open Brief en dr. Aalders?
We citeren nogmaals van Niftrik:
De Confessionele Vereniging weet zich geestelijk, kerkelijk en theologisch (de volgorde van deze bijwoorden is zorgvuldig overwogen) op het nauwst met de Open Brief, de Vierentwintig, Aalders en Boer verbonden. Waar het dezen allen om gaat — daar gaat het ook ons om. Wij willen een kerk, die zich het Evangelie van Christus niet schaamt; die trouw is aan de belijdenis der vaderen; die nog durft te spreken over het gebed, over hemel en hel, over verkiezing en verwerping, en die nog met vrijmoedigheid eredienst in stand houdt. Wij willen ook de presbyteriale-synodale kerkvorm vasthouden (over de brochure van ds. Boer en ds. Exalto zal ik in de Kroniek van het julinummer van Kerk en Theologie schrijven). Over al deze dingen behoeft geen misverstand te bestaan. Dus: vóór de Open Brief en tégen „Driebergen", eventueel „Den Haag", de steeds machtiger wordende „Raden"? Ik ben ervan overtuigd, dat de Confessionele Vereniging er goed aan zal doen haar eigen koers te blijven varen en zich kritisch op te stellen naar beide kanten, daardoor niet de verwarring vergrotende, maar een bijdrage leverend in de doorbreking van verstarde fronten.
Kritisch naar belde kanten! Wat er vanuit ons gezichtspunt te zeggen valt over de theologie van de Vierentwintig heeft dr. H. J. Langman in een bespreking van Aalders' Theologie der verontrusting in „Trouw" van 8 juni 1968 zó voortreffelijk geformuleerd en uiteengezet, dat ik er hier geen woord meer aan toe te voegen heb. Wat wij tegen de gang van zaken in onze Hervormde Kerk hebben, komt bijna wekelijks tot uitdrukking in de artikelen van onze eind-redacteur en prof. Van Itterzon. Er is bij ons véél kritiek op „Driebergen" en op de heersende apostolaatstheologie, die er meer op uit is goede vrienden 'te blijven met de sociologie dan met het dogma der kerk. Toch erkennen wij het Anliegen, de intentie, de bedoeling van de apostolaatstheologie als poging om het Evangelie te vertalen, relevant te maken voor de moderne mens, als poging om het moderne leven, de structuren van maatschappij en politiek vanuit het Evangelie te doorlichten. Dart alles moet noodzakelijkerwijs een experimenteel karakter hebben, waarbij stellig fouten zullen worden gemaakt. Maar beter een mislukt experiment, dan géén experiment. Bij het lezen van het boek van Aalders krijg ik het ongelukkige gevoel, dat hij zichzelf en de kerk (om een bittere uitdrukking van Kasemann te gebruiken) vrijwillig aan een religieuze natuurbescherming onderwerpt (p. 83).
Onze positie is niet gemakkelijk. Wij zijn immers niet naar beide zijden op dezelfde wijze kritisch. Er kan helaas geen evenwicht zijn in onze kritiek. Met Aalders en Boer staan wij op dezelfde bodem van geloof, dogma en belijdenis. Dat kan men zó vrijmoedig naar de andere zijde niet herhalen. Ik wil geen theologie en dogmatiek, die tot hermeneutiek in de huidige zin wordt en ik wil nog minder een door de sociologie overwoekerde theologie.
Maar ik wil óók geen introverte, naar binnen gekeerde kerkelijkheid, waardoor de kerk in onze tijd tot een religieus natuurreservaat dreigt te worden.
Prof. van Niftrik wil naar beide kanten luisteren. Er kan een moment van positiebepaling komen en van keuze, maar dat moment is er nu nog niet. Nu hebben we de waarheidselementen van beide zijden (Kasemann en Aalders) te honoreren.
Het moet ons van het hart dat dit ons nog iets te uitgebalanceerd is. Natuurlijk, wij zullen in elk gesprek moeten blijven luisteren. Maar men kan de keuze niet uitstellen. Men kan niet de waarheidselementen van de een optellen bij de waarheidselementen van de ander. Prof. van Niftrik wil niet de kool en de geit sparen. Zijn kritiek op de modernisten is vaak fel en ter zake. Maar staan hij en wij toch niet telkens voor de keus tussen een theologie die zijn uitgangspunt kiest in de moderne situatie en een spreken en handelen vanuit de volheid van de Schrift?
Natuurlijk betekent dat niet dat men t.a.v. de Open Brief schrijvers geen kritiek zou mogen hebben. Zij vragen zelf om dit gesprek en deze doordenking. Maar bepalend is: Wil prof. van Niftrik de koers gaan die zij wijzen? Dat is todh een vorm van keuze waar niemand onder uit komt. Kritiek op eventuele eenzijdigheden kan toch samen gaan met een dergelijke positiekeuze. Want in het geding is niet de vraag of de heersende apostolaatstheologie waarheidselementen in zich bergt, maar of haar vooronderstellingen naar de Schrift en naar de confessie zijn. En dat laatste vraagt een duidelijk antwoord en een duidelijke keuze.
Prof. van Itterzon over de nieuwe gemeentestructuren.
Graag willen we in dit persoverzicht het woord geven aan prof. van Itterzon, die in hetzelfde blad in het nummer van 6 juni inging op de in ons blad breed aan de orde gestelde kwestie van de pastorale herindeling van het platteland. Nadat de Utrechtse hoogleraar de standpunten geschetst heeft, geeft hij in een aantal punten een beoordeling. Ondermeer heeft hij groot bezwaar tegen de wijze waarop een en ander door ds. Kapteyn en anderen aan de orde gesteld is.
Ik neem aan, dat men werkelijk aan de praat heeft willen komen en dus een praatstuk heeft opgesteld. Maar de vraag mag worden gesteld, of raden en commissies geroepen zijn om uitgerekend stukken van episcopale strekking aan de classicale vertegenwoordigers voor te leggen. Dat is dynamiet onder de kerkorde. Wil men dit, laat men het zeggen. Als het maar niet gebeurt onder de schijn van presbyteriale beweegredenen. Ik zeg hiermede niet, dat men dit met opzet heeft gedaan, maar wel, dat, als een en ander per ongeluk is geschied, de betreffende figuren weinig inzicht in het geldende kerkrecht aan de dag hebben gelegd.
Maar prof. van Itterzon heeft nog meer bezwaren. Hij tekent verzet aan tegen de poging tot centralisering.
Bij de invoering van de kerkorde werd alles op de kaart van de éénmansgemeente gezet. De kerkorde moest van a tot z worden omgewerkt (toen ze al klaar was!!), om de buiteling te maken van centralisatie naar decentralisatie. Dat is men toch nu al niet weer vergeten? We zijn nog geen 20 jaar verder en nu moeten we weer terug buitelen. Naar de meermansgemeente, de centrale gemeente met teams en commissies van allerlei aard. Alles op weg naar de „nieuwe stijl". Mag ik met de nodige vrijmoedigheid een opmerking maken, die ik vroeger in ander verband ook eens heb gelanceerd? In de 19de eeuw waren er predikanten, die uit de hoogte neerzagen op anderen, die hun tijd niet verstonden. Immers zijzelf, en zij alleen, en zij bij uitstek kenden de problemen en spraken de taal van hun tijd. Het merkwaardige was echter, dat iedereen kon vaststellen dat het kerkbezoek bij deze predikanten, die zo goed bekend waren met de culturele behoeften van hun dagen, sterk terugliep. Bij velen was het zelfs uiterst miniem. Wij zouden, op zijn 19de-eeuws, ook nu nog kunnen neerzien op de mensen van (wat men toen noemde) „de nachtschuit". Wie helpt ons aan een statistiek van het kerkbezoek van onze predikanten? Die zou voor ons doel wel licht leerzaam zijn.
We begrijpen dat de Utrechtse kerkhistoricus klaarheid wenst. Daar heeft de kerk, daar hebben de gemeenten recht op. Gaat het aan om tijdelijke maatregelen in noodsituaties te legaliseren? Om nogmaals prof. van Itterzon te citeren:
Zou het niet goed zijn, als midden juni, wanneer beide „partijen" een en ander nog eens rustig hebben overdacht, „klare wijn" zou worden geschonken? Toen in Noord-Holland de zaken fout gingen, sprak het vanzelf, dat In de noodsituatie aldaar de nodige maatregelen werden getroffen. Ds. Klein Wassink heeft daar voortreffelijk werk gedaan. Niemand heeft zich over hem beklaagd. In Groningen, waar de moeilijkheden zich hier en daar ook voordeden, hebben, naar ik hoorde, flinke studenten de handen uit de mouw gestoken en zich uitstekend geweerd. Ze pakten het werk op frisse, jeugdige wijze aan. Niemand zal het enig PKV mogen euvel duiden, als in noodsituaties de vereiste voorzieningen worden getroffen. Maar dan als tijdelijke maatregelen. Op hoop van betere tijden en in presbyteriaal verband. Mocht Voorne en Putten zulk een probleemgebied zijn (ik heb daar geen deskundig oordeel over), dan zou het PKV daar eens serieus met de gemeenten moeten praten. Maar of het tijdsgewricht nu meebrengt, dat letterlijk heel onze Hervormde kerk ondersteboven wordt gekeerd, en dat bloeiende gemeenten in een chaotische verwarring worden gebracht, en dit terwijl men nu al weet, dat er grote weerstanden zullen komen, komt me dubieus voor. Sterker nog: onverantwoord.
Ten slotte: Als het grondvlak van onze kerk volgens het rapport kennelijk zo veel kleiner wordt, het aantal predikantsplaatsen terugloopt, de kerken op vele plaatsen moeten worden gesloten en veel pastorieën geen predikantsgezin meer kunnen herbergen, verdient het overweging om ook het aantal predikantsplaatsen aan de top, in raden en commissies, dus in algemene dienst, te laten teruglopen. Anders wordt onze kerk topzwaar en stort ze straks ineen vanwege de drukkende last „in de hoogte". Wellicht komt dit ook bij het praatstuk ter sprake. Want het een hangt met het ander samen. Dat hebben we van Hoedemaker geleerd en is nog altijd waar.
De aanvallen op de presbyteriale structuren van de gemeenten zijn niet gering. Het zal van gemeenteleden en ambtsdragers veel studie vragen om een en ander te doordenken. Willen we niet het verwijt op ons laden dat we oude posities klakkeloos herhalen, dan zullen we hebben te graven in de Schrift. Daar vinden we de grondpatronen voor het gemeente-zijn. Die structuren zijn, bij 0.1 wat verandert, normatief.
En elke bezinning op de structuren van de gemeente, die hiermee niet wil rekenen is bij voorbaat uitzichtloos. Het gezag van de Schrift is ook bepalend ivoor de wijze waarop we over de gemeente spreken en hoe we haar in dit tijdsgewricht zien.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juli 1968
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juli 1968
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's