HET AVONDMAALSFORMULIER
VERVOLGARTIKEL NUMMER 11
Samenstelling en inhoud.
De leerstellige, warm gestelde onderwijzing van het formulier maakt nu dus plaats voor het liturgisch doel.
Men kan daarin ook weer drie onderdelen onderscheiden: Ie hetgeen aan de eigenlijke viering van het Avondmaal voorafgaat (gebed en opwekking om onze gedachten op de verhoogde Christus te richten, Die Zelf Zijn gemeente spijst en laaft); 2e de viering van het Avondmaal zelf, met gebruik van de inzettingswoorden, en enige sobere aanwijzingen omtrent dat wat past bij de Avondmaalviering b.v. Schriftlezing en Psalmgezang; 3e een dankzeggende overdenking uitlopende op een hartelijk dankgebed.
Het is passend, dat de Avondmaalsbediening aanvangt met gebed, al kan men verschillen wat betreft het ogenblik waarop de gemeente daartoe opgeroepen wordt.
Het valt ons telkens op, hoe onze Vaderen de juiste woorden wisten te vinden, om zonder opsmuk en zonder platvloerse nuchterheid uit te drukken, waar het om gaat.
Het gebed wordt met een enkele zin ingeleid. Daarin wordt onze afhankelijkheid beleden. Wij brengen de geestelijke gaven niet mede, maar verheffen onze harten tot God, opdat wij dit alles mogen verkrijgen. „Dit alles" d.i. dus het in-leven in datgene, wat de Here Jezus Christus op Golgotha deed en leed, de versterking van het leven des geloofs, de gemeenschapsoefening met de verhoogde levende Christus, de versterking van het leven des geloofs, de versterking ook van de onderlinge band der liefde, om enkele hoofdzaken te noemen. Dat alles moet ons telkens opnieuw geschonken worden zuilen wij het verkrijgen.
Dat afsmeken vraagt verootmoediging. Wij komen daar nooit anders dan als Zondaren, die tegen de Gastheer zwaar en menigmaal hebben misdreven, ook in de tijd, die weer aan dit Avondmaal voorafging.
Dit gebed vraagt ook een waarachtig geloof. Wie tot God komt moet geloven, dat Hij is en een Beloner is dergenen, die Hem zoeken. Dat geloof kan een aangevochten geloof zijn. Daarover heeft het formulier al gesproken. Maar het moet wel een zaak van ons hart zijn.
En tenslotte is datgene, wat wij komen vragen „genade". Dat klopt met de ootmoed waarvan gesproken is. Maar dat is het ook wat vrijmoedigheid geeft. Wij komen als schuldigen met lege handen.
Het gebed zelf munt uit door grote schoonheid van uitdrukking, warmte van toon en oprecht geloofsvertrouwen.
De schoonheid van uitdrukking wil ik even onderstrepen door te wijzen op het gebruik van de bijvoegelijke naamwoorden. Ik denk h.v. aan het tussen haakjes staande zinnetje: „Waarin wij oefenen de heerlijke gedachtenis van de bittere dood van Uw lieve Zoon Jezus Christus". De onderstreepte woorden zijn zo juist getroffen.
De aanspraak waarmede de gemeente zich tot God richt is vertrouwend en teer: „barmhartige God en Vader". En, hoewel Christus in het middelpunt staat (het gaat immers om Zijn gedachtenis en de verkondiging van Zijn dood), belijdt de gemeente, dat het de Heilige Geest is. Die het geloof werkt en Die bewerkt, dat wij ons met waarachtig vertrouwen aan de Zoon, de Here Jezus Christus hoe langer hoe meer overgeven. In dat ‘hoe langer hoe meer' zit de noodzaak van de groei en de versterking van het gebrekkige geloofsleven opgesloten. Maar de Heilige Geest richt dat geloofsvertrouwen niet op Zichzelf, maar op de enige en volkomen Zaligmaker van verloren zondaren, Jezus Christus. Die Heilige Geest gebruikt daartoe de genademiddelen (Heid. Cat. Zondag 25 v.v.); al blijft de wijze waarop de Geest werkt een mysterie, waarvan de Here het geheim aan Zichzelf houdt. Hij geeft alleen de zekerheid, dat Hij niet vergeefs laat vragen om de Heilige Geest. Op die werking des Heilige Geestes in het Avondmaal wordt in dit gebed nog eenmaal teruggekomen. Het is immers ook weer diezelfde Geest, Die door Zijn kracht de gemeente spijst en laaft met het waarachtige hemelse brood. Maar al weer: het is Christus, op Wie het vertrouwen gericht wordt, en het is ook Christus met Wie onze harten gespijzigd worden. Hij is het enige hemelse brood.
Het formulier is niet de plaats voor polemiek en het gebed allerminst. Maar het is wel duidelijk, dat in de formulering de overtuiging meespreekt, dat niet de Rooms-katholieke en de Lutherse opvatting ons het rechte spoor wijzen, die onze aandacht concentreren op iets, wat met de lichamelijke mond gegeten of gedronken wordt. Anderzijds gaat hetgeen hier afgesmeekt wordt de Zwingliaanse herdenking verre te boven. Er is hier inderdaad een spijziging. Maar niet met iets materieels. Doch met Christus Zelf. En wel de ganse Christus. Het geloof ontvangt Hem geheel, als waarachtig God en als waarachtig mens. Waarbij met name Zijn waarachtig lichaam en bloed genoemd worden, omdat Christus daarin het offer der verzoening volbracht heeft, daarin aan de rechterhand Gods zit en voor Zijn gemeente bidt en daarin ook het Hoofd is van die nieuwe mensheid, die Hij door Zijn Woord en Geest tot Zijn gemeente. Zijn lichaam vergadert. Die eenheidsgedachte van Christus en Zijn gemeente speelt in de Gereformeerde en speciaal in de Calvinistische Avondmaalsopvatting een grote rol.
Maar het gaat hier niet om een dogmatische uiteenzetting, al ligt er een bepaalde overtuiging achter. Het is een gebed. Voor de maaltijd. Voor onze dagelijkse maaltijden vragen wij, dat God de spijze zegenen wil. We moeten ze a.h.w. door Zijn zegenende hand altijd weer ontvangen. Nu vraagt de gemeente ook: „Here, zegen deze spijze. Schenk ze ons, en geef dat wij er door gesterkt worden". Het element van de versterking des geloofs neemt bij deze gedachtenis van de dood des Heren dus een zeer belangrijke plaats in. Dit is in overeenstemming met onze belijdenis. (Heid. Cat. Zondag 25-30).
Wanneer het geloof door de spijze Christus Zelf, gesterkt wordt, gaat er kracht van deze spijze uit. De versterkende middelen geven weerstand tegen de gifwerking van zonde en ongeloof. Die sterkende kracht blijft echter altijd verbonden aan de persoon van de Here Jezus. „Dat wij niet meer in onze zonden leven", vindt zijn wortel in de wondere werkelijkheid, dat ‘Hij in ons' en ‘wij in Hem leven’.
Verder treden ook weer grote verbanden, waarin God Zijn heil heeft beschikt op de voorgrond, doordat ook hier gezien wordt op het nieuwe en eeuwige Testament en Verbond der genade. Alle bijzondere vertroostingen, alle, om zo te zeggen, losse, incidentele weldaden, naar de behoefte van het ogenblik, zijn niet „los", maar behoren tot de rijke schat van het genadeverbond.
In het geheel van de gedachte van de versterking des, geloofs, past ook de bede: „dat wij niet twijfelen, of Gij zult eeuwig onze genadige Vader zijn". Daarin zit de belijdenis van de strijd en de gebrekkigheid des geloofs. De twijfel kan nog zo menigmaal ons uitzicht belemmeren, onze kracht verzwakken, onze vreugde doven, onze wandel vertragen. Wanneer wij op onszelf zien is dit voorwaar geen wonder. Het is ook zo oneindig groot in God een genadige Vader te hebben. Meer heeft een mens niet nodig in leven en in sterven. Het gebed uit ons Avondmaalsformulier gaat ook hier niet in een Christomonistische richting maar ziet op de God en Vader van onze Here Jezus Christus. Van Hem gaat de vergeving uit, al is het Christus, Die door Zijn zoenoffer die vergeving voor Zijn gemeente verworven heeft. Die Vader, Die daartoe Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, zal met Hem nu ook alle dingen schenken en al Zijn gelovigen met alle dingen aan lichaam en ziel verzorgen als Zijn lieve kinderen en erfgenamen. Daar vraagt dit gebed dan ook om, ziende op Christus en op de beloften Gods, die in Hem ja en amen zijn.
Tenslotte worden in een aantal korte dringende zinsdelen dingen van God gevraagd, die betrekking hebben op het moeilijke 'leven van de strijdende kerk hier beneden en op het uitzicht op de heerlijkheid, waarheen die kerk op weg is. Die kerk is op aarde een kerk onder het kruis. Dat wil niet zeggen, dat zij altijd onder zware vervolgingen door moet. Zij weet ook van „een stil en gerust leven", al is het dan „in alle godzaligheid en eerbaarheid" (1 Tim. 2:2). Maar er is een onvermijdelijk kruis van binnen in de strijd van ‘vlees' en ‘geest', van de oude en de nieuwe mens; de strijd, die voortvloeit uit 'het feit, dat de mens, die in Christus is, door Zijn kracht met Hem 'gekruisigd wordt en met Hem opstaat in een nieuw leven. Hierbij komt een principiële „vreemdelingschap", het deelhebben aan de moeiten en het verdriet van het leven en soms inderdaad de felle uitbarstingen van haat en spot. De kerk bidt dat kruis niet tot elke prijs af, maar vraagt .nochtans getroost' haar weg te mogen gaan.
Daarbij behoort het verloochenen van zichzelf en het belijden van de Here Jezus. In het formulier staat met warmte: „onze Heiland belijden”.
Dat alles te doen is genade. Vandaar: verleen ons ook Uw genade . . ." Door diezelfde genade alleen kan de christen het verre, hoge einddoel zich voor ogen stellen als een hoop, die alle leed verzacht. Hier richten de harten zich niet alleen op die Christus, Die eenmaal Zichzelf ten offer gaf. Ook niet alleen op Hem, Die van Zijn heerlijkheid uit gemeenschap oefent met de Zijnen. Maar nu ook op Hem, Die beloofd heeft weder te komen. Waar die verwachting is, wordt het hoofd een „opgeheven" hoofd. Die verwachting heeft niet alleen betrekking op de zaligheid van onze zielen, maar uitdrukkelijk wordt er aan verbonden de hoop op de Wederopstanding des vleses. Daar komen allerlei woorden o.a. uit 1 Cor. 15 ons te binnen. Het perspectief wijst naar een eeuwig bij de Here wezen (1 Thess. 4 : 17). Daarmede heeft het gebed Zijn hoogtepunt bereikt, een hoogtepunt, waarbij wij met schaamte belijden, dat ons geloofsleven menigmaal zo ver beneden dit niveau ligt.
Nu wordt alleen nog gevraagd om de verhoring van dit bidden. Het wordt gevraagd aan die God, Die Zich geopenbaard heeft als een barmhartig Vader. De pleitgrond wordt alleen gevonden in de Here Jezus Christus, Die Zijn discipelen Zelf geleerd heeft te bidden. Het gebed, dat Jezus hun gaf, hebben onze Vaderen ook in hun formuliergebeden opgenomen, al zouden zij niet gewild hebben, dat het als een „pater noster" eindeloos en gedachteloos zou worden herhaald. Het is de hoge en beschamende maatstaf voor onze gebedspraktijk. Niet éénmaal wordt gevraagd: „geef mij". Als het om ons mensen gaat, dan nog in het meervoud: ons. Maar voorafgaande aan onze lichamelijke en geestelijke nooddruft een drietal beden, waarin het rechtstreeks gaat om de Here Zelf, Zijn Naam, Zijn Koninkrijk, Zijn Wil.
En dan komt nog eenmaal het aspect van de versterking des geloofs naar voren.
Sommige predikanten zijn geneigd om achter het „Onze Vader" amen te zeggen en hetgeen dan nog volgt, ondanks de inleidende gebedsvorm, met open ogen uit te spreken.
Klaarblijkelijk ten onrechte. „Wil ons ook door dit H. Avondmaal sterken" kan alleen tot God gezegd worden. Hier blijkt dus weer hoe sterk het motief van de versterking des geloofs voor de opsteller van het formulier geweest is. En bij dat geloof waarvan de versterking afgebeden wordt, gaan de gedachten niet alleen naar één of andere persoonlijke nooddruft van het ogenblik. Maar het gaat om het geloof en zijn gehele voorwerp. Ik denk hierbij aan zondag 7, waarin de vraag gesteld wordt: wat is een christen nodig te geloven. Het antwoord luidt: al wat ons God in het Evangelie beloofd heeft, hetgeen de artikelen van ons algemeen christelijk geloof ons in een hoofdstuk leren. En dan gaat het eigenlijk slechts om één artikel: ik geloof in God. „Ik vertrouw op Hem geheel en al, de Heer' Wiens werk ik roemen zal". Van Hem en van Zijn weldaden valt machtig veel groots en troostrijks te zeggen. Maar dat ligt opgesloten m die belijdenis der christelijke kerk, die nu met voor het oor der wereld, maar voor het aangezicht Gods wordt uitgesproken. De gemeente zegt daarin: Here, ik geloof in U, zoals Gij U in Uw Woord hebt geopenbaard. Welzalig Heer, Die op U bouwt en zich geheel aan u vertrouwt. Maar Gij weet het, Here, hoe zwak en aangevochten dat vertrouwen van mijn hart is. Sterk daarom door dit Sacrament dat geloof, dat één is met het geloof van heel Uw kerk op aarde". Heel de rijkdom, die de Catechismus in de Zondagen 8 t/ 22 daarin leest, ligt hierachter. Maar het komt altijd neer op het gebed: „Sterk ons. Here, in het geloof in Uw Naam", Dat is een bede, waar het hart, dat recht gesteld is Amen op zegt.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1968
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juli 1968
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's